Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 13 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30053Zaaknummer SGR 24/6345
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Publicatiedatum
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 24/6345
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gegrond beroep tegen de beëindiging van de WW-uitkering per 2 januari 2024.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, enkel voor zover daarin is bepaald dat eisers uitkering per 2 januari 2024 eindigt;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat eisers WW-uitkering eindigt met ingang van 1 januari 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
- wijst het verzoek om reiskostenvergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6345
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: G.M. Folkers).
Procesverloop
In het besluit van 6 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de uitkering die eiser ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW) per 2 januari 2024 stopgezet.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
In het besluit van 14 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Feiten
1. In een besluit van 29 september 2023 heeft het Uwv bepaald dat eiser met ingang van 2 oktober 2023 tot en met 1 januari 2024 recht heeft op een WW-uitkering.
2. Eiser is met ingang van 28 december 2023 gaan werken op basis van een 36-uurcontract. Hiertoe heeft eiser zowel op 29 december 2023 als op 30 januari 2024 een wijzigingsformulier ingediend.
3. Met het primaire besluit heeft het Uwv eisers WW-uitkering per 2 januari 2024 stopgezet. Het Uwv heeft eiser naar aanleiding van zijn bezwaar twee zogenoemde uitlegbrieven gestuurd. In de brief van 27 februari 2024 staat dat de uitkering pas kan worden beëindigd op de eerste dag van de maand waarin de werknemer niet langer werkloos is omdat hij een inkomen geniet dat, na vermenigvuldiging met de factor C/D, meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt. Eiser voldeed in december 2023 en januari 2024 niet aan deze vereisten. Hierom is de uitkering op 2 januari 2024, de dag waarop de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken, beëindigd. In de brief van 22 maart 2024 staat dat hoewel eiser voldoet aan de voorwaarden om zijn WW-uitkering op aanvraag te beëindigen,[_1e146b57-0901-40b4-9db0-bb8fd3d5b02c] hij deze optie op het wijzigingsformulier niet heeft ingevuld. Daarom kan er geen sprake zijn van beëindiging per 1 januari 2024. De brieven van 27 februari 2024 en 22 maart 2024 maken onderdeel uit van het bestreden besluit, aldus het Uwv.
Gronden van eiser
Eiser voert aan dat het Uwv zijn WW-uitkering ten onrechte door heeft laten lopen tot en met 1 januari 2024. Eiser vindt namelijk dat het Uwv per 28 december 2023 zijn WW-uitkering had moeten beëindigen, omdat hij toen is gaan werken. De wijzigingsformulieren die hij heeft ingevuld op 29 december 2023 en 30 januari 2024 hadden door het Uwv aangemerkt moeten worden als aanvragen tot beëindiging van het recht op WW-uitkering. De optie ‘ik wil mijn uitkering beëindigen’ staat volgens eiser namelijk niet op de wijzigingsformulieren die hij heeft ingevuld.
Verder betoogt eiser dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In het bestreden besluit is namelijk opgenomen dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten. Eiser leidt hieruit af dat het schriftelijke stuk (de brief van 25 maart 2024), waarin eiser zijn bezwaargronden nader heeft toegelicht, niet is meegenomen in de besluitvorming.
Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat hij met zijn beroep beoogt te bereiken dat hij de resterende dagen van zijn WW-uitkering kan inzetten in geval van toekomstige werkloosheid. Het gaat om vijf dagen, aldus eiser, namelijk de dagen 28 december 2023 tot en met 1 januari 2024. Eiser heeft ter zitting voorts uitdrukkelijk aangegeven een uitspraak van de rechtbank te wensen.
