Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Den Haag, 22 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:27687Zaaknummer 23_8388

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
23_8388
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bpm - Door verweerder is ingestemd met vermindering van de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag Bpm tot € 4.038. Beroep daarom gegrond. Voor verdere vermindering bestaat geen aanleiding. Eiser maakt de door hem gestelde waardevermindering wegens schade niet aannemelijk.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot € 4.038 en vermindert de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 9 november 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Ford Kuga (de auto). De auto heeft datum eerste toelating 27 september 2018, een NEDC gemeten CO2-uitstoot van 177 gram per kilometer en een WLTP gemeten CO2-uitstoot van 194 gram per kilometer. Blijkens een op 6 augustus 2026 overgelegde aankoopfactuur heeft eiser de auto gekocht voor € 15.250.

2. Tot de stukken van het geding behoort een expertiseverslag van [de taxateur] (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 7 november 2022 met inachtneming van een waardevermindering wegens schade getaxeerd op een handelsinkoopwaarde van € 1.800. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van de X-ray koerslijstwaarde van een Ford Kuga met een CO2-uitstoot van 194 gram per kilometer bepaald op € 12.813.

3. In de aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 1.800. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 902 en is op aangifte voldaan.

4. De auto is op 9 november 2022 door de RDW goedgekeurd.

5. Op 15 november 2022 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de huidige inkoopwaarde bepaald op € 11.822. Daartoe is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van de Xray-koerslijstwaarde van een Ford Kuga met een CO2-uitstoot van 158 gram per kilometer bepaald op € 13.667 en is een waardevermindering wegens schade toegepast van € 1.785, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade.

6. Aan eiser is een naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De nageheven Bpm bedraagt € 4.546. De in aanmerking genomen afschrijving is onder toepassing van de forfaitaire tabel bepaald op 68%. De bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 16.

7. De naheffingsaanslag is bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2023 gehandhaafd.

8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat de historische nieuwprijs van de auto € 43.381 bedraagt. Voorts is ter zitting door verweerder aangegeven dat hij om proceseconomische redenen instemt met vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.038. Deze vermindering is gebaseerd op het standpunt van eiser dat de WLTP-meetmethode moet worden toegepast en niet de NEDC-meetmethode. De rechtbank heeft het beroep reeds om die reden gegrond verklaard.

9. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025[_b6b0fe04-7f15-4d67-80ec-9c91c2ec46ab] slaagt de beroepsgrond van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.

10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, waaronder het rapport van DRZ met omvangrijk fotomateriaal en de eigen aankoopprijs van de auto, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank de door hem gestelde waardevermindering wegens schade niet aannemelijk gemaakt. De enkele verwijzing naar het taxatierapport is daarvoor onvoldoende.

11. Desgevraagd heeft eiser ter zitting in algemene zin verklaard geen standpunten in te trekken, maar hij heeft niet verduidelijkt welke grieven er, gelet op het hiervoor onder 8 overwogene, nog resteren. De rechtbank constateert dat nu door verweerder is ingestemd met het door eiser bepleite gebruik van de WLTP-meetmethode, de grieven van eiser over de gehanteerde meetmethode geen behandeling meer behoeven.

12. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om de naheffingsaanslag Bpm verder te verminderen dan tot € 4.038.

13. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

16. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 26 april 2023 ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 10 november 2023.[_3bfbba70-595d-431d-919f-82e03bccfbb8] De rechtbank doet op 22 september 2026 uitspraak, waardoor tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak een periode van drie jaar en bijna vijf maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met een jaar en bijna vijf maanden zodat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 (3 maal € 500). De termijnoverschrijding dient (vrijwel) geheel te worden toegerekend aan de beroepsfase.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. De bestreden uitspraak op bezwaar
  2. Zitting
  3. Beslissing
  4. Overwegingen
  5. Rechtsmiddel

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 23/8388

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

en

de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 november 2023 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2026.

Namens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot € 4.038 en vermindert de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 9 november 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Ford Kuga (de auto). De auto heeft datum eerste toelating 27 september 2018, een NEDC gemeten CO2-uitstoot van 177 gram per kilometer en een WLTP gemeten CO2-uitstoot van 194 gram per kilometer. Blijkens een op 6 augustus 2026 overgelegde aankoopfactuur heeft eiser de auto gekocht voor € 15.250.

2. Tot de stukken van het geding behoort een expertiseverslag van [de taxateur] (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 7 november 2022 met inachtneming van een waardevermindering wegens schade getaxeerd op een handelsinkoopwaarde van € 1.800. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van de X-ray koerslijstwaarde van een Ford Kuga met een CO2-uitstoot van 194 gram per kilometer bepaald op € 12.813.

3. In de aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 1.800. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 902 en is op aangifte voldaan.

4. De auto is op 9 november 2022 door de RDW goedgekeurd.

5. Op 15 november 2022 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de huidige inkoopwaarde bepaald op € 11.822. Daartoe is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van de Xray-koerslijstwaarde van een Ford Kuga met een CO2-uitstoot van 158 gram per kilometer bepaald op € 13.667 en is een waardevermindering wegens schade toegepast van € 1.785, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade.

6. Aan eiser is een naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De nageheven Bpm bedraagt € 4.546. De in aanmerking genomen afschrijving is onder toepassing van de forfaitaire tabel bepaald op 68%. De bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 16.

7. De naheffingsaanslag is bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2023 gehandhaafd.

8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat de historische nieuwprijs van de auto € 43.381 bedraagt. Voorts is ter zitting door verweerder aangegeven dat hij om proceseconomische redenen instemt met vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.038. Deze vermindering is gebaseerd op het standpunt van eiser dat de WLTP-meetmethode moet worden toegepast en niet de NEDC-meetmethode. De rechtbank heeft het beroep reeds om die reden gegrond verklaard.

9. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025[_b6b0fe04-7f15-4d67-80ec-9c91c2ec46ab] slaagt de beroepsgrond van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.

10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, waaronder het rapport van DRZ met omvangrijk fotomateriaal en de eigen aankoopprijs van de auto, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank de door hem gestelde waardevermindering wegens schade niet aannemelijk gemaakt. De enkele verwijzing naar het taxatierapport is daarvoor onvoldoende.

11. Desgevraagd heeft eiser ter zitting in algemene zin verklaard geen standpunten in te trekken, maar hij heeft niet verduidelijkt welke grieven er, gelet op het hiervoor onder 8 overwogene, nog resteren. De rechtbank constateert dat nu door verweerder is ingestemd met het door eiser bepleite gebruik van de WLTP-meetmethode, de grieven van eiser over de gehanteerde meetmethode geen behandeling meer behoeven.

12. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om de naheffingsaanslag Bpm verder te verminderen dan tot € 4.038.

13. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

16. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 26 april 2023 ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 10 november 2023.[_3bfbba70-595d-431d-919f-82e03bccfbb8] De rechtbank doet op 22 september 2026 uitspraak, waardoor tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak een periode van drie jaar en bijna vijf maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met een jaar en bijna vijf maanden zodat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 (3 maal € 500). De termijnoverschrijding dient (vrijwel) geheel te worden toegerekend aan de beroepsfase.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

  1. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
  2. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.