Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 7 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:29578Zaaknummer C/09/708039 / FA RK 26-6559

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
7 september 2026
Publicatiedatum
14 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/708039 / FA RK 26-6559
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorzieningen - uitsluitend gebruik, toevertrouwing en zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres], en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats]

aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:

- op vrijdag 4 september 2026 van 10:00 uur tot 16:00 uur;

- op vrijdag 11 september 2026 van 10:00 uur tot 16:00 uur;

- van vrijdag 18 september 2026 10:00 uur tot zaterdag 19 september 2026 12:00 uur;

- vanaf vrijdag 25 september 2026 de ene week op vrijdag van 10:00 uur tot 16:00 uur en de andere week van vrijdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur,

waarbij het overdrachtsmoment bij de McDonalds bij de IKEA [plaats] zal plaatsvinden;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 augustus 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 306,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 18 augustus 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 301,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-6559

Zaaknummer: C/09/708039

Datum beschikking: 7 september 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 26 juni 2026 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

advocaat: mr. C. Car te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het bericht van 20 augustus 2026 van de vrouw;

- het aanvullend verzoekschrift van de man.

Op 24 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de man met zijn advocaat;

- de vrouw (via een videoverbinding) met haar advocaat;

- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te [plaats].

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats].

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe dat:

- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

primair

- [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd;

subsidiair

- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] wordt vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] wekelijks van donderdag 12:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man zal verblijven, waarbij de man [minderjarige] haalt bij de vrouw of door de vrouw aan te wijzen neutrale plek en de vrouw [minderjarige] weer ophaalt bij de man of op een door de vrouw aan te wijzen neutrale plek,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig te bepalen dat:

- [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 412,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 301,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Gelet hierop kan het verzoek van de man als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Toevertrouwing en voorlopige zorgregeling

De man geeft aan dat hij in overleg met de vrouw van 15 tot en met 23 mei 2026 een ziek familielid in het buitenland heeft bezocht. Tijdens zijn verblijf in het buitenland heeft de man vernomen dat de vrouw met [minderjarige] naar een crisisopvang is gegaan en daar sindsdien verblijft. Volgens de man was hiervoor geen enkele aanleiding. De man vindt de crisisopvang geen goede omgeving voor [minderjarige] en maakt zich bovendien zorgen over de mentale gezondheid van de vrouw. Volgens de man is het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij aan hem wordt toevertrouwd. Op die manier kan [minderjarige] namelijk in haar vertrouwde en veilige omgeving verblijven met de man als stabiele factor in haar leven. In het geval de rechtbank [minderjarige] aan de vrouw zal toevertrouwen, verzoekt de man een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Volgens de man blokkeert de vrouw het contact tussen hem en [minderjarige], waardoor hij [minderjarige] al sinds haar verblijf in de crisisopvang niet meer heeft gezien. De man mist [minderjarige] en acht het van belang dat het contact tussen hen op korte termijn wordt hersteld. Volgens de man is er geen enkele reden om het contact tussen hem en [minderjarige] te blokkeren, aangezien partijen gedurende het huwelijk de zorg over [minderjarige] altijd hebben gedeeld. De man was dan ook nauw betrokken in de dagelijkse zorg voor [minderjarige] en hij wenst dit voort te zetten.

De vrouw geeft op haar beurt aan dat zij zich genoodzaakt voelde de echtelijke woning te verlaten, vanwege steeds verder oplopende spanningen, de door haar ervaren controle, de escalaties binnen de relatie en de ontstane veiligheidssituatie. Sinds het verblijf van de vrouw en [minderjarige] in de crisisopvang gaat het goed met hen en ontwikkelt [minderjarige] zich goed. Volgens de vrouw is zij gedurende het huwelijk altijd de hoofdverzorgster van [minderjarige] geweest en is de man niet gewend om langere tijd met [minderjarige] alleen te zijn en voor haar te zorgen. Om deze reden stelt de vrouw zich op het standpunt dat [minderjarige] aan haar moet worden toevertrouwd. Hoewel de vrouw niet onwelwillend tegenover contact tussen de man en [minderjarige] staat, moet dit volgens haar rustig worden opgebouwd. Hierbij denkt de vrouw aan een uur per week.

De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is met partijen en in aanwezigheid van de Raad uitgebreid gesproken over het herstellen van het contact tussen de man en [minderjarige]. Gebleken is dat de vrouw gedurende het huwelijk op maandag, dinsdag en vrijdag werkte en de man van maandag tot en met donderdag. [minderjarige] ging op maandag, dinsdag en donderdag naar de kinderopvang, op woensdag nam de vrouw de zorg voor [minderjarige] op zich en de man op vrijdag. Uit het voorgaande volgt dat de man, anders dan de vrouw heeft gesteld, gewend is om de zorg voor [minderjarige] gedurende langere tijd op zich te nemen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om, zoals door de vrouw is voorgesteld, het contact tussen de man en [minderjarige] te beperken tot één uur per week. Ook overigens is niet gebleken van enige andere contra-indicatie waardoor een dergelijke beperking noodzakelijk zou zijn. Wel acht de rechtbank het van belang dat de omgang geleidelijk wordt opgebouwd, omdat er al geruime tijd geen contact tussen de man en [minderjarige] heeft plaatsgevonden. Zoals grotendeels op de zitting besproken, zal de rechtbank daarom de volgende opbouwregeling vaststellen, waarbij [minderjarige] bij de man verblijft:

- op vrijdag 4 september 2026 van 10:00 uur tot 16:00 uur;

- op vrijdag 11 september 2026 van 10:00 uur tot 16:00 uur;

- van vrijdag 18 september 2026 10:00 uur tot zaterdag 19 september 2026 12:00 uur;

- vanaf vrijdag 25 september 2026 de ene week op vrijdag van 10:00 uur tot 16:00 uur en de andere week van vrijdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur.

