Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 10 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:29948Zaaknummer C/09/693922 / JE RK 25-1862

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10 september 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/693922 / JE RK 25-1862
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aangehouden deel van het verzoek. Niet langer voldaan aan het vereiste voor een machtiging tot uithuisplaatsing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 17 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/693922 / JE RK 25-1862

Datum uitspraak: 10 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [de minderjarige 1],

[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [de minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij uit Katwijk,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 9 april 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader verlengd tot 11 september 2026. De behandeling van het overige deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader is aangehouden tot een nader te bepalen zitting vóór 11 september 2026.

1.2.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 9 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 26 augustus 2026;
  • het verweerschrift met producties van de advocaat van de moeder van 1 september 2026.
1.3.

Op 10 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

1.4.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] door middel van een brief die naar het adres van vader is gestuurd naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2 De feiten

2.1.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

2.2.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

2.3.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun vader en hebben de laatste periode, met name in de zomervakantie, regelmatig bij de moeder verbleven.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 11 december 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling handhaaft haar verzoek en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader te verlengen voor de overige duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Volgens de gecertificeerde instelling is het niet in het belang van de kinderen om hun hoofdverblijfplaats weer te wijzigen. De situatie is nog onvoldoende stabiel om een wijziging van de verblijfplaats van de kinderen te rechtvaardigen. Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] duidelijkheid hebben over hun opvoedsituatie, waarbij deze situatie zo stabiel mogelijk blijft en zij contact kunnen blijven houden met beide ouders. De moeder laat duidelijke vooruitgang zien, zij krijgt begeleiding vanuit Gemiva en Brijder, volgt een EMDR-traject en daarnaast is maatschappelijk werk en huishoudelijke hulp betrokken. Aan de andere kant woont zij pas relatief kort – sinds juni 2026 – weer thuis na een verblijf in het babyhuis met het halfbroertje van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en zijn er nog regelmatig situaties die spanning bij de moeder veroorzaken. De gecertificeerde instelling ziet dat het op dit moment goed gaat, maar zij hebben wel zorgen over de draagkracht van de moeder op de lange termijn. Het is immers veel wat op de moeder afkomt, ook gezien de verzorging van het halfbroertje en halfzusje van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1]. De gecertificeerde instelling ziet daarentegen ook – zoals zij ook ter zitting heeft toegelicht - dat de kinderen steeds vaker weer bij de moeder zijn en ook graag naar de moeder willen. Volgens de gecertificeerde instelling zijn er afspraken dat de kinderen doordeweeks bij de vader zullen verblijven en in het weekend bij de moeder, maar zijn deze afspraken afgelopen zomer een beetje losgelaten. De kinderen hebben ook zelf bij de jeugdbeschermer aangegeven een verdeling te willen, waarin zij doordeweeks bij de vader zijn en in het weekend, als zij dit willen, bij de moeder. Dit hebben de kinderen wel al voor de zomer aangegeven, dus voordat de kinderen veel bij de moeder hebben verbleven. De gecertificeerde instelling wil met name duidelijkheid voor de kinderen, want zij merken dat de onrust en onduidelijkheid de spanning vergroot tussen de ouders. Vanuit de duidelijkheid van de uithuisplaatsing kan dan de komende periode gekeken worden, welke verdeling voor de lange termijn het meest in het belang is van de kinderen. De gecertificeerde instelling is van mening dat de vader de basale verzorging kan bieden aan de kinderen, maar zij heeft wel minder zicht dan gewenst op de thuissituatie bij de vader. Er is sinds de vorige zitting slechts één keer een bezoek geweest met de vader. De vader heeft aangegeven geen verdere gesprekken meer te willen voeren met de jeugdbeschermer. Daarbij blijven ook de zorgen over de afstemming tussen de ouders en de betrokkenheid van de vader bij de schoolontwikkeling van de kinderen bestaan.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Uit de ingebrachte stukken, onder meer van Gemiva, Aemosa, Brijder en het Babyhuis komt naar voren dat de moeder al langdurig abstinent is van middelen, over voldoende opvoedvaardigheden beschikt en openstaat voor de betrokken hulpverlening. Daarbij is een uithuisplaatsing een ultimum remedium en zijn er op dit moment geen gronden meer die een uithuisplaatsing rechtvaardigen. De moeder heeft haar leven drastisch veranderd. Zij heeft gewerkt aan alle doelen die zijn gesteld bij de uithuisplaatsing en de oorzaken zijn succesvol aangepakt. Het verkrijgen van duidelijkheid over de verdeling van de zorg is geen criterium om een uithuisplaatsing te verlenen. Daarbij zullen de kinderen gezien hun leeftijd daarin ook zelf een grotere rol vervullen. Volgens de moeder stelt de gecertificeerde instelling ten onrechte dat de ontwikkelingen nog pril zijn. Het traject in de kliniek is al een jaar geleden afgerond, de moeder is verder gegaan met passende hulp en een vervolgtraject in het Babyhuis is positief verlopen en afgesloten. De moeder is nu al enkele maanden volledig thuis en er loopt ook niet langer een ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 3], omdat het zo goed gaat. Daarnaast hebben [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de gehele zomervakantie en zelfs al vanaf daarvoor bij de moeder verbleven. [de minderjarige 1] verblijft op dit moment nog steeds bij de moeder en [de minderjarige 2] verblijft – sinds afgelopen zondag – weer op verzoek van de vader bij de vader. De moeder geniet enorm van de dagelijkse dingen en het feit dat de kinderen weer bij haar zijn. Verder kan de moeder de kinderen ook de juiste ondersteuning bieden voor school en heeft zij [de minderjarige 1] afgelopen week gewekt en ontbijt gemaakt, zodat hij op tijd op school komt.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in hun leven al veel ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt. Er bestonden ernstige zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een uithuisplaatsing en na een korte plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zijn de kinderen bij de vader gaan wonen. De kinderrechter wil benadrukken dat zij het bewonderingswaardig vindt dat de vader – ondanks de ingewikkelde situatie op dat moment ook in relatie tot de moeder en de kinderen – de zorg voor de kinderen zo goed mogelijk op zich heeft genomen en zich beschikbaar voor hen heeft gesteld. Aan de andere kant dient de kinderrechter te oordelen of het op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen dat zij nog langer uit huis worden geplaatst. Dit is een andere beoordeling dan de vraag hoe de verdeling van de zorg- en opvoedtaken het beste in het belang van de kinderen tussen de ouders verdeeld kan worden. Als de kinderrechter kijkt naar het criterium voor een uithuisplaatsing, is de kinderrechter van oordeel dat hier niet langer aan wordt voldaan.

