Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 31 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:28979Zaaknummer C/09/705451 / FA RK 26-4988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 augustus 2026
Publicatiedatum
8 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/705451 / FA RK 26-4988
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging zorgregeling toegewezen. Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats afgewezen. Verzoek dwangsom ingetrokken.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikkingen van 7 februari 2024 en 31 maart 2026 – :

*

bepaalt dat het contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats], onder regie van de jeugdbeschermer van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden dient plaats te vinden;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-4988

Zaaknummer: C/09/705451

Datum beschikking: 31 augustus 2026

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 15 mei 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H. Devkinandan te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.B. de Jong te Almere.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken;

- het bericht van 30 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 3 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Op 30 juli 2026 is namens de vader het verweerschrift met zelfstandige verzoeken ingediend. De moeder heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat de stukken volgens haar te laat zijn ingediend. Op de zitting is dit met partijen besproken en heeft de rechtbank beslist dat het verweerschrift wel wordt toegelaten. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de moeder de gelegenheid krijgt om binnen twee weken ook nog schriftelijk te reageren op het verweerschrift en de daarin opgenomen zelfstandige verzoeken. De rechtbank heeft het verweer van de moeder tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, met producties, ontvangen op 18 augustus 2026.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2017 tot [dag 2] 2022.

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats].

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 7 februari 2024 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat:

 de kinderen gedurende drie opeenvolgende weekenden van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de vader zullen zijn, waarbij de moeder de kinderen brengt op vrijdag en de vader de kinderen terugbrengt op zondag; het vierde weekend zijn ze bij de moeder;

 de kinderen ieder weekend dat zij niet bij de vader zijn op zondag om 11.00 uur een (video)belmoment met de vader hebben;

 de moeder aan de vader een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere keer dat zij de zorg- en videobelregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-.

- Bij proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 19 januari 2026 zijn de ouders ter beëindiging van het geschil overeengekomen dat de ouders zich wat betreft de overdracht houden aan het voorstel van Kracht, zoals opgenomen in productie 9 bij de kort gedingdagvaarding. Tevens zal de moeder via de groepsapp laten weten dat de kinderen zijn aangekomen bij degene die hen op dat moment opvangt. De moeder geeft verder op vrijdagochtend aan wie de kinderen vrijdagavond bij de vader brengt en geeft zondagochtend aan wie de kinderen ontvangt op zondagavond, ook weer via de groepsapp.

- Bij vonnis in kort geding van 31 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank – voor zover hier van belang – :

 het fysieke en onbegeleide contact tussen de vader en de kinderen, zoals is bepaald in de beschikking van 7 februari 2024 van deze rechtbank en het proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 19 januari 2026, geschorst;

 bepaald dat de vader en de kinderen voorlopig iedere week op zondag om 17.00 uur met elkaar videobellen;

 de ouders doorverwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding.

- Bij beschikking van 24 juni 2026 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van deze rechtbank van 7 februari 2024 vernietigd voor zover deze ziet op de aan de zorg- en videobelregeling verbonden dwangsom.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat dat beschikking van 7 februari 2024 en het vonnis in kort geding van 19 januari 2026 voor wat betreft de zorgregeling niet in stand kunnen blijven, dat de zorgregeling wordt geschorst en dat de opgelegde dwangsom komt te vervallen.

De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig:

  • te bepalen dat het contact tussen vader en de kinderen onverwijld professioneel wordt hervat/opgestart in de vorm van begeleide omgang via [hulpverlener], Kenniscentrum Kind en Scheiding, de gecertificeerde instelling of een door de rechtbank passend geachte aanbieder, met een concreet tijdpad en evaluatiemoment;
  • te bepalen dat het videobelcontact, zolang fysieke omgang nog niet structureel is hervat, loyaal, onbelemmerd en zonder beïnvloeding door moeder wordt gefaciliteerd, bij voorkeur onder professionele begeleiding on onder door de gecertificeerde instelling te bepalen voorwaarden;
  • te bepalen dat moeder geen zelfstandig belang meer heeft bij haar verzoek over de dwangsom, althans dit onderdeel af te wijzen, gelet op de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 24 juni 2026;
  • voor zover nodig subsidiair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan bij de vader zal zijn;
  • in dat geval te bepalen dat moeder gerechtigd is tot een door de rechtbank of gecertificeerde instelling passend geachte zorgregeling, zo nodig begeleid en gefaseerd op te bouwen, met als perspectief en structurele regeling zodra veiligheid, belastbaarheid en hulpverlening dat toelaten;
  • meer subsidiair de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aan te houden en de gecertificeerde instelling op te dragen binnen een korte termijn te rapporteren over de opvoedsituaties, de veiligheid, de draagkracht van moeder, de invloed van de heer [naam 3], de bereidheid van beide ouders tot hulpverlening, het contactherstel en de meest passende verblijfplaats van de kinderen;
  • te bepalen dat individuele hulpverlening voor de kinderen, waaronder speltherapie en/of verwerkingsgerichte hulp, met spoed wordt opgestart binnen het kader van de ondertoezichtstelling;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Mondeling verzoek tot ondertoezichtstelling ter zitting