Standpunt van verweerder
5. In het bestreden besluit stelt het Uwv zich op het standpunt dat aan een verzoek tot beëindiging van een WW-uitkering geen terugwerkende kracht verleend kan worden. De WW-uitkering is al tot en met 1 januari 2024 betaald en het is dan niet meer mogelijk om de WW-uitkering met terugwerkende kracht te beëindigen. Het Uwv stelt ook dat eiser in zowel december 2023 als in januari 2024 niet voldeed aan de eisen voor de beëindigingsgrond uit artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW, omdat hij minder dan 87,5% van de WW-uitkering verdiende. Het Uwv verduidelijkt vervolgens in het verweerschrift dat eiser pas per 1 januari 2024 voldeed aan de eisen voor de beëindigingsgrond uit artikel 20, eerste lid, onder d, van de WW, maar dat eiser geen verzoek tot het stopzetten van de WW-uitkering heeft ingediend. Het Uwv heeft de wijzigingsformulieren die eiser op 29 december 2023 en 30 januari 2024 heeft ingediend niet aangemerkt als een verzoek tot het stopzetten van de WW-uitkering, maar als het doorgeven van een wijziging omdat daar alleen de werkhervatting staat aangegeven. Tenslotte stelt het Uwv in het verweerschrift dat de WW-uitkering enkel op de eerste dag van de maand kan eindigen en hierom niet per 28 december 2023 stopgezet kan worden.
Relevante wet- en regelgeving
6. Artikel 20, eerste lid, van de WW bepaalt (voor zover in deze zaak relevant) dat het recht op uitkering eindigt:
a. (…)
b. met ingang van de dag waarop de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken;
c. met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen geniet dat, na vermenigvuldiging met de factor C / D, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt;
d. met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer, die weer arbeid verricht en die daardoor minder dan vijf uur arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, heeft, een aanvraag tot eindiging van het recht op WW-uitkering heeft ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
Onzorgvuldige besluitvorming?
7. De schriftelijke stukken die eiser heeft ingestuurd zijn door het Uwv ontvangen en beantwoord. Daarbij komt dat het Uwv blijkens het bestreden besluit alle bezwaargronden die door eiser zijn aangevoerd heeft betrokken bij de besluitvorming. Ter zitting is gebleken dat het schriftelijke stuk waarnaar eiser verwijst (de brief van 25 maart 2024) door het Uwv is aangemerkt als toelichting op de bezwaargronden, zodat die brief wel is betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank is hierom van oordeel dat er geen sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.
Beëindiging van de WW-uitkering
8. De rechtbank overweegt allereerst dat eisers stelling dat het om vijf uitkeringsdagen gaat, onjuist is. Weliswaar betreft de periode 28 december 2023 tot en met 1 januari 2024 vijf kalenderdagen, maar daarin zijn slechts drie uitkeringsdagen gelegen omdat de WW niet uitkeert over de zaterdag (30 december 2023) en de zondag (31 december 2023). Aldus gaat het geschil maximaal over drie (3) uitkeringsdagen.
Wat betreft eisers stelling dat het Uwv zijn WW-uitkering per 28 december 2023 had moeten beëindigen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser beroept zich daartoe op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW. Eisers stelling kan alleen al niet slagen omdat uit de genoemde bepaling volgt dat de WW-uitkering enkel kan eindigen met ingang van de eerste dag van de kalendermaand. De WW-uitkering kan dus niet per 28 december 2023 eindigen. Daarbij overweegt de rechtbank voor zover nodig nog dat in het geval van eiser ook geen sprake kan zijn van een beëindiging per 1 december 2023. In december waren eisers inkomsten over de dagen vanaf 28 december 2023 in totaal € 340,04. Dat is niet meer dan 87,5% van zijn maandloon voorafgaand aan de WW.
Hieruit volgt dat eiser in december 2023 in ieder geval niet voldeed aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW, zodat de uitkering niet per 28 december 2023 kan zijn geëindigd en ook niet per 1 december 2023.
Het geschil betreft aldus nog (slechts) één (1) uitkeringsdag, te weten 1 januari 2024. Eiser beroept zich met betrekking tot deze uitkeringsdag op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW.
De rechtbank ziet zich in dit verband voor de vraag gesteld of het wijzigingsformulier dat eiser op 30 januari 2024 heeft ingediend, aangemerkt moet worden als aanvraag tot eindiging van het recht op WW-uitkering per 1 januari 2024, zoals is bedoeld in artikel 20, eerste lid en onder d, van de WW.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het door eiser op 30 januari 2024 bij het Uwv ingediende wijzigingsformulier te beschouwen is als een aanvraag in de zin van artikel 20, eerste lid en onder d, van de WW en overweegt hiertoe als volgt.
