Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:28457Zaaknummer C/09/707353 / FA RK 26-6114

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 augustus 2026
Publicatiedatum
6 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/707353 / FA RK 26-6114
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Overeenstemming over zorgregeling en echtelijke woning. Vaststellen kinderalimentatie.

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats];

voorlopig bij de vader zullen zijn:

  • iedere dinsdag van 08.00 uur tot 19.00 uur;
  • om het weekend van vrijdagmiddag tot en met zondag in de week dat [minderjarige 3] bij haar vader verblijft;

bepaalt dat de ouder die conform de voorlopige zorgregeling de zorg heeft over de kinderen op dat moment bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 28 augustus 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 123 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Verzoek en verweer
  4. Feiten
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-6114

Zaaknummer: C/09/707353

Datum beschikking: 28 augustus 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 17 juni 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de man van 11 augustus 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de vrouw van 13 augustus 2026, met bijlagen;- de ter zitting overgelegde salarisspecificaties van de man.

Op 14 augustus 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Van de zijde van de man zijn nadere stukken overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:

- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 255,- per maand per kind wordt vastgesteld, met ingang van 17 juni 2026;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:

- primair de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], subsidiair een Bird-nesting-constructie wordt vastgesteld, waarbij de ouder die de zorg over de kinderen heeft conform de zorgregeling, de woning met uitsluiting van de andere ouder mag bewonen;

- een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij de kinderen minimaal om de veertien dagen een weekend van vrijdag tot en met zondag bij de man zijn;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 25 per maand per kind wordt vastgesteld.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • Partijen zijn op [datum] 2017 met elkaar gehuwd.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats].

- Uit een eerder huwelijk van de vrouw is geboren de minderjarige [minderjarige 3], op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats].

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning, toevertrouwing kinderen en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de man iedere dinsdag van 08.00 tot 19.00 en om het weekend van vrijdag tot en met zondag met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de echtelijke woning is, waarbij de vrouw elders zal verblijven. De vrouw heeft toegezegd dat zij zorg zal dragen dat [minderjarige 3] op die momenten bij haar vader is. Op de momenten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de vrouw in de echtelijke woning zijn, zal de man elders verblijven.

De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen. Dat houdt in dat het subsidiaire verzoek van de man ten aanzien van de echtelijke woning wordt toegewezen. In aanvulling op hetgeen partijen hebben afgesproken zal de rechtbank bepalen dat de ouder met wie de kinderen volgens de afgesproken regeling zijn op dat moment het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de echtelijke woning en de zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.

Gelet op deze overeenstemming is het naar oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw, zodat zij dit verzoek zal afwijzen.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal, conform artikel 822 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), als ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie de datum van de beschikking hanteren.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank gaat hierbij uit van de meest recente inkomensgegevens van partijen van 2026.

Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de meest recente netto inkomsten van de vrouw (juli en augustus 2026), bestaande uit een gemiddelde netto UWV-uitkering van € 215,- per week en een gemiddeld netto loon van € 184,- per week.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 1.729,- per maand.

Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.636,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de man overgelegde salarisspecificaties over de maanden april tot en met juli 2026.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:

  • de pensioenpremie van € 207,- per maand;
  • de WIA-hiaatpremie van € 15,- per maand;
  • de gedifferentieerde Whk-premie van € 11,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.377,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt in 2026 dus € 4.106,- per maand (€ 1.729,- + € 2.377,-). Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 430,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.034,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

De rechtbank constateert dat aangezien de dochter van de vrouw, [minderjarige 3], ook bij partijen inwoont de werkelijke behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lager ligt dan dit bedrag. Een deel van het netto besteedbaar inkomen van partijen werd immers ook aan de kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] besteed. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de hoogte van dit bedrag is. Aangezien partijen hierover niets gesteld hebben, is onduidelijk hoe vaak [minderjarige 3] bij partijen verbleef en of haar vader bijdraagt in de kosten van haar onderhoud. Daarom gaat de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure uit van een behoefte van € 1.034,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. In de bodemprocedure kan dit anders zijn.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

De man stelt dat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw ook rekening gehouden moet worden met haar inkomsten uit haar pedicurepraktijk. De man wijst daarbij op de aanwezigheid van de pedicuresalon in of bij het huis. De vrouw betwist dat zij op dit moment nog inkomsten uit haar pedicurepraktijk ontvangt, omdat zij vanwege haar reuma deze werkzaamheden niet meer kan verrichten. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van de man gelegen om de aanwezigheid van de inkomsten nader te onderbouwen en daarbij aan te geven hoe hoog deze inkomsten zijn, of om daarvan een reële schatting te maken. Aangezien de man dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank alleen het inkomen van de vrouw uit haar loon bij [werkgever] en de uitkering van het UWV meenemen.

Zoals hierboven berekend, bedraagt het NBI van de vrouw op basis van deze uitgangspunten € 1.729,- per maand. Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.

Draagkracht man

Zoals hierboven berekend, bedraagt het NBI van de man in 2026 € 2.377,-.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 2.377,- – (€ 713,- + € 1.365,-)] = € 209,- per maand.

Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Aangezien beide partijen nog inschreven staan op het adres van de echtelijke woning, ontvangen zij nog steeds het kindgebonden budget van € 430,- per maand op grond van netto besteedbaar gezinsinkomen van € 4.106,- per maand.

Daarom zal de rechtbank de behoefte verminderen met dit kindgebonden budget en berekenen in welke verhouding deze verlaagde behoefte van € 604,- (€ 1.034,- -/- € 430,) tussen partijen moet worden verdeeld.

Tekort

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 259,- per maand (€ 50,- + € 209,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 345 per maand.

Zorgkorting

Omdat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 259,- per maand (25% van € 1.034,-). De rechtbank gaat hierbij uit van de oorspronkelijke behoefte van € 1.034,-.

Omdat sprake is van een tekort van € 345,- per maand, wordt het tekort aan iedere ouder voor de helft toegerekend, zijnde € 173,-. Dit komt in mindering op de zorgkorting van de man. Hij heeft daarom nog recht op een zorgkorting van € 86,- per maand (€ 259,- -/- € 173,-)

Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 123,- per maand (€ 209,- -/- € 86,-).

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 28 augustus 2026 een voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 123,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats];

voorlopig bij de vader zullen zijn:

  • iedere dinsdag van 08.00 uur tot 19.00 uur;
  • om het weekend van vrijdagmiddag tot en met zondag in de week dat [minderjarige 3] bij haar vader verblijft;

bepaalt dat de ouder die conform de voorlopige zorgregeling de zorg heeft over de kinderen op dat moment bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 28 augustus 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 123 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.