Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29458Zaaknummer C/09/711544 KG ZA 26-930
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/711544 KG ZA 26-930
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verzoek om de erkenning en de tenuitvoerlegging van drie Italiaanse vonnissen te weigeren, afgewezen. De Staat heeft niet onrechtmatig gehandeld door vonnissen te erkennen en ten uitvoer te leggen, omdat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2:13 lid 1 sub h onder 2° WETS, omdat voldaan is aan één van de in dat artikel genoemde uitzonderingen. In het licht van de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit moeten de omstandigheden zo uitgelegd worden dat verzoeker voldoende informatie heeft gekregen over de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden, maar dat hij dit niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gedaan en dat hij dus niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten de Staat van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.
JvL
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711544 / KG ZA 26-930
Vonnis in kort geding van 5 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats],
eiser, hierna te noemen: [eiser],
advocaten: mrs. F.T.C. Dölle, L. Komp en L.E. Szuhai,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde, hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mrs. C.M. Bitter en M. Hazelhorst.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 8;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 11;
- de brief van [eiser] van 17 september 2026 met productie 9;
- de namens beide partijen overgelegde pleitnotities.
Op 21 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Bij vonnis van het Tribunale di Genova (rechtbank van Genua, Italië) van 10 januari 1996 is [eiser] veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf voor de verkoop van heroïne en het opgeven van valse personalia.
Bij vonnis van het Tribunale di Genova van 27 maart 1997 is [eiser] veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van het verstrekken van heroïne en cocaïne en het bezit van heroïne.
Sinds begin 2000 verblijft [eiser] rechtmatig in Nederland.
Bij vonnis van het Tribunale di Bergamo (rechtbank van Bergamo, Italië) van 10 februari 2010 is [eiser] veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van het invoeren en vervoeren van cocaïne.
Bij brief van 11 februari 2021 heeft de Italiaanse staat de Staat verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van de onder 2.1, 2.2 en 2.4 genoemde vonnissen. Bij de brief is een certificaat gevoegd als bedoeld in artikel 4 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ en artikel 2:7 WETS[_79115405-4699-48df-ab1f-a738d1bf73c4], met als bijlage een bevel tot tenuitvoerlegging van 20 januari 2021. Het certificaat vermeldt – voor zover hier van belang – :
“The judgment became final on (give date: dd-mm-yyyy) 6 June 1996; 4 July 1997; 16 July 2010 (…)
(d) Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:
(…)
2. X No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision.
(…)
3.1b. with regard to the judgments n. 1, 3 and 4 the person was not summoned in person but by other means actually received official information of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision, in such a manner that it was unequivocally established that he or she was aware of the scheduled trial, and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial;
(…)
4. If you have ticked the box under point 3 1b, 3.2 or 3.3 above, please provide information about how the relevant condition has been met:
The writs of summons related to the judgments under points n. 1 and 3 have been served on the defence counsel where the defendants had elected domicile; the writ of summons related to the judgment under point n. 4) was served with the procedures provided for the defendants unlawfully at large.
(…)
Total length of the sentence (in days): a term of imprisonment of 19 years and 5 months
(…)
Remaining penalty to be served: a term of imprisonment of 15 years and 18 days”
Bij aangetekende brief van 12 maart 2021, die is verzonden naar het adres in Nederland waarop [eiser] stond ingeschreven, is [eiser] geïnformeerd over het verzoek tot tenuitvoerlegging van de Italiaanse vonnissen.
Op 31 augustus 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van de uitspraken te weigeren en dat er geen gronden zijn tot aanpassing van de opgelegde sancties. Het hof heeft in haar oordeel onder meer overwogen:
“Hoewel een en ander niet volledig is opgenomen in het certificaat, begrijpt het hof uit de overige stukken dat de veroordeelde in elk van de bovengenoemde vonnissen op de hoogte is gebracht van de behandeling ter terechtzitting en dat hij op die terechtzittingen telkens is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman.”