Partijen hebben op de zitting afgesproken dat het overdrachtsmoment bij de McDonalds bij de IKEA [plaats] zal plaatsvinden. De rechtbank zal aldus beslissen.

Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling, zal de rechtbank [minderjarige] aan de vrouw toevertrouwen. [minderjarige] zal immers het grootste gedeelte van de tijd bij de vrouw doorbrengen.

Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Bij de berekening en vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.

Ingangsdatum

De rechtbank acht het in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om als ingangsdatum de datum van indiening van het zelfstandig verzoekschrift te hanteren, te weten 18 augustus 2026. Vanaf dit moment kon de man immers rekening houden met een te betalen bijdrage.

Behoefte

De behoefte van [minderjarige] is niet tussen partijen in geschil. Uit de door partijen overgelegde berekeningen blijkt namelijk dat zij het eens zijn over een behoefte van [minderjarige] van € 427,- per maand.

Draagkracht

De behoefte van [minderjarige] moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen.

- draagkracht man

Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 4.180,92, zoals blijkt uit zijn meest recente loonstroken van april tot en met juni 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met een Individueel Keuzebudget van € 689,85 per maand, een premie ABP Pensioen/NP van € 253,43 per maand en een premie ABP AP van € 4,71 per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.483,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 751,- per maand, te weten 70% van [3.483 – (0,3 x 3.483 + 1.365)].

- draagkracht vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een Ziektewet-uitkering ontvangt van € 265,- netto per week. De rechtbank zal dan ook van voornoemd bedrag uitgaan. Rekening houdend met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.648,- per maand. Op basis van de draagkrachttabel van het rapport heeft de vrouw op basis van haar NBI een draagkracht van € 25,- per maand.

- draagkrachtvergelijking

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen (751 + 25 =) € 776,- per maand, bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] naar rato van zijn draagkracht (751 / 776 x 427 =) € 413,- per maand.

Zorgkorting

Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de naar toe te werken voorlopige zorgregeling, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 25% van de behoefte, te weten € 107,- per maand.

Conclusie

Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de man met ingang van 18 augustus 2026 aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie € 306,- per maand. De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie vaststellen op voormeld bedrag.

Voorlopige partneralimentatie

De rechtbank zal bij de berekening van de voorlopige partneralimentatie van dezelfde gegevens uitgaan als bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie.

Ingangsdatum

Als ingangsdatum voor de voorlopige partneralimentatie zal de rechtbank eveneens uitgaan van de datum van indiening van het aanvullend verzoekschrift, te weten 18 augustus 2026.

Behoefte vrouw

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

Uit de door partijen overgelegde berekeningen blijkt dat beide partijen bij de berekening van het NBGI geen rekening hebben gehouden met inkomen aan de zijde van de vrouw, waardoor het NBGI uitsluitend uit het NBI van de man van € 3.378,- per maand bestaat. Aan de hand van voornoemd uitgangspunt en rekening houdend met een kindgebonden budget van € 128,- per maand berekenen beide partijen het NBGI op € 3.507,- per maand. Nu dit tussen partijen niet in geschil is, zal de rechtbank van voornoemd bedrag uitgaan.

Op het NBGI van partijen moeten de kosten van [minderjarige] van € 427,- per maand in mindering worden gebracht, zodat een bedrag van € 3.080,- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm (60% van 3.080 =) € 1.848,- netto per maand.

Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 1.848,- per maand moet haar NBI in mindering worden gebracht. Het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige], voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van €700,- netto per maand. Dat is €1.179,- bruto per maand.

Draagkracht man

Omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.

Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 644,- per maand, te weten 60% x [3.483 – (0,3 x 3.483 + 1.365)]. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 413,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 231,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 369,- per maand.

Conclusie

De rechtbank overweegt dat de vrouw een voorlopige partneralimentatie verzoekt vast te stellen van € 301,- bruto per maand. De rechtbank concludeert dat dit een lager bedrag is dan uit de berekening volgt. De rechtbank is gehouden aan de rechtsstrijd tussen partijen en zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen en bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 augustus 2026, een kinderalimentatie moet betalen van € 301,- bruto per maand.

Aanhechten berekeningen

De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres], en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats]

aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:

- op vrijdag 4 september 2026 van 10:00 uur tot 16:00 uur;

- op vrijdag 11 september 2026 van 10:00 uur tot 16:00 uur;

- van vrijdag 18 september 2026 10:00 uur tot zaterdag 19 september 2026 12:00 uur;

- vanaf vrijdag 25 september 2026 de ene week op vrijdag van 10:00 uur tot 16:00 uur en de andere week van vrijdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur,

waarbij het overdrachtsmoment bij de McDonalds bij de IKEA [plaats] zal plaatsvinden;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 augustus 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 306,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 18 augustus 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 301,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.