Eiser heeft ter zitting verklaard dat op het wijzigingsformulier geen optie tot stopzetting van de WW-uitkering stond. Ter zitting is verder gebleken dat het Uwv niet precies weet wanneer de aanvraag tot eindiging van de WW-uitkering is geïntroduceerd als optie op de wijzigingsformulieren. Hieruit concludeert de rechtbank dat het Uwv de mogelijkheid niet kan uitsluiten dat deze optie niet op het wijzigingsformulier stond dat eiser op 30 januari 2024 heeft ingevuld. Het Uwv heeft ook niet aannemelijk kunnen maken dat de optie tot stopzetting wel op eisers wijzigingsformulier stond. Bij de afwezigheid van een optie tot stopzetting op het formulier, acht de rechtbank het doorgeven van een wijziging, inhoudende een volledige werkhervatting, van vergelijkbare strekking als een aanvraag tot eindiging. De rechtbank acht het hierbij van belang dat eiser blijkens de stukken wel de bedoeling had om de WW-uitkering te beëindigen, hetgeen het Uwv ter zitting niet weersproken heeft.
De rechtbank oordeelt, gezien het vorenstaande, dat de einddatum van de WW-uitkering van eiser door het Uwv vastgesteld had moeten worden op 1 januari 2024, dit onder toepassing van artikel 20, eerste lid en onder d, van de WW.
Dit betekent dat het Uwv eisers WW-uitkering ten onrechte onder toepassing van artikel 20, eerste lid en onder b, van de WW per 2 januari 2024 heeft beëindigd.
Aldus had eiser één (1) uitkeringsdag kunnen inzetten in geval van toekomstige werkloosheid. Die toekomstige werkloosheid heeft zich blijkens de stukken in 2024 al voorgedaan. Daarbij is, als gevolg van de lopende procedure, de betreffende uitkeringsdag niet ingezet.
Ter zitting is hieromtrent besproken dat eiser de WW-uitkering over 1 januari 2024 wel ontvangen heeft en niet heeft terugbetaald, zodat het gevolg van het oordeel van de rechtbank zal zijn dat eiser eerst de betreffende uitkering over die dag zal moeten terugbetalen, waarna mogelijk de WW-uitkering van de opvolgende werkloosheidsperiode die zich in 2024 heeft voorgedaan, daarmee kan worden verrekend.
De rechtbank geeft partijen mee dat zij wellicht een praktische oplossing kunnen vinden voor de uit deze procedure voortvloeiende (financiële) gevolgen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond voor zover het betreft de uitkeringsdag 1 januari 2024. De rechtbank zal het bestreden besluit voor zover het daarop betrekking heeft, vernietigen. Gezien de uitkomst acht de rechtbank het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf een beslissing te nemen. Zij zal bepalen dat het primaire besluit wordt herroepen, voor zover het betreft de uitkeringsdag 1 januari 2024. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats van het bestreden besluit komt. Dit betekent dat eisers WW-uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer, die weer arbeid verricht en die daardoor minder dan vijf uur arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, heeft, een aanvraag tot eindiging van het recht op WW-uitkering heeft ingediend, zijnde 1 januari 2024.
Proceskosten en griffierecht
12. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv aan eiser het betaalde griffierecht van € 51,- dient te vergoeden.
13. Eiser heeft na afloop van de zitting van 2 december 2025 ’s avonds om 23.03 uur per e-mail verzocht om vergoeding van zijn reiskosten. Dit verzoek heeft eiser te laat ingediend. Eiser heeft in zijn verzoek geschreven dat de griffier die verantwoordelijk was voor de zaak, niet aanwezig was. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu de griffier ter zitting wel degelijk aanwezig was en de gehele zitting naast de behandelend rechter zat. Op het ‘formulier proceskosten en toelichting’ dat op 28 augustus 2025 aan eiser is verstuurd, staat vermeld dat eiser het ingevulde formulier zo spoedig mogelijk aan de rechtbank had moeten insturen of het formulier uiterlijk bij aanvang van de zitting had moeten overhandigen aan de griffier. Nu eiser hierop is gewezen en toch verzuimd heeft het proceskostenformulier tijdig in te dienen, wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van zijn reiskosten af.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, enkel voor zover daarin is bepaald dat eisers uitkering per 2 januari 2024 eindigt;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat eisers WW-uitkering eindigt met ingang van 1 januari 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
- wijst het verzoek om reiskostenvergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.