Uitspraak · Ambtenarenrecht

Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:29820Zaaknummer SGR 25/8602

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
SGR 25/8602
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Buiten zitting afgedaan. Verlaging uitkeringspercentage van de ontslaguitkering. Toepassing 6:22 Awb.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Baltus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie (Besluit)

Artikel 4, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat de uitkering gedurende 60 maanden 80% van de bezoldiging vermeerderd met zoveel - doch ten hoogste tien - malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle voor pensioen geldige dienstjaren bedraagt, die medetellen voor de pensioenberekening krachtens het pensioenreglement, op de dag van ingang van het ontslag meer dan dertig bedraagt en vervolgens 70% van die bezoldiging. Het bedrag van de uitkering daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen, waarop de betrokkene recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen, op de dag van ontslag zou zijn gepensioneerd.

Artikel 4c, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de in artikel 4 genoemde uitkering ingaat op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt, voor zover daarop recht bestaat, verminderd met het bedrag van het verstrekt ouderdomspensioen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Informatie over hoger beroep
  6. Bijlage

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/8602

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.T.J.M. Cratsborn).

Procesverloop

1. Bij besluit van 19 juni 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering

van eiser op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie (Besluit) per 1 juni 2025 van 85% naar 70% van de bezoldiging verlaagd.

1.1.

Bij besluit van 25 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het

bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

1.2.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.3.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te

worden gehoord, hebben verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1958, was bij verweerder in dienst als

burgerambtenaar bij Defensie. Zijn laatste functie was die van medewerker van de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (hierna DBBO). Verweerder heeft eiser per 1 juni 2020 functioneel leeftijdsontslag (FLO) verleend. Tevens heeft verweerder eiser per die datum een ontslaguitkering toegekend ter hoogte van 85% van het laatstverdiende salaris van eiser gedurende de eerste vijf jaar. Het uitkeringspercentage wordt vijf jaar na ingang van de uitkering verlaagd tot 70%. Deze uitkering eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd op [datum] 2025. Met de betaalspecificatie van 19 juni 2025 is het uitkeringspercentage verlaagd tot 70% met ingang van 1 juni 2025. Met zijn bezwaar heeft eiser willen bereiken dat het uitkeringspercentage van 85% van zijn ontslaguitkering doorloopt tot en met [datum] 2025. Verweerder heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat de uitvoeringsorganisatie Algemene Pensioen Groep (APG) niet bevoegd is tot het nemen van het bestreden besluit. Verder voert hij aan dat verweerder ten onrechte de ontslaguitkering heeft verlaagd tot 70%. Verweerder heeft in het besluit van 21 januari 2020 aangegeven dat als de ontslaguitkering ingaat voordat men 60 jaar is, het uitkeringspercentage vijf jaar na ingang van deze uitkering wordt verlaagd tot 70%. Eiser geeft aan 61 jaar te zijn geweest op het moment dat de ontslaguitkering is ingegaan. Verder betoogt eiser dat een bezwaarclausule ontbreekt bij de verlaging van de ontslaguitkering vanaf 1 juni 2025. Ook voert eiser aan dat het bestreden besluit genomen is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het motiverings-, rechtszekerheids-, vertrouwens-, zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel. Tot slot voert eiser aan dat verweerder eiser niet heeft geïnformeerd dat de ontslaguitkering na vijf jaar wordt verlaagd. Eiser meent dat verweerder onvolledige informatie over het ABP Keuzepensioen heeft verstrekt en dat de fouten niet met een formele correctie door APG zijn erkend.

Wat zijn de regels?

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze

uitspraak.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 1 juni 2025 tot en

met 14 augustus 2025, namelijk de periode vanaf de datum dat het uitkeringspercentage van de ontslaguitkering is verlaagd tot de datum van het bereiken van de AOW-leeftijd.

6. Eiser heeft aangevoerd dat APG niet bevoegd is tot het nemen van het

bestreden besluit. Dat er sprake is van onbevoegdheid is de rechtbank echter niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 2 van het Mandaatsbesluit uitvoering Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren Defensie (Mandaatsbesluit) de staatssecretaris aan het bestuur van het ABP mandaat tot het nemen van besluiten ter uitvoering van de FLO-regeling verleent. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Mandaatsbesluit kan het bestuur van het ABP het hem aan artikel 2 ontleende mandaat geheel of gedeeltelijk mandateren aan andere dan de in artikel 5 genoemde functionarissen van het ABP. Verweerder heeft met de brief van 6 februari 2026 bevestigd dat het ABP (onder)mandaat heeft verleend aan APG. ABP heeft APG gemandateerd voor de uitvoering van de FLO-regeling.