Bij beslissing van 25 oktober 2021 heeft de minister voor Rechtsbescherming beslist tot erkenning en tenuitvoerlegging van de vonnissen.
Bij aangetekende brief van 25 oktober 2021, die is verzonden naar het adres in Nederland waarop [eiser] stond ingeschreven, is [eiser] geïnformeerd over de beslissing van de minister.
Op 21 april 2022 is [eiser] in Nederland aangehouden en sindsdien is hij gedetineerd.
Bij e-mail van 21 oktober 2022 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] bij de officier van justitie aangegeven dat hij meent dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de vonnissen geweigerd had moeten worden. Naar aanleiding daarvan heeft DIZ/IOS de Italiaanse autoriteiten om aanvullende informatie gevraagd. Daarop heeft de officier van justitie bij de rechtbank van Bergamo bij brief van 2 maart 2023 als volgt geantwoord:
“[eiser] was declared an absconder in that he voluntarily evaded the pre-trial custody ordered by the Preliminary Investigation Judge at the Court of Bergamo by means of order issued on 22 May 2004. This is the reason why he was tried as an absconder and the relevant notifications were duly served as laid down in Article 165 of the Code of criminal procedure.
It is worth noting that he did not ask for a new trial, within the time set out in Article 629-bis of the code of criminal procedure. Nonetheless, he is entitled to the review of the judgment of conviction under Article 629-bis of the code of criminal procedure if the requirements provided for by law are met.”
Bij brief van 5 juni 2023 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] het hof Arnhem-Leeuwarden verzocht om het oordeel van 31 augustus 2021 te herzien. In die brief schrijft de advocaat onder meer:
“Ten aanzien van het vonnis van 10 februari bent u er op basis van het certificaat vanuit gegaan dat cliënt op de hoogte was van de terechtzittingen en dat hij op die zittingen werd vertegenwoordigd door een advocaat. Navraag bij een Italiaanse advocaat (bijlage 1) leerde mij dat hij is bijgestaan door wat ze in Italië een ‘office lawyer’ noemen. Dat is een advocaat die wordt toegewezen als iemand niet zelf een advocaat kiest. Uit de aanvullende informatie die ik via het IOS heb ontvangen van de Italiaanse overheid, blijkt ook dat het gaat om een verstekvonnis waarvan cliënt niet op de hoogte was (bijlage 2). De Italiaanse overheid geeft immers aan dat cliënt om een nieuw proces kan vragen. Dat komt overeen met hetgeen mij door de Italiaanse advocaat is medegedeeld.
Het enkele feit dat cliënt een advocaat toegewezen heeft gekregen, kan in onderhavige zaak niet tot de conclusie leiden dat cliënt deze advocaat gemachtigd heeft, dat cliënt op de hoogte was van de zitting dan wel van de uitspraak en kan ook niet tot de conclusie leiden dat cliënt op de hoogte was van een “verzetprocedure”.
Uit de aanvullende informatie uit Italië leid ik bovendien af dat de mogelijkheid om verzet in te stellen nog open staat. Daarmee is de uitspraak nog niet onherroepelijk en is geen sprake van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 1:1 aanhef en onder a WETS.”
Ten behoeve van de behandeling van het verzoek tot herbeoordeling heeft het hof Arnhem-Leeuwarden op 27 juli 2023 aanvullende vragen gesteld aan de Italiaanse autoriteiten. Daarop heeft de rechtbank van Bergamo bij brief van 13 september 2023 als volgt geantwoord (in vertaling):
“Voornoemd vonnis [het vonnis van de rechtbank Bergamo van 10 februari 2010] werd uitgesproken bij afwezigheid van de verdachte [eiser], die voortvluchtig was verklaard, omdat hij zich vrijwillig had onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toepassing van de toezichtmaatregel van voorlopige hechtenis in de gevangenis die ten aanzien van hem was afgegeven.
[eiser] werd bijgestaan door een ambtshalve benoemde raadsman, advocaat Marta Manini, van de Balie van Bergamo.