Tijdens de zitting heeft de Raad mondeling verzocht om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Beide ouders hebben met dit verzoek ingestemd. De rechtbank heeft vervolgens de ondertoezichtstelling mondeling uitgesproken, omdat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Deze ontwikkelingsbedreiging houdt – onder meer – verband met de aanhoudende (juridische) conflicten tussen de (stief)ouders waarmee de kinderen worden belast, het daaruit voortvloeiende loyaliteitsconflict waarin de kinderen zijn beland, het dreigende contactverlies met de vader en de uitspraken die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gedaan over mishandeling door de stiefvader en grensoverschrijdend gedrag door de vader. De schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak is gegeven op 17 augustus 2026 (zaak- en rekestnummer C/09/710363 en JE RK 26-1393).

Zorgregeling en dwangsom

Tijdens de zitting zijn de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling in het licht van de uitgesproken ondertoezichtstelling met de ouders besproken.

De moeder stelt dat zij – mede vanwege de uitspraken die de kinderen hebben gedaan over mogelijk misbruik door de vader – zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader. In dit verband wijst de moeder erop dat de voorzieningenrechter de zorgregeling niet zonder reden heeft geschorst bij beschikking van 31 maart 2026. De moeder geeft aan dat zij niet tegen contact tussen de kinderen en de vader is, maar stelt dat een onderzoek (al dan niet door de Raad) noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of en, zo ja, op welke manier dat contact veilig en in het belang van de kinderen kan worden vormgegeven.

De vader stelt dat hij op zijn beurt zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de moeder en de stiefvader, alsook over het feit dat de kinderen nog niet de hulpverlening hebben ontvangen die zij nodig hebben. Hij geeft aan dat hij in de afgelopen periode alleen tijdens korte videobelmomenten contact heeft gehad met de kinderen en dat hij begrijpt dat het contact op een veilige en voor de kinderen prettige manier moet worden hersteld. Daarbij benadrukt de vader dat hij openstaat voor (hulpverlening ten aanzien van) begeleid contactherstel en dat de Raad het belang hiervan ook benoemt. Daarnaast wijst de vader erop dat de kinderen blij waren om hem te zien tijdens een ongepland contactmoment op school, onder begeleiding van de intern begeleider.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank duidelijk geworden dat er verschillende zorgen zijn rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Deze zorgen zien – onder meer – op het contact tussen de vader en de kinderen. De rechtbank stelt voorop dat onbelast en prettig contact met beide ouders van belang is voor een evenwichtige (identiteits)ontwikkeling van kinderen. Op dit moment beperkt het contact tussen de kinderen en de vader zich tot een moeizaam verlopend videobelmoment per week en dit contact dreigt verder af te nemen. Dat acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Hoewel zij uitspraken doen waarin zij de vader afwijzen, geven zij ook aan hun vader te missen en stellen de vader en de Raad dat de kinderen blij waren om hun vader bij school te zien. Zoals ook de Raad stelt, is deze tegenstrijdigheid illustratief voor het loyaliteitsconflict waarin de kinderen zich lijken te bevinden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het van groot belang dat er met behulp van hulpverlening wordt bezien welke mogelijkheden voor contactherstel er zijn en hoe dat moet worden vormgegeven.