5.2.

Uit de stukken volgt dat de moeder de afgelopen jaren hard aan zichzelf heeft gewerkt en enorme stappen heeft gezet. Daarbij is het goed om te zien dat de moeder zich openstelt voor de hulpverlening en zich hier actief voor inzet. Ook is de moeder goed in contact met de gecertificeerde instelling. Naar het oordeel van de kinderrechter kan de moeder – met de ondersteuning van de hulpverlening – op dit moment een voldoende veilige en stabiele opvoedomgeving aan de kinderen bieden. Wel doet de kinderrechter daarin een uitdrukkelijk beroep op de moeder om de hulpverlening die is ingezet ook te blijven aanvaarden en waar nodig om extra hulp te vragen. Het verblijf van de kinderen zal namelijk zorgen voor een grotere belasting voor de moeder – zeker nu het gaat om twee pubers - en de kinderrechter kan zich voorstellen dat er daardoor ook extra ondersteuning en begeleiding nodig is. Hier kan vanuit de nog lopende ondertoezichtstelling toezicht op worden gehouden. Daarbij neemt de kinderrechter mee dat de kinderen graag bij de moeder zijn. De kinderen zijn de afgelopen zomer veel bij de moeder geweest en dit is goed verlopen. Daarnaast heeft de moeder de ruimte om aan de kinderen de ondersteuning te bieden voor hun schoolgang, terwijl ten aanzien van de vader en zijn betrokkenheid bij de schoolgang van de kinderen juist zorgen bestaan. Daarbij is er ook weinig zicht op de situatie bij de vader, doordat de vader het contact met de gecertificeerde instelling afhoudt. Hoewel de kinderrechter het net als de gecertificeerde instelling belangrijk vindt dat er duidelijkheid voor de kinderen komt ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoeding tussen de vader en de moeder, is dit naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende reden om de uithuisplaatsing te verlengen. Het is wel belangrijk dat de gecertificeerde instelling de komende periode samen met de kinderen en de ouders gaat kijken – in het kader van de lopende ondertoezichtstelling – wat de beste verdeling voor hen is. Het is immers belangrijk – nu de uithuisplaatsing eindigt – dat er ook duidelijkheid komt over het contact tussen de kinderen en de vader. Daarin verwacht de kinderrechter ook dat de vader in gesprek gaat met de gecertificeerde instelling over hoe dit het beste vorm kan worden gegeven.

6 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 17 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.