De betekeningen aan de verdachte werden uitgevoerd op basis van de toen geldende bepalingen inzake voortvluchtigheid en onvindbaarheid van de verdachte, met name door toepassing van het in de rechtspraak ontwikkelde beginsel, waarin is vastgesteld dat ‘de betekeningen aan de voortvluchtige verdachte worden uitgevoerd op basis van dezelfde regels die gelden voor de afwezige verdachte, behalve nadrukkelijk in de wet aangegeven uitzonderingen’ (vgl. Cass Sez. 2, Arrest nr. 26846 del 23/05/2013), dat wil zeggen door overhandiging van het stuk aan zijn raadsman.
De raadsman van de verdachte kon een executieincident aanhangig maken teneinde een nieuwe termijn te verzoeken om het vonnis aan te vechten, door aan te tonen dat zijn cliënt niet daadwerkelijk op de hoogte was van het proces vanwege een toevallige gebeurtenis of overmacht.”
Op 12 december 2023 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de Italiaanse autoriteiten wederom vragen gesteld. Daarop heeft de officier van justitie bij de rechtbank van Bergamo bij brief van 30 januari 2024 als volgt geantwoord:
“As to the issue raised in respect of the judgment delivered on 10 February 2010 by the Court of Bergamo, you are kindly requested to specify what you mean by the sentence "the Court claims that [eiser] was aware of the judgment delivered on 05 June 2023" According to the documents in our case file, [eiser] has started serving his sentence in the Netherlands on 21 April 2022, day in which he has become aware of the judgment. As already specified in the note by the Prosecutor of the Republic of 02 March 2023 (herein enclosed for case of reference), from that moment onwards he would have had 30 days to ask for the restoration in the deadline in terms of Article 629 of the Code of Criminal Procedure (term which expired even if we wanted to consider it running from 05 June 2023, mentioned in the note) in addition to being entitled to the renew of the trial (if the requirements under article 629 and 630 of the code of criminal Procedure are met).”
Op 26 april 2024 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat het eerdere oordeel van 31 augustus 2021 te herzien. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:
“4. Het vonnis van de Tribunale di Bergamo van 10 februari 2010
Het hof stelt vast dat op grond van de stukken niet op ondubbelzinnige wijze kan worden vastgesteld dat veroordeelde op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting.
Op verzoek van het hof hebben de Italiaanse autoriteiten op 30 januari 2024 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“As to the issue raised in respect of the judgment delivered on 10 February 2010 by the Court of Bergamo, according to the documents in our case file, [eiser] has started serving his sentence in the Netherlands on 21 April 2022, day in which he has become aware of the judgment. As already specified in the note by the Prosecutor of the Republic of 02 March 2023, from that moment onwards he would have had 30 days to ask for the restoration in the deadline in terms of Article 629 of the Code of Criminal Procedure in addition to being entitled to the renew of the trial (if the requirements under article 629 and 630 of the code of criminal Procedure are met).”
In dit verband is van belang artikel 2:13,eerste lid. aanhef en onder h, onder 2°, derde gedachtestreepje WETVVS, dat luidt als volgt: (…)
(…)
Uit de oplegbrief van 12 maart 2021 blijkt dat de veroordeelde, die zich op dat moment in Nederland bevond, conform artikel 2:9 van de WETVVS, per brief van diezelfde datum verzonden aan het BRP-adres van verdachte, in kennis is gesteld van de toezending van het certificaat en de rechterlijke uitspraak, hetgeen het hof aanmerkt als een uitreiking van de kennisgeving als bedoeld in artikel 36b, eerste en tweede lid en artikel 36, eerste lid, onder 1º van het Wetboek van Strafvordering.
