Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30165Zaaknummer C/09/702832
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/702832
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nederlandse rechter bevoegd op grond van art. 23 Brussel I-bis. Stilzwijgende rechtskeuze Nederlands recht ex art. 3 lid 1 Rome I. Geen overeenkomst met vertegenwoordiger Bulgaarse vennootschap in privé. Vorderingen tot terugbetaling aankoopprijs trailers en delen winst doorverkoop afgewezen.
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 5.705,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/702832 / HA ZA 26-356
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eisende partij], handelend onder de naam [handelsnaam],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
advocaat: mr. L. Driegen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ( [land] ),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. P.J.W. Vermunt.
1 De procedure
Partijen dienden de volgende (proces)stukken in:
- de inleidende dagvaarding van [eisende partij] van 26 maart 2026 met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 3 juni 2026 met bijlagen 1 en 2;
- het tussenvonnis van 24 juni 2026;
- de brief van mr. Driegen van 31 augustus 2026 met producties 11 tot en met 14;
- de spreekaantekeningen van mr. Driegen van 10 september 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Vermunt van 10 september 2026.
De mondelinge behandeling vond plaats op 10 september 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Op 27, 28 en 29 maart 2023 hebben [eisende partij] en [gedaagde] elkaar telefonisch gesproken over het aankopen van een tiental trailers voor een bedrag van € 290.000, het doorverkopen van deze trailers en de winst die daarmee voor hen te behalen viel. In de transcripties van de gesprekken staat onder meer het volgende.
“27-3-2023
(…)
[Spreker 2]
Dus je heb 270.000 euro nodig? 290.000. Ja, 290.000 euro, dus 29.000. Ja, 10 stuk 29.000. En de BTW, die moet je ook nog voorfinancieren of niet?
[Spreker 1]
Nee, want ik doe dat via de Bulgarische bedrijf. En in één keer een fractuur [sic] over zijn we, dan moeten we dat geld in één keer naar Bulgarije en dan terug naar Nederland storten.
(…)
[Spreker 2]
Ik kom er even op terug. Kan je maar wat meer gegeven sturen van die trailers alsjeblieft en van de deal. Dan heb ik wat meer om te laten zien aan mijn compagnon. Is goed. Even spreken we elkaar later.
(…)
Spreker 1 = [gedaagde]
Spreker 2 = [eisende partij]”
“28-3-2023
[Spreker 2]
Ik overleg even, ik kom er even op terug, dat zal vanmiddag niet meer lukken, dat zal pas morgen ochtend even worden. Is dat goed?”
“28-3-2023A
[Spreker 2]
Stuur me even wat toe en dan hebben we morgen even contact”
“29-3-2023
[Spreker 2]
Je bent nu even druk. Op het moment dat je wat rustiger bent… Dan kom ik hier voorbij. En dan maken we definitief afspraken. En dan stuur je een factuur. En dan betaal ik het. En dan gaan we verder zien.
(…)
[Spreker 2]
Ik stuur even mijn bedrijfsgegevens. Ik denk dat ik hem op Handel en Ongeredelde [sic] Goederen. Dat is mijn eenmanszaak. Dat ik het daar even opzet. Maar daar kom ik vanzelf uit.”
Op 3 april 2023 heeft [bedrijfsnaam] aan [handelsnaam], de eenmanszaak van [eisende partij], een factuur gestuurd. Met deze factuur wordt een bedrag van € 290.000 in rekening gebracht voor tien D-Tec Trailer flexitrailers.
Op 4 april 2023 heeft [eisende partij] € 290.000 overgemaakt naar de rekening van [bedrijfsnaam] met de omschrijving ‘Factuur [nummer]. D-Trailer Flexitrailer 10 stuks’.
In de periode 14 november 2023 tot en met 21 maart 2025 heeft [bedrijfsnaam] € 210.000 aan [eisende partij] betaald.
Op 5 en 11 mei 2026 heeft [bedrijfsnaam] in totaal € 93.000 aan [eisende partij] betaald.
3 Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 100.000, vermeerderd met rente en kosten.
[eisende partij] stelt ter onderbouwing dat hij een overeenkomst is aangegaan met [gedaagde] op grond waarvan [eisende partij] op 4 april 2023 € 290.000 aan [gedaagde] heeft betaald om een tiental trailers te kopen. [gedaagde] zou deze trailers vervolgens binnen 10 à 15 dagen althans twee weken doorverkopen aan een derde. Na de verkoop zou [gedaagde] de € 290.000 terugbetalen aan [eisende partij]. Daarnaast zouden [eisende partij] en [gedaagde] de winst (het verschil tussen de prijs waarvoor de trailers zijn doorverkocht aan de derde en de € 290.000) delen.
Voor de start van de onderhavige procedure is er € 210.000 van de € 290.000 terugbetaald aan [eisende partij]. [eisende partij] vordert dat [gedaagde] hem de resterende € 80.000 terugbetaalt.