6.1.

De rechtbank stelt met eiser vast dat in het bestreden besluit inderdaad niet is vermeld dat de ambtenaar het besluit heeft genomen namens verweerder. Dat is in strijd met artikel 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan de maatregel in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. De rechtbank overweegt hiertoe dat het eiser duidelijk had kunnen zijn dat het bestreden besluit is genomen door een daartoe bevoegd persoon. Dat de ondertekening van het bestreden besluit niet voldoet aan de daarvoor gestelde vormvoorschriften, doet niets af aan de bevoegdheid. Eiser heeft ook verder niet onderbouwd op welke manier hij is benadeeld door de strijdigheid met artikel 10:10 van de Awb. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gebrek te passeren op basis van artikel 6:22 van de Awb.

7. Eiser heeft verder aangevoerd dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt dat als de ontslaguitkering ingaat voordat men 60 jaar is, het uitkeringspercentage vijf jaar na ingang van deze uitkering wordt verlaagd tot 70%. Eiser geeft aan 61 jaar te zijn geweest op het moment dat de ontslaguitkering is ingegaan.

7.1

De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Verweerder heeft het primaire

besluit gebaseerd op artikel 4c, tweede lid, van het Besluit, in samenhang gelezen met

artikel 4, waaruit volgt dat als de ontslaguitkering na het bereiken van de 60-jarige leeftijd is

ingegaan, deze na ommekomst van vijf jaren wordt verlaagd naar 70%. Verweerder heeft er

in het bestreden besluit en het verweerschrift op gewezen dat in het toekenningsbesluit van

21 januari 2020 een evidente verschrijving is opgenomen, namelijk dat de uitkering

verlaagd wordt tot 70% wanneer de FLO-uitkering ingaat vóór de 60-jarige leeftijd. De

rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat deze kennelijke verschrijving niet betekent

dat nu eiser 61 jaar was op het moment dat de ontslaguitkering is ingegaan, de maximale

duur van 5 jaar waarop hij recht heeft op het gemaximeerde bedrag van 85% van de

bezoldiging voor hem niet van toepassing is en verweerder zijn uitkering daarom niet

rechtsgeldig heeft kunnen verlagen naar 70%. Voor zover eiser stelt dat verweerder dit in

het primaire besluit niet goed heeft gemotiveerd, heeft verweerder dit met het bestreden

besluit alsnog goed gedaan. Dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld volgt de

rechtbank gelet op het voorgaande ook niet.

7.2.

De rechtbank volgt eiser ook niet in het betoog dat verweerder in strijd met het

rechtszekerheids-, het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door het

uitkeringspercentage van de ontslaguitkering vanaf 1 juni 2025 te verlagen. Eiser had naar

het oordeel van de rechtbank in dit geval redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat hem

niet te weinig werd uitbetaald. De verplichting tot verlaging van het uitkeringspercentage na

5 jaar vloeit rechtstreeks voort uit het Besluit. De door eiser gestelde onbekendheid met de

van toepassing zijnde regelgeving kan hem niet baten nu ook eiser wordt geacht de wet- en

regelgeving te kennen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser bij

brief van 23 september 2019 expliciet is geïnformeerd dat het FLO-uitkeringspercentage na

5 jaar zal worden vastgesteld op 70%. Ook heeft verweerder onbestreden gesteld dat eiser

(tenminste) een voorlichtingsmoment heeft bijgewoond, waar de werking van de FLO is

uitgelegd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het

bestreden besluit en daarmee het besluit van 19 juni 2025 in stand blijven. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Baltus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie (Besluit)

Artikel 4, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat de uitkering gedurende 60 maanden 80% van de bezoldiging vermeerderd met zoveel - doch ten hoogste tien - malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle voor pensioen geldige dienstjaren bedraagt, die medetellen voor de pensioenberekening krachtens het pensioenreglement, op de dag van ingang van het ontslag meer dan dertig bedraagt en vervolgens 70% van die bezoldiging. Het bedrag van de uitkering daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen, waarop de betrokkene recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen, op de dag van ontslag zou zijn gepensioneerd.

Artikel 4c, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de in artikel 4 genoemde uitkering ingaat op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar wordt, voor zover daarop recht bestaat, verminderd met het bedrag van het verstrekt ouderdomspensioen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.