Voorts stelt het hof vast dat de veroordeelde in ieder geval op de hoogte is geraakt van het vonnis op 21 april 2022, de dag waarop de veroordeelde is gestart met het uitzitten van de gevangenisstraf in Nederland, dan wel op 5 juni 2023, de dag waarop de raadsman van veroordeelde, om herbeoordeling van de zaak heeft verzocht en dat door de veroordeelde niet binnen de door de Italiaanse wetgeving voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep is aangetekend. Of en in hoeverre daarbij mogelijkheden bestaan om gesubsidieerde rechtsbijstand te verkrijgen is een vraag over toepassing van het Italiaanse recht, wat niet ter beoordeling van het hof staat. Het hof ziet derhalve geen reden tot (partiële) weigering van het vonnis onder 4.”
3 Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair: de Staat gelast de erkenning en de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraken van het Tribunale di Genova en Tribunale di Bergamo te weigeren en [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen;
II. Subsidiair: de Staat gelast de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak van het Tribunale di Bergamo te weigeren en [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen;
III. Meer subsidiair: de Staat gelast de erkenning en de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraken van het Tribunale di Genova en Tribunale di Bergamo op te schorten en [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen, voor de duur van een door [eiser] binnen zes weken na dit vonnis aanhangig te maken bodemprocedure omtrent de onrechtmatigheid van de erkenning en de tenuitvoerlegging van de Italiaanse uitspraken, tot het moment waarop de daarin te wijzen uitspraak in kracht van gewijsde gaat;
IV. Meer subsidiair: de Staat gelast de erkenning en de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak van het Tribunale di Bergamo op te schorten en [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen, voor de duur van een door [eiser] binnen zes weken na dit vonnis aanhangig te maken bodemprocedure omtrent de onrechtmatigheid van de erkenning en de tenuitvoerlegging van de Italiaanse uitspraken, tot het moment waarop de daarin te wijzen uitspraak in kracht van gewijsde gaat;
althans andere voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter geraden acht,
met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat de Staat onrechtmatig handelt door de straffen die hem in drie strafzaken in Italië zijn opgelegd te erkennen en ten uitvoer te leggen. Deze erkenning en tenuitvoerlegging is in strijd met artikel 2:13 lid 1 sub h WETS en met de fundamentele rechten van [eiser], omdat de Italiaanse autoriteiten [eiser] niet uitdrukkelijk hebben geïnformeerd over de dagvaardingen, omdat de vonnissen niet aan hem zijn betekend en omdat hij niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van verzet daartegen.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Bevoegdheid en spoedeisend belang
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven. Het spoedeisend belang volgt uit de omstandigheid dat [eiser] thans in Nederland is gedetineerd uit hoofde van de Italiaanse vonnissen die de Staat volgens [eiser] niet had moeten erkennen en tenuitvoerleggen. Indien zijn vorderingen slagen, moet [eiser] met onmiddellijke ingang in vrijheid worden gesteld. Dat in wezen slechts inhoudelijke discussie bestaat over de vraag of het vonnis van het Tribunale di Bergamo erkend mocht worden en er dus vanwege de duur van de door het Tribunale di Genova opgelegde straffen nog ongeveer twee jaar de tijd zal zijn voor het voeren van een bodemprocedure, zoals de Staat bepleit, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook redelijkerwijs niet van [eiser] worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Erkenning en tenuitvoerlegging van de vonnissen
Op de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen die zijn gewezen in andere EU-lidstaten is het Kaderbesluit 2008/909/JBZ (hierna: het Kaderbesluit) van toepassing.[_4beb2b38-aa0f-40ff-9e21-148aef4640f2] In Nederland is het Kaderbesluit geïmplementeerd in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS). Op grond van artikel 9, lid 1 aanhef en onder i van het Kaderbesluit kan de uitvoerende lidstaat de erkenning verzoeken van een (kort gezegd) verstekvonnis, tenzij één van de onder i) tot en met iii) opgesomde gevallen zich voordoet. Deze regeling is geïmplementeerd in artikel 2:13 lid 1 aanhef en onder h WETS, dat, voor zover hier relevant, als volgt luidt:
“Artikel 2:13
1. De erkenning van de rechterlijke uitspraak wordt geweigerd indien:
(…)
h. uit het certificaat blijkt dat:
(…)
2°. de veroordeelde niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de rechterlijke uitspraak heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de veroordeelde, overeenkomstig de procedurevoorschriften van de uitvaardigende lidstaat:
– tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de rechterlijke uitspraak heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of
– op de hoogte was van de voorgenomen behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd; of
– nadat de rechterlijke uitspraak aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke uitspraak, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de uitspraak niet betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
(…)”
In het onderhavige geval is bij alle drie de vonnissen sprake van een verstekvonnis. Het certificaat vermeldt immers dat [eiser] niet in persoon is verschenen bij de drie rechtszaken die tot de vonnissen hebben geleid. In beginstel dient de erkenning van de vonnissen dus te worden geweigerd op grond van artikel 2:13 lid 1 sub h onder 2° WETS. Dit is alleen anders als uit het certificaat blijkt dat overeenkomstig de procedurevoorschriften van Italië (kort gezegd):
- [eiser] in persoon is gedagvaard of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de zitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen zitting en dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt, of
- een door [eiser] gemachtigde advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd, of
- nadat de rechterlijke uitspraak aan [eiser] was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure, [eiser] uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de uitspraak niet betwist of niet binnen de voorgeschreven termijn verzet heeft aangetekend.
-Vonnissen van de rechtbank Genua
De voorzieningenrechter stelt vast dat het certificaat vermeldt dat [eiser] in alle drie de zaken niet in persoon is gedagvaard, maar dat de dagvaardingen met betrekking tot de twee vonnissen van de rechtbank Genua zijn betekend aan een advocaat die door [eiser] was gemachtigd. Op grond daarvan is ten aanzien van die twee vonnissen dus geen sprake van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2:13 lid 1 sub h onder 2° WETS, omdat voldaan is aan de uitzondering zoals vermeld onder het eerste gedachtestreepje (“anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de zitting”). Het hof Arnhem-Leeuwarden is daar in haar beoordeling ook vanuit gegaan en heeft daartoe, zoals hiervoor onder 2.7 ook is weergegeven, overwogen dat “Hoewel een en ander niet volledig is opgenomen in het certificaat, begrijpt het hof uit de overige stukken dat de veroordeelde in elk van de bovengenoemde vonnissen op de hoogte is gebracht van de behandeling ter terechtzitting (…).” In de herbeoordeling is dit ook geen punt van discussie geweest en in zijn verzoek tot herbeoordeling heeft [eiser] ten aanzien van deze twee vonnissen ook geheel andere punten aangedragen op grond waarvan het oordeel zou moeten worden herzien, hetgeen niet tot een ander oordeel heeft geleid (namelijk dat van de ene ten uitvoer te leggen straf acht dagen zouden moeten worden afgetrokken omdat dit is opgelegd voor een overtreding en dat de andere straf niet meer ten uitvoer kan worden gelegd omdat [eiser] reeds een alternatieve straf – het verlaten van het Italiaanse grondgebied – zou hebben ondergaan).
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door de twee vonnissen die de rechtbank Genua aan [eiser] heeft opgelegd, te erkennen en ten uitvoer te leggen. Die erkenning en tenuitvoerlegging is immers niet in strijd met artikel 2:13 lid 1 sub h WETS, omdat uit het certificaat blijkt dat de dagvaardingen zijn betekend aan een advocaat die door [eiser] was gemachtigd. Gelet op het uitgangspunt van wederzijds vertrouwen mocht de Staat uitgaan van de juistheid van de informatie in het certificaat en ervan uitgaan dat [eiser] overeenkomstig de procedurevoorschriften van Italië op de hoogte is gesteld van de voorgenomen zitting en dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt.
