Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:28708Zaaknummer SGR 25/2283
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Publicatiedatum
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/2283
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing van het Uwv dat hij met ingang van 15 januari 2025 42,11% arbeidsongeschikt is. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt onder andere dat zijn medische beperkingen zijn onderschat.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
| griffier | rechter |
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2283
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing van het Uwv dat hij met ingang van 15 januari 2025 42,11% arbeidsongeschikt is. Eiser is het daar niet mee eens. Hij stelt onder andere dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat er een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser met ingang van 15 januari 2025 42,11% arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. Eiser was sinds 2012 werkzaam bij de politie, vanaf 4 oktober 2020 in de functie van [functienaam] voor 36 uur per week. Op 13 oktober 2020 meldde eiser zich ziek met psychische klachten. Eiser vroeg op 15 juli 2022 een WIA-uitkering[_8c412d9f-db27-4387-8347-02ddf84927e3] aan bij het Uwv.
In het besluit van 27 februari 2023 heeft het Uwv aan eiser per 11 oktober 2022 een WIA-uitkering toegekend. De WIA-uitkering die aan eiser is toegekend, is een loongerelateerde WGA-uitkering[_3916bd5f-5de1-4fd7-8904-d96984f4c4aa], berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Met het primaire besluit van 12 augustus 2024 heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiser per 11 oktober 2024 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, onverminderd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegen het primaire besluit heeft de werkgever bezwaar gemaakt.
Omdat aan het primaire besluit geen recent sociaal medisch onderzoek was voorafgegaan, heeft dat onderzoek in bezwaar alsnog plaatsgehad. Het onderzoek heeft geleid tot de brief van 15 januari 2025 waarin het voornemen tot wijziging van het primaire besluit is meegedeeld aan eiser. Eiser heeft op het voornemen niet gereageerd.
In het besluit van 28 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is per 11 oktober 2024 vastgesteld op 41,76% in plaats van 80-100%. Hieraan liggen het rapport van de verzekeringsarts van 11 november 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 7 januari 2025 ten grondslag. Vanwege de uitlooptermijn behoudt eiser de loonaanvullingsuitkering tot 15 januari 2027.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld om aanvullende medische informatie van zijn huisarts in te dienen.
Eiser heeft op 6 juli 2026 laten weten dat er geen aanvullende medische informatie meer volgt.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
Standpunt eiser
3. Eiser voert aan dat de medische beoordeling onzorgvuldig is geweest. Uit de beoordeling van de primaire verzekeringsarts blijkt dat de door eiser tijdens het spreekuur overgelegde medische informatie geenszins is meegenomen. De medische informatie had voor de verzekeringsarts aanleiding moeten zijn informatie op te vragen. Eiser betwist verder dat zijn belastbaarheid juist is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Uit de Sociaal-medische beoordeling blijkt dat de primaire verzekeringsarts niet met alle klachten rekening heeft gehouden. Meerdere psychische klachten zijn vooralsnog niet verdisconteerd in de huidige FML die ten grondslag ligt aan de huidige beoordeling. GGZ [regio] schrijft in de brief van juli 2022 dat bij eiser sprake is van verschillende diagnoses. In verband met de psychische klachten zijn extra beperkingen geïndiceerd ten aanzien van 1.8.1. en 1.8.3. De vastgestelde beperking dat eiser een halfuur achtereen zou kunnen lopen of een half uur achtereen kan staan, acht eiser door zijn beenklachten niet aannemelijk. Het feit dat eiser hulpbehoevend is voor bepaalde handelingen, maakt dat de ernst van de klachten door de primaire verzekeringsarts zijn onderschat. Tot slot betwist eiser dat hij in staat is om de gestelde veertig uur per week, respectievelijk acht uur per dag te kunnen werken.
Standpunt verweerder
4. In beroep is eiser alsnog gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat de FML van 11 oktober 2024 de mogelijkheden juist weergeeft en ook op 15 januari 2025 van toepassing was. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige b&b het maatmanloon geïndexeerd en de schatting geactualiseerd. Hierdoor is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd in 42,11%. Deze wijziging is niet van invloed op de beslissing van 28 februari 2025. Eiser blijft ingedeeld in de klasse van 35 tot 45% en blijft tot 15 januari 2027 een loonaanvullingsuitkering ontvangen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Niet in geschil is dat de datum in geding 15 januari 2025 is. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht stelt dat eiser per die datum 42,11% arbeidsongeschikt is.
6. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv een besluit over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
Zorgvuldigheid
7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur gezien waarbij zij een psychisch en lichamelijk onderzoek heeft verricht. Daarnaast heeft zij het dossier en de ontvangen informatie bestudeerd. Haar bevindingen heeft zij opgenomen in het rapport van 11 november 2024. Naar aanleiding van de beroepsgronden is eiser op het spreekuur van de verzekeringsarts b&b gezien. De verzekeringsarts b&b heeft dossierstudie verricht, de door eiser overgelegde medische informatie (medicatiepaspoort) bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht. Zijn bevindingen heeft hij opgenomen in het rapport van 20 augustus 2025. Uit de rapporten van beide verzekeringsartsen blijkt dat zij alle genoemde klachten van eiser hebben betrokken in hun beoordeling.
Medische beoordeling
De primaire verzekeringsarts heeft in haar rapport overwogen dat er geen sprake meer is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiser heeft wel beperkingen ten opzichte van normaal functioneren. Hij is aangewezen op een voorspelbare werksituatie en kan niet of nauwelijks flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud. Het werk dient grotendeels voorspelbaar te zijn, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, zonder hoog handelingstempo, zonder rechtstreeks contact met klanten (wel kortdurende contacten, waarbij kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden), zonder leidinggevende aspecten. Daarnaast geldt een beperking ten aanzien van omgaan met conflicten en samenwerken. In verband met de fysieke klachten van eiser heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen voor frequent buigen tijdens het werk, tillen en dragen tijdens het werk, lopen en lopen tijdens het werk, trappenlopen, klimmen, zitten tijdens het werk, staan en staan tijdens het werk, geknield/gehurkt actief zijn en gebogen/getordeerd actief zijn. Verder is in de nacht werken niet wenselijk en is eiser gebaat bij regelmatige werktijden. Het dagverhaal geeft aan dat eiser in staat moet zijn een werkdag vol te kunnen maken. Wanneer eiser ingezet wordt in mentaal en fysiek niet belastend werk conform de FML, is volgens de richtlijn over beperking van de arbeidsduur geen indicatie voor een urenbeperking.
De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport geconcludeerd dat er geen aanleiding is om aanvullende beperkingen aan te nemen. Volgens de verzekeringsarts b&b is er voldoende grond om te concluderen dat er sprake is van een verminderde psychische belastbaarheid, maar niet verdergaand dan de primaire verzekeringsarts aangenomen heeft. De als extra geclaimde voorwaarde 1.8.1. neemt de verzekeringsarts b&b niet over. Eiser zit juist vooral “in zijn eigen hoofd” en is niet snel afgeleid. Voorwaarde 1.8.3. neemt de verzekeringsarts b&b ook niet over. Het is hem niet bekend waarom deze voorwaarde voort zou komen uit een hoge bloeddruk, ADHD en PTSS. Dit wordt ook niet onderbouwd door de gemachtigde van eiser. De fysieke belastbaarheid is eveneens adequaat vastgelegd. De breuk van het rechterbeen is goed hersteld en na het laatste positieve bericht daarover van de orthopeed is er geen behandelcontact meer geweest. Het lichamelijk onderzoek laat ook geen afwijkingen zien. De beenklachten en de daaraan ten grondslag gelegde beenbreuk zijn derhalve geen reden voor verdergaande beperkingen. De rugklachten zijn dat gezien het aspecifieke karakter ervan evenmin. Volgens de verzekeringsarts b&b is een urenbeperking niet aanwezig. Er is geen aandoening aanwezig waaruit vanzelf een stoornis in de energiehuishouding voortkomt. Eiser heeft een nachtrust die kwalitatief en kwantitatief (ruim) voldoende is, de hart-longmachine kan voldoende energie leveren en er is geen “lek” door een actief ontstekingsproces of andere energie vragende aandoening.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn standpunt met betrekking tot de medische beoordeling niet heeft onderbouwd met medische stukken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Daarbij is van belang dat de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiser in hun rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden hebben gemotiveerd. Het Uwv heeft de medische beoordeling aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
Arbeidsdeskundige beoordeling
9. De rechtbank stelt vast dat eiser geen specifieke gronden heeft aangevoerd tegen de arbeidsdeskundige beoordeling. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat eiser in staat moet worden geacht om werkzaamheden te verrichten in de door de arbeidsdeskundige bij wijze van voorbeeld aangegeven functies. Daaruit volgt dat eiser met het loon dat hij in die functies zou kunnen verdienen, afgezet tegen zijn maatmanloon, een verlies aan verdiencapaciteit heeft van 42,11%. Hoewel dit percentage iets hoger is dan het percentage in het bestreden besluit, heeft dit geen gevolgen voor het bestreden besluit. Eiser blijft namelijk ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Het bestreden besluit kan daarom in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
| griffier | rechter |
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.