Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:28433Zaaknummer C/09/705597 / FA RK 26-5067

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 augustus 2026
Publicatiedatum
5 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/705597 / FA RK 26-5067
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking over kinderalimentatie en proceskosten na mondelinge uitspraak over overige verzoeken.

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:

  • [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2];
  • [minderjarige 6], geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 7], geboren op [geboortedatum 4] 2020 in [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 8], geboren op [geboortedatum 5] 2022 in [geboorteplaats 2];
  • [minderjarige 9], geboren op [geboortedatum 6] 2024 in [geboorteplaats 1].

van € 630,- per maand, dat wil zeggen € 105,- per maand per kind, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Beoordeling
  4. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-5067

Zaaknummer: C/09/705597

Datum beschikking: 28 augustus 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 21 mei 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.S.M. Oudijk te Gouda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Harent te Dordrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken.

De minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.

Op 16 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De rechtbank heeft op 16 juli 2026 mondeling uitspraak gedaan op de verzoeken ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, de toevertrouwing van de kinderen en de voorlopige zorgregeling en bepaald dat een schriftelijke beslissing op de verzoeken ten aanzien van de voorlopige kinderalimentatie en de proceskosten zal volgen op 28 augustus 2026. De moeder heeft haar verzoek ten aanzien van de woonlasten ter zitting ingetrokken.

Beoordeling

Kinderalimentatie

De moeder verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Bij de vaststelling van de voorlopige de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Omdat de ouders het erover eens zijn dat de voorlopige kinderalimentatie dient in te gaan per 1 augustus 2026, zal de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie vaststellen met ingang van die datum.

Behoefte

Bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.

Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.006,- bruto per jaar. De rechtbank baseert dit op de jaaropgave 2025.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op het moment van het huwelijk op € 84,- per maand.

Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 50.354,- bruto per jaar. De rechtbank baseert ook dit op de jaaropgave 2025, te weten die van [bedrijf 1] B.V. ten bedrage van € 33.268,- en die van van [bedrijf 2] ten bedrage van € 17.086,-.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van het huwelijk op € 3.276,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedraagt in 2026 dus € 3.360,- per maand (€ 84,- (NBI vrouw) + € 3.276,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 1.213,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.319,- per maand voor de kinderen.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht moeder

Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de moeder € 50,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.

Draagkracht vader

De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van de vader dezelfde uitgangspunten als hiervoor bij de berekening van de behoefte van de kinderen. De rechtbank houdt derhalve rekening met een NBI van € 3.276,- per maand.

Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.276 – (982 + 1.365)] = € 650,- per maand.

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 700,- per maand (€ 50,- + € 650,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 619,- per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 330,- per maand (25 % van € 1.319,- (behoeftebedrag)).

Omdat sprake is van een draagkrachttekort van € 619,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 20,- per maand (€ 330,- (bedrag zorgkorting) -/- € 310 (bedrag van de helft van het tekort)),

Het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 630,- per maand (€ 650,- (draagkracht) -/- € 20,- (bedrag aan zorgkorting minus helft tekort).

Conclusie

Op basis van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een voorlopige kinderalimentatie moet voldoen van € 630,- per maand. Dat is € 105,- per kind per maand.

Vakantie- en feestdagenregeling

Hoewel in het proces-verbaal mondeling uitspraak niet is vermeld dat ook de beslissing over de vakantie- en feestdagenregeling is aangehouden tot de uitspraak van heden, blijkt uit dat proces-verbaal niet dat is beslist op het verzoek van de vader dienaangaande. Dat betekent dat de rechtbank daar in deze beschikking alsnog een beslissing over dient te nemen. De rechtbank constateert dat de ouders er ondanks alles in zijn geslaagd afspraken te maken met betrekking tot de zomervakantie. De afspraken die zijn gemaakt zijn ook in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om in het kader van deze procedure nu een voorlopige regeling voor de vakanties en feestdagen vast te leggen te meer nu het verzoek van de vader neerkomt op een regeling in onderling overleg. De rechtbank vertrouwt erop dat de ouders in onderling overleg afspraken zullen maken over de vakanties en feestdagen, zodat daar geen voorlopige voorziening voor nodig is.

Proceskosten

Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten verdelen als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:

  • [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2];
  • [minderjarige 6], geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 7], geboren op [geboortedatum 4] 2020 in [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 8], geboren op [geboortedatum 5] 2022 in [geboorteplaats 2];
  • [minderjarige 9], geboren op [geboortedatum 6] 2024 in [geboorteplaats 1].

van € 630,- per maand, dat wil zeggen € 105,- per maand per kind, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 augustus 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.