Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30100Zaaknummer SGR 24/9338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
SGR 24/9338
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

afwijzing aanvraag bijstand. Onvoldoende informatie overgelegd. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [woonplaats], eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/9338

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering met als gewenste ingangsdatum 13 februari 2024. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 11 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan de procedure vooraf ging

3. Eiser heeft op 16 maart 2024 een aanvraag om bijstand gedaan. In het aanvraagformulier heeft eiser onder meer aangegeven dat de begindatum volgens hem 13 februari 2024 moet zijn. Dat is de datum dat hij zich telefonisch, via zijn gemachtigde, heeft gemeld bij het college. Vervolgens is uit vooronderzoek van het college naar voren gekomen dat eiser van 26 april 2018 tot en met 31 juli 2020 bijstand ontving en dat er geen inschrijvingen bekend zijn in de BRP[_37ef7b66-6b40-465c-a82c-3d7666a53905] voor 13 februari 2024.

3.1.

Bij brief van 20 maart 2024, die tevens per e-mailbericht naar de gemachtigde van eiser is verstuurd, heeft het college eiser verzocht om uiterlijk 1 april 2024 bepaalde gegevens te verstrekken. Gevraagd wordt onder meer om informatie van eiser over zijn tijd in het buitenland, over hoe hij van 1 oktober 2021 tot en met 20 maart 2024 heeft geleefd, over hoe hij zijn vaste kosten heeft betaald en om alle afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van 1 januari 2023 tot en met 20 maart 2024. De gemachtigde van eiser heeft op dezelfde dag per e-mailbericht gereageerd en onder meer gesteld dat eiser de gevraagde informatie omtrent zijn verblijf in het buitenland niet relevant acht met betrekking tot zijn aanvraag om bijstand op grond van de Pw.

3.2.

Bij brief van 21 maart 2024, verstuurd per e-mailbericht naar de gemachtigde van eiser, heeft het college nogmaals verzocht om uiterlijk 1 april 2024 de in de brief genoemde informatie te verstrekken. Er is onder meer gevraagd om een verklaring over de uitschrijving uit de BRP over de periode 6 oktober 2020 tot en met 12 februari 2024, een verklaring over hoe eiser heeft geleefd van 1 augustus 2020 tot en met 21 maart 2024, hoe eiser zijn vaste kosten heeft betaald en alle betaal- en spaarrekeningen van 21 maart 2023 tot en met 20 maart 2024. De gemachtigde van eiser heeft op dezelfde dag gereageerd. Hij heeft onder meer gesteld dat het voor de beoordeling van de aanvraag om bijstand juridisch niet relevant is hoe eiser in het buitenland heeft geleefd. Eiser beschikt niet over vermogen in het buitenland en hij heeft ook geen andere inkomstenbron in het binnen- en/of buitenland. Eiser vindt dat er geen stukken ontbreken en dat de aanvraag kan worden beoordeeld door het college.

3.3.

Bij brief van 17 april 2024 heeft het college nogmaals verzocht om voor 1 mei 2024 de in de brief genoemde informatie te verstrekken. Het gaat om dezelfde informatie die reeds bij brief van 21 april 2024 is opgevraagd.

3.4.

Op 2 mei 2024 heeft de gemachtigde van eiser telefonisch contact opgenomen met het college en aangegeven dat eiser een kwetsbaar persoon is en (medische) hulp nodig heeft. Uiteindelijk is een gesprek gepland met eiser op 17 mei 2024.

3.5.

Tijdens het gesprek op 17 mei 2024 heeft eiser onder meer verklaard dat hij vanaf 1 augustus 2020 geen inkomen meer heeft, dat hij in Duitsland en Turkije heeft verbleven en dat kennissen en vrienden hem financieel hebben ondersteund. Hij heeft verder desgevraagd aangegeven geen woning te hebben in Turkije en ook geen andere bankrekeningnummers. Tot slot is gevraagd om een schriftelijke verklaring over te leggen over zijn woon- en leefsituatie. Bij brief van 24 mei 2024, per post verstuurd naar eiser en tevens per e-mailbericht verstuurd naar de gemachtigde van eiser, heeft het college eiser verzocht om voor 6 juni 2024 een verklaring over te leggen over hoe hij in het jaar 2023 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, wie hem financieel heeft ondersteund, en hoe hij geld heeft ontvangen, wanneer en van wie. De verklaring dient eiser te onderbouwen met verifieerbare bewijsstukken. Eiser heeft niet gereageerd.

3.6.

Het college heeft vervolgens bij het primaire besluit de aanvraag afgewezen.

3.7.

Bij het bestreden besluit heeft het college de afwijzing gehandhaafd. Het college legt daaraan ten grondslag dat controleerbare gegevens over de woon-, leef- en inkomenssituatie van eiser essentieel zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Ook in bezwaar heeft eiser geen gebruik gemaakt van de aanvullend geboden termijn tot 27 september 2024 om de in de brief van 24 mei 2024 gevraagde informatie over te leggen. Vervolgens is, naar aanleiding van het verzoek van eiser, op 23 september 2024 nogmaals uitstel gegeven tot 4 oktober 2024 om de ontbrekende informatie over te leggen. Eiser heeft wederom de gevraagde gegevens niet verstrekt. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld, aldus het college.

Het oordeel van de rechtbank

4. De te beoordelen periode loopt van 13 februari 2024, de gewenste ingangsdatum van de bijstand, tot en met 11 juni 2024, de datum van het besluit op de aanvraag.

4.1.