Anders dan de moeder acht de rechtbank het in dit verband niet noodzakelijk dat de Raad op dit moment nogmaals een onderzoek doet gericht op het contact tussen de kinderen en de vader. De Raad heeft immers al een uitgebreid onderzoek gedaan waar ook dit onderwerp aan de orde is gekomen. Ook zal een aanvullend raadsonderzoek het contactherstel verder vertragen, en dat is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Daarnaast zal er in het kader van de ondertoezichtstelling een jeugdbeschermer betrokken raken bij het gezin. Deze jeugdbeschermer zal op basis van de reeds beschikbare en de door hem of haar nog te vergaren informatie een professionele inschatting kunnen maken ten aanzien van het contactherstel en de manier waarop dat vorm moet krijgen. Op basis van het voorgaande zal de rechtbank dan ook bepalen dat het contact(herstel) tussen de kinderen en de vader – met inbegrip van het videobelcontact – zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer.

Dwangsom

Tijdens de zitting heeft de moeder haar verzoek ten aanzien van de dwangsom ingetrokken. Daarom zal de rechtbank niet beslissen op de verzoeken aangaande de dwangsom.

Hoofdverblijfplaats

De vader stelt dat het in het belang van de kinderen is dat hun hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald. Ter onderbouwing daarvan voert de vader aan dat er actuele zorgen zijn over het opvoedklimaat en de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder. Hij wijst erop dat hulpverlening voor de kinderen niet van de grond is gekomen en dat de kinderen in de afgelopen periode klem zijn geraakt tussen de ouders en zeer beperkt contact hebben gehad met hem. De vader stelt dat hij de kinderen een voorspelbare en stabiele opvoedsituatie kan bieden, dat hij hulpverlening en iedere vorm van toezicht accepteert en dat hij het contact tussen de moeder en de kinderen in beginsel zal faciliteren. Als de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader wordt bepaald, verzoekt de vader rechtbank dan ook om een zorgregeling met de moeder vast te stellen.

De moeder geeft in dit verband aan dat zij onderzoek naar haar thuissituatie omarmt, maar herhaalt dat zij op haar beurt zorgen heeft over de veiligheid en het welzijn van de kinderen bij de vader. Zij stelt dat er ook onderzoek naar de thuissituatie bij de vader nodig is en dat moet worden onderzocht waar de uitspraken en de houding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten opzichte van de vader vandaan komen. Ook stelt de moeder dat het niet aan haar te wijten is dat de hulpverlening in het vrijwillige kader niet is gestart. Daarnaast wijst zij erop dat een eerder verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen is afgewezen bij beschikking van 11 december 2020, welke beschikking in hoger beroep is bekrachtigd door het Gerechtshof Den Haag bij beschikking van 1 december 2021. Het voorgaande maakt wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van de kinderen, aldus de moeder.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De ouders uiten over en weer zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de andere ouder en uit het raadsrapport blijkt dat ook de Raad zorgen heeft over de opvoedsituaties bij beide ouders. Uit het feit dat de Raad geen machtiging uithuisplaatsing heeft verzocht, maakt de rechtbank echter op dat deze zorgen niet dusdanig acuut en/of ernstig zijn dat het noodzakelijk is om de kinderen uit hun huidige woonomgeving weg te halen. De rechtbank ziet daarvoor evenmin gegronde redenen, temeer nu beide ouders hebben aangegeven dat zij instemmen met een ondertoezichtstelling in het kader waarvan deze zorgen naar verwachting zullen worden aangepakt. Verder weegt de rechtbank mee dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats – ook gelet op de afstand tussen de ouders – een grote verandering zou betekenen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een toch al turbulente periode, waarin een jeugdbeschermer en hulpverleners (opnieuw) betrokken zullen gaan raken bij hun leven. Zoals de Raad tijdens de zitting ook heeft uitgelegd, kan de jeugdbeschermer altijd nog overgaan tot het verzoeken van een machtiging uithuisplaatsing als gedurende de ondertoezichtstelling duidelijk zou worden dat daartoe noodzaak bestaat. Op basis van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van de wijziging van de hoofdverblijfplaats en zijn daarmee samenhangende (subsidiaire) verzoeken zal afwijzen.

Proceskosten

Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikkingen van 7 februari 2024 en 31 maart 2026 – :

*

bepaalt dat het contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats], onder regie van de jeugdbeschermer van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden dient plaats te vinden;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 augustus 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.