Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 11 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30005Zaaknummer C/09/705335 / JE RK 26-849

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11 september 2026
Publicatiedatum
16 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/705335 / JE RK 26-849
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/705335 / JE RK 26-849

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1], [land],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. H. Polat uit Rijswijk,

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 28 mei 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van 28 mei 2026 tot 28 mei 2027. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend van 28 mei 2026 tot 15 september 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.

1.2.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 28 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • het aanvullende raadsrapport van 4 september 2026.
1.3.

Op 11 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder via een videoverbinding;
  • de vader met zijn advocaat;

- [naam 1] namens de Raad;

- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

1.4.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter met de toestemming van [de minderjarige] samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 28 mei 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad motiveert het verzoek als volgt. In de afgelopen drie maanden dat [de minderjarige] bij het pleeggezin verblijft, heeft zij in enige mate rust en structuur gevonden. [de minderjarige] heeft momenteel een gezond dag- en nachtritme, gaat naar school en heeft een (bij)baan gevonden. Op het gebied van hulpverlening heeft de vader nog geen stappen gezet, waardoor hij nog niet gewerkt heeft aan zijn problematiek. Ook de hulp voor [de minderjarige] en de vader samen, in de vorm van MST, is nog niet van de grond gekomen. Beide hulpverleningstrajecten zijn belangrijk en dienen van de grond te komen voordat [de minderjarige] weer bij de vader kan gaan wonen.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft toegelicht dat het beter voor [de minderjarige] is als zij weer bij de vader woont. [de minderjarige] wil dit zelf heel graag en de moeder merkt ook aan de vader dat hij veranderd en rustiger is. Niet alleen is de band tussen de vader en [de minderjarige] beter geworden, ook de band tussen de moeder en de vader is verbeterd. De moeder vindt het heel fijn dat zij en de vader goed met elkaar kunnen communiceren. Verder is [de minderjarige] tijdens de afgelopen zomervakantie drie weken bij de moeder op vakantie geweest.

4.2.

Door en namens de vader is verzocht het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. [de minderjarige] krijgt hulp in verband met haar problematiek. Hier heeft zij baat bij en zij zit momenteel veel beter in haar vel. Ze is er alleen nog niet en de vader erkent ook de problematiek van [de minderjarige]. De hulp van MST voor de vader en [de minderjarige] zal 21 september 2026 starten en de vader accepteert de hulp ook. Hij pakt alles aan om de situatie voor [de minderjarige] beter te maken. Hiernaast is het contact en de band tussen de vader en [de minderjarige] ook sterk verbeterd. Het is veel effectiever als de vader en [de minderjarige] de stijgende lijn, met behulp van de hulpverlening, door kunnen zetten in de thuissituatie. [de minderjarige] voelt zich namelijk niet op haar plek in het pleeggezin en wil heel graag terug naar de vader. Het is fijn dat de Raad en de gecertificeerde instelling ook het vertrouwen in een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader hebben. Er is dan ook geen noodzaak meer om [de minderjarige] langer uit huis te plaatsen.

4.3.

De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader gerealiseerd moet worden. Hierbij is de inzet van de hulpverlening wel noodzakelijk. Het is dan ook positief dat MST binnen een zeer korte termijn zal beginnen en dat de vader heeft toegezegd mee te zullen werken aan de hulpverlening.

4.4.

De Raad heeft, nadat door de vader kenbaar is gemaakt dat de hulpverlening van MST op 21 september a.s. van start zal gaan, de situatie verbeterd lijkt te zijn en de gecertificeerde instelling achter een thuisplaatsing met hulp kan staan, toegelicht dat de Raad zich in een afwijzing van het verzoek kan vinden. Hierbij telt ook de wens van [de minderjarige] om weer bij de vader te wonen mee.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is niet van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_dbeecd13-c30b-4ca4-8834-81e6228221a1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Uit de stukken, de toelichtingen tijdens de zitting en uit het kindgesprek maakt de kinderrechter op dat [de minderjarige] in de afgelopen tijd meerdere positieve stappen heeft gezet. Zij gaat naar school, heeft een gezond dag- en nachtritme en zij heeft een (bij)baan gevonden. Dit is heel knap van haar en de kinderrechter is blij te horen dat zij iets beter in haar vel lijkt te zitten. Hiernaast is het positief dat de band en het contact tussen de vader en [de minderjarige] verbeterd is. [de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij beter met de vader kan praten en dat zij zich veilig bij hem voelt. Ook de vader heeft aan zichzelf gewerkt en werkt mee aan de inzet van de hulpverlening. De Raad en de gecertificeerde instelling hebben ter zitting toegelicht dat een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader op dit moment mogelijk is, maar dat de inzet van hulpverlening in de vorm van MST hierbij wel noodzakelijk is. Nu duidelijk gebleken is dat de hulp van MST op 21 september a.s. van start zal gaan, vindt de kinderrechter -net als de partijen- een voortzetting van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet langer nodig. Van de vader en van [de minderjarige] wordt daarbij wel verwacht dat zij open blijven staan voor de hulpverlening, om zo de situatie van [de minderjarige] bij de vader duurzaam te verbeteren. De kinderrechter zal het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg dan ook afwijzen. Daarbij weegt de kinderrechter ook de sterke wens van [de minderjarige] mee om weer bij de vader te wonen, waar zij het naar haar zin heeft.

5.3.

Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.