Het gaat in deze procedure om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die moeten leiden tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Duidelijkheid over de financiële situatie is daarbij van essentieel belang. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Anders dan eiser heeft gesteld, geldt de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie niet alleen voor maximaal drie maanden onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de aanvraag van 16 maart 2024. In de door eiser ter zitting genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 augustus 2023[_ace49cc7-360d-46c6-b141-b4c477bd4dc4] heeft de CRvB overwogen dat in beginsel wordt uitgegaan van een periode van drie maanden. Er kunnen echter omstandigheden zijn die rechtvaardigen om gegevens te vragen over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. De rechtbank is van oordeel dat zulke omstandigheden zich hier voordoen. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij vanaf 21 augustus 2020 geen inkomen meer heeft. Er bestond dus een onduidelijke financiële situatie over een lange periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. Gelet daarop kan niet geoordeeld worden dat de in de brief van 24 mei 2024 gevraagde informatie over (onder andere) het jaar 2023 niet relevant was voor de aanvraag. Dat eiser, zoals hij stelt, in het buitenland verbleef en hij reeds heeft verklaard geen inkomen en vermogen te hebben gehad in het buitenland, maakt het niet anders. Er is immers geen rechtsregel die de inlichtingenplicht voor de beoordeling van het recht op bijstand beperkt tot de woon-, leef- en inkomenssituatie in Nederland. De rechtbank merkt verder op dat eiser bijstand wenst vanaf 13 februari 2024. Eiser had dus, zelfs als van een periode van drie maanden zou worden uitgegaan, in beginsel in ieder geval informatie moeten verstrekken over de periode vanaf 13 november 2023. Nu eiser dat heeft nagelaten heeft het college daarom al de aanvraag kunnen afwijzen.

Ter zitting heeft eiser verder verklaard dat hij, anders dan oorspronkelijk gesteld, al sinds oktober 2023 in Nederland verbleef. Wat is aangevoerd over het al of niet relevant zijn van informatie over verblijf in het buitenland ziet alleen al daarom niet op de periode sinds oktober 2023, en ook daarin was dus geen reden gelegen om over die periode geen gegevens te verstrekken.

4.3.

Ter zitting heeft eiser ook gesteld dat hij beperkt is in lezen en schrijven, dat hij lichamelijke en cognitieve beperkingen heeft en medische klachten heeft. Dat eiser dusdanig kwetsbaar is dat daardoor van hem niet gevraagd kan worden de relevante gevraagde gegevens te verstrekken, is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet daarvoor ook geen aanwijzingen in het dossier. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat het college eiser niet heeft gevraagd, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, om in persoon naar [plaats] te gaan om verklaringen van de personen die hem hebben geholpen te verzamelen. Verder betrof het ook deels de periode dat hij, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in Nederland verbleef.

Hoorplicht

5. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.

5.1.

Het college heeft verwezen naar een e-mailbericht van 16 januari 2025 waarin de bezwaarmedewerker heeft aangegeven dat zij op 12 september 2024 heeft gebeld met de gemachtigde van eiser om een hoorzitting te plannen, dat de gemachtigde van eiser geen formele hoorzitting wenste en de zaak informeel wilde oplossen. De bezwaarmedewerker heeft vervolgens de gemachtigde van eiser verzocht om de ontbrekende informatie voor 27 september 2024 te verstrekken. Op 23 september 2024 heeft de gemachtigde van eiser om uitstel gevraagd en is nogmaals uitstel verleend tot en met 4 oktober 2024. De bezwaarmedewerker heeft in het e-mailbericht tot slot aangegeven dat zij is overgegaan tot het schrijven van de beslissing op bezwaar omdat zij niets meer heeft vernomen.

5.2.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat hij verkeerd is begrepen. Hij heeft op 12 september 2024 weliswaar gebeld met de bezwaarmedewerker en aangegeven dat hij de zaak informeel wilde afhandelen maar hij heeft daarmee geen afstand willen doen van het recht van eiser op een hoorzitting.

5.3.

Onbetwist is dat de gemachtigde van eiser op 12 september 2024 telefonisch ten overstaan van een bezwaarmedewerker van het college heeft gezegd dat hij de zaak “informeel wilde afhandelen”. Ook is onbetwist dat eiser daarna nog tot tweemaal toe een extra hersteltermijn is gegeven om de ontbrekende informatie te verstrekken, waarvan geen gebruik is gemaakt. Gezien het voorgaande mocht het college redelijkerwijs ervan uitgaan dat eiser afstand had gedaan van het recht op een hoorzitting.

Hersteltermijn

6. Eiser voert aan dat het hem niet duidelijk was gemaakt dat de door de bezwaarmedewerker namens het college telefonisch gegeven termijnen fatale termijnen waren.

6.1.

De eerste brief met verzoek om informatie is verstuurd op 20 maart 2024. Vervolgens heeft eiser in bezwaar nog een extra hersteltermijn gekregen van twee weken (12 september 2024 tot en met 27 september 2024). In de e-mail van 13 september 2024 van de behandelend bezwaarmedewerker aan de gemachtigde van eiser, waarin die hersteltermijn gegeven wordt, wordt nogmaals uiteengezet welke gegevens moeten worden ingeleverd, en wordt gevraagd die gegevens uiterlijk 27 september 2024 in te leveren. De mail wordt afgesloten met de zin “Als ik dan nog niets van u ontvangen heb, zal ik het bezwaar afhandelen op basis van alle beschikbare gegevens”. Gezien de bewoordingen is dit moeilijk anders te lezen dan als een fatale termijn. Er was dus geen sprake van een streefdatum in het proces van de informele afhandeling. Overigens heeft eiser vervolgens nogmaals een week de tijd gekregen (tot 4 oktober 2024) om de gevraagde gegevens over te leggen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. BRP = Basisregistratie personen
  2. ECLI:NL:CRVB:2023:1528

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.