Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 22 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27704Zaaknummer NL25.27776
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- NL25.27776
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
beroep niet-ontvankelijk. De minister heeft alsnog een besluit genomen. Gesteld noch gebleken is dat eiser nog belang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Wel proceskosten voor indiening beroep.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 467, -, aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, mr. M.B. de Boer en
mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27776
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1998, van Malinese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister,
(gemachtigde: mr. A.J. de Heer en mr. E.S. Wichhart).
Procesverloop
Eiser heeft op 12 januari 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Op 3 september 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld en op 20 september 2024 heeft hij beroep ingesteld tegen niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Met de uitspraak van 27 november 2024[_fd027ace-ca9b-46b0-886e-d9e547630b13] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen twee weken op de aanvraag te beslissen, op laste van een dwangsom met een maximum van € 7.500, -. Nadat de maximale dwangsom was volgelopen heeft eiser op 24 juni 2025 opnieuw beroep[_36e8f043-e43e-41b7-bfda-a37bec7b45a2] ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De minister heeft met het bestreden besluit van 7 juli 2025 de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond, eiser voor zes maanden uitstel van vertrek verleend om medische redenen en een rechterlijke dwangsom van € 7.500, - toegekend.
Eiser heeft beroep[_868f190d-a469-4f77-adf3-c3b067e55156] ingesteld tegen het bestreden besluit. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening[_2b550b0c-be83-490d-bd12-51c15b1cf442] te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet zolang niet op zijn beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek van eiser op 22 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Diaby als tolk in de taal Bambara en de gemachtigden van de minister. Ook was op zitting aanwezig de partner van eiser [persoon].
Beoordeling door de rechtbank
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag.
2. De minister heeft op 7 juli 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag. Gesteld noch gebleken is dat eiser nog belang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3. Eiser heeft tegen het besluit van 7 juli 2025 apart beroep ingediend, geregistreerd onder zaaknummer NL25.33189. De rechtbank heeft daarin heden een tussenuitspraak gedaan.
4. Eiser krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Eiser heeft immers terecht beroep ingesteld, nu de minister geen gehoor had gegeven aan de door de rechtbank met de uitspraak van 27 november 2024 opgelegde beslistermijn van twee weken. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, -, bij een wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 467, -, aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, mr. M.B. de Boer en
mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.