Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:28442Zaaknummer C/09/696058 / FA RK 25-9424
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/696058 / FA RK 25-9424
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen ivm belaste voorgeschiedenis. Omgangsregeling vastgesteld.
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats],
bij de vader zal zijn iedere eerste zondag van de maand van 11:00 uur tot 17:00 uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9424
Zaaknummer: C/09/696058
Datum beschikking: 28 augustus 2026
Gezag en omgangsregeling
Beschikking op het op 12 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het bericht van de vader op 24 december 2025 met bijlage;
het bericht van de vader op 29 juni 2026 met bijlage.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich op 16 juli 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
De ouders hebben een affectieve relatie gehad vanaf 2001 en die is verbroken in 2021.
Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].
[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen van één dag in het weekend;
te bepalen dat het ouderlijk gezag over de minderjarige voortaan door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
Juridisch kader
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Er is in het verleden sprake geweest van huiselijk geweld en de vader heeft ernstige bedreigingen jegens de moeder geuit. Als gevolg hiervan is er onder meer een (inmiddels afgelopen) contactverbod aan de vader opgelegd, heeft [minderjarige] enkele jaren onder toezicht gestaan en is er al jarenlang geen sprake meer van (constructieve) communicatie tussen de ouders. Gelet op deze belaste voorgeschiedenis verwacht de rechtbank niet dat de communicatie tussen partijen binnen afzienbare termijn zodanig zal verbeteren dat zij in onderling overleg beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen. Gezamenlijk gezag is daarom op dit moment in strijd met het belang van [minderjarige].
Omgangsregeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het erover eens dat er op regelmatige basis contact moet zijn tussen de vader en [minderjarige]. Zij zijn het echter niet eens over de frequentie van dit contact.
De rechtbank acht een omgangsregeling waarbij [minderjarige] eens per maand een dag bij haar vader is, op dit moment het meest in haar belang. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat er, zoals hiervoor al overwogen, sprake is vaneen zeer belaste voorgeschiedenis waardoor er geen vertrouwen bestaat tussen de ouders en er lange tijd geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader. De vader heeft tijdens de zitting verteld dat hij zijn leven inmiddels weer redelijk op orde heeft, dat hij weer een dak boven zijn hoofd heeft, geen alcohol meer drinkt en hulpverlening accepteert. Dat is een goede basis om te werken aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige] en aan herstel van vertrouwen tussen de ouders, maar biedt nog onvoldoende basis voor de ruime omgangsregeling die de vader voorstaat. Voor herstel van het vertrouwen zal ook nodig zijn dat de vader langdurig laat zien dat hij afspraken nakomt en dat de omgang – en het contact daarover tussen de ouders – kan plaatsvinden zonder dat dat tot nieuwe ruzies en escalaties leidt. Op dit moment is nog niet te voorzien hoe lang het zal duren voordat er voldoende vertrouwen is – zowel bij de moeder als bij [minderjarige] – om over te gaan tot uitbreiding van de omgangsregeling. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader om nu al vast te leggen dat en wanneer de omgang zal worden uitgebreid, afwijzen.
Ter zitting hebben partijen afspraken gemaakt over de praktische uitvoering van de omgangsregeling. Er is afgesproken dat [minderjarige] elke eerste zondag van de maand zelfstandig met de trein naar station [station 1] reist, waar haar vader haar ophaalt en aan het einde van de dag weer naartoe terugbrengt, waarna zij weer zelfstandig met de trein naar [station 2] reist. Als uitgangspunt geldt dat [minderjarige] iedere eerste zondag van de maand van 11.00 tot 17.00 uur bij de vader is. Omdat het exacte aankomst- en vertrekmoment afhankelijk is van de dienstregeling van de NS, is afgesproken dat [minderjarige] tussen 10:45 uur en 11:15 uur op station [station 1] is en dat de vader ervoor zorgt dat zij tussen 16:45 uur en 17:15 uur weer met de trein richting de moeder vertrekt. De ouders sturen elkaar over een weer een bericht als [minderjarige] in de trein zit, onder vermelding van de aankomsttijd op [station 1] of in [station 2].
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats],
bij de vader zal zijn iedere eerste zondag van de maand van 11:00 uur tot 17:00 uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.