Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 18