-Vonnis van de rechtbank Bergamo
Ten aanzien van het vonnis van de rechtbank Bergamo vermeldt het certificaat dat de dagvaarding is betekend “volgens de procedure die geldt voor verdachten die zich onrechtmatig aan hun detentie hebben onttrokken”. [eiser] stelt dat de erkenning van dit vonnis geweigerd moet worden op grond van artikel 2:13 lid 1 sub h onder 2° WETS, nu niet is voldaan aan de uitzonderingen. De dagvaarding is immers niet in persoon betekend en [eiser] heeft geen advocaat gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Ook is volgens [eiser] geen sprake van de derde uitzondering, omdat hij niet, nadat het vonnis aan hem was betekend, uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure. De Staat voert aan dat weliswaar niet kan worden vastgesteld dat [eiser] uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure, maar wel dat hij op een gegeven moment, in ieder geval op 5 juni 2023, op de hoogte was geraakt van de mogelijkheid om verzet in te stellen, maar daar kennelijk geen gebruik van heeft gemaakt.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit recente rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat lidstaten een beoordelingsmarge hebben bij de vraag of de erkenning van een verstekvonnis moet worden geweigerd op grond van artikel 9, lid 1 aanhef en onder i van het Kaderbesluit (in Nederland: artikel 2:13 lid 1 aanhef en onder h WETS). De ontvangende lidstaat moet een vonnis uit een andere lidstaat in beginsel erkennen, tenzij één van de strikt omschreven weigeringsgronden zich voordoet. Daarbij moet de nationale autoriteit, wanneer zij nagaat of de voorwaarden uit het Kaderbesluit vervuld zijn, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, beoordelen of de verdedigingsrechten van de veroordeelde in acht zijn genomen. Een al te strikte toepassing van de voorwaarden, die geen recht doet aan de omstandigheden van het geval en miskent dat de rechten van de verdediging van de veroordeelde in acht zijn genomen, is in strijd met de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit.[_077cebd6-1f90-4bee-bbfd-51f01ac76308]
In dit licht overweegt dat voorzieningenrechter dat in het onderhavige geval weliswaar niet duidelijk is dat [eiser] uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure, maar dat op basis van alle omstandigheden van het geval geoordeeld kan worden dat zijn verdedigingsrechten (toch) zijn geëerbiedigd, zodat de Staat niet onrechtmatig handelt door de erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis te handhaven. Gebleken is immers dat [eiser] op een bepaald moment wist dat hij de mogelijkheid had om een verzetprocedure te verzoeken in Italië, maar die mogelijkheid onbenut heeft gelaten. Uit de brief van de toenmalige advocaat van [eiser] blijkt dat hij op 5 juni 2023 op de hoogte was van de mogelijkheid om een nieuw proces aan te vragen (zie 2.12 en 2.11) en dat deze advocaat had begrepen dat deze mogelijkheid op dat moment ook nog werkelijk openstond. Dat dat laatste inderdaad een reële mogelijkheid was, blijkt uit de aanvullende informatie die het hof Arnhem-Leeuwarden van de Italiaanse overheid heeft ontvangen (2.13 en 2.14). Daaruit volgt dat een veroordeelde op basis van de Italiaanse wetgeving, nadat hij bekend is geworden met een vonnis en als de termijn om hoger beroep in te stellen reeds is verstreken, dertig dagen de tijd heeft om een nieuwe termijn te verzoeken, door aan te tonen dat hij niet daadwerkelijk op de hoogte was van het proces vanwege een toevallige gebeurtenis of overmacht. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat voor [eiser] (op 5 juni 2023 nog) een mogelijkheid heeft bestaan om in Italië in verzet te gaan tegen het vonnis. Hij heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om verzet in te stellen. In het licht van de bewoordingen en het doel van het Kaderbesluit moeten deze omstandigheden zo uitgelegd worden dat [eiser] voldoende informatie heeft gekregen over de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden, maar dat hij dit niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gedaan en dat hij dus niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Dit heeft tot gevolg dat de handhaving van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging niet onrechtmatig kan worden geacht. Daarbij is van belang dat het vonnis van het Tribunale di Bergamo inmiddels onherroepelijk is geworden, nu de termijn voor het indienen van verzet thans zeker is verstreken. De vorderingen zullen worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten de Staat van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.
JvL
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.