Daarnaast vordert [eisende partij] dat [gedaagde] hem een bedrag van € 20.000 aan winst betaalt. Dit omdat [gedaagde] de tien trailers voor € 330.000 en dus met € 40.000 winst zou doorverkopen en [eisende partij] recht heeft op de helft van de winst.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Bevoegdheid Nederlandse rechter
Omdat [gedaagde] in [land] woont heeft de zaak een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak. In deze zaak wordt dat beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) 1215/2012 (Brussel I-bis).
Op grond van artikel 26 lid 1 Brussel I-bis is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, tenzij de verweerder is verschenen met het doel de bevoegdheid van dat gerecht te betwisten of als er een ander gerecht is dat op grond van artikel 24 van Brussel I-bis bij uitsluiting bevoegd is.
[gedaagde] is in deze procedure verschenen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten. Daarnaast is er geen ander gerecht op grond van artikel 24 Brussel I-bis bij uitsluiting bevoegd. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de zaak tussen [eisende partij] en [gedaagde].
Toepasselijk recht
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen welk recht van toepassing is. Dit dient te gebeuren aan de hand van Verordening (EG) 593/2008 (Rome I).
Partijen hebben geen expliciete keuze gemaakt welk recht tussen hen van toepassing is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt echter dat zij uitgaan van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Zo heeft [eisende partij] zijn vordering met betrekking tot de wettelijke (handels)rente gebaseerd op artikel 6:119a en artikel 6:119 BW en het verweer van [gedaagde] gaat ook uit van de toepasselijkheid van deze bepalingen. De rechtbank zal de vorderingen van [eisende partij] daarom op grond van artikel 3 lid 1 Rome I beoordelen naar Nederlands recht.
Overeenkomst tussen partijen?
Over de inhoud van de door [eisende partij] gestelde overeenkomst bestaat tussen partijen op hoofdlijnen geen verschil van inzicht. [gedaagde] betwist echter dat hij zelf een overeenkomst is aangegaan met [eisende partij]. Volgens [gedaagde] heeft [eisende partij] zaken gedaan met [bedrijfsnaam], een vennootschap naar Bulgaars recht die [gedaagde] stelt te hebben vertegenwoordigd.
Het antwoord op de vraag of [gedaagde] de door [eisende partij] gestelde overeenkomst zelf of als vertegenwoordiger namens [bedrijfsnaam] is aangegaan, is afhankelijk van hetgeen [gedaagde] en [eisende partij] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat in [gedaagde] en [eisende partij] tijdens de telefoongesprekken in maart 2023 hebben besproken dat de overeenkomst zou worden gesloten door een (door hen vertegenwoordigde) onderneming. [eisende partij] noemde zijn eenmanszaak en [gedaagde] heeft tijdens het gesprek van 27 maart 2023 gezegd “ik doe dat via de Bulgarische bedrijf”. Uit het gebruik van woorden zoals ‘ik’ en ‘mijn’ door [gedaagde] kan daarom, anders dan [eisende partij] betoogt, niet worden afgeleid dat [gedaagde] in persoon handelde. [eisende partij] gebruikte deze woorden immers zelf ook terwijl hij namens zijn bedrijf handelde.
Na het sluiten van de overeenkomst is het [bedrijfsnaam] geweest die uitvoering heeft gegeven aan de gemaakte afspraken. [bedrijfsnaam] heeft [eisende partij] een factuur gestuurd voor de aankoop van de tien trailers waarna [eisende partij] € 290.000 aan [bedrijfsnaam] heeft betaald. [bedrijfsnaam] heeft voor de start van de onderhavige procedure € 210.000 terugbetaald aan [eisende partij], waarna [eisende partij] dit bedrag in mindering heeft gebracht op zijn vordering. Het is ook [bedrijfsnaam] geweest die [eisende partij] tijdens de procedure nog een bedrag van € 93.000 heeft betaald.
[eisende partij] heeft erop gewezen dat [gedaagde] sinds 2019 geen bestuurder van [bedrijfsnaam] meer is en heeft aangevoerd dat [gedaagde] geen concrete bevoegdheid heeft genoemd op grond waarvan hij [bedrijfsnaam] zou hebben vertegenwoordigd bij de transactie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] echter gesteld dat hij [bedrijfsnaam] als zaakvoerder heeft vertegenwoordigd en in die hoedanigheid namens [bedrijfsnaam] contracten mag aangaan. Maar dat punt kan verder in het midden blijven, omdat in deze zaak niet voorligt of [bedrijfsnaam] gebonden is aan de afspraken. Omdat [eisende partij] de vordering instelde tegen [gedaagde], gaat het er nu om of kan worden vastgesteld dat de overeenkomst is gesloten met [gedaagde].
Omdat bij de besprekingen tussen [eisende partij] en [gedaagde] is gezegd dat [gedaagde] het zou doen via het Bulgaarse bedrijf en alle daaropvolgende relevante handelingen door of op naam van [bedrijfsnaam] zijn verricht, kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde] (privé) partij was bij de afspraken met [eisende partij]. Daarom zal de rechtbank de vorderingen van [eisende partij] afwijzen.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
| - griffierecht | € | 1.414,00 | |
| - salaris advocaat | € | 4.102,00 | (2 punten × € 2.051,00) |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 5.705,00 |
5 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 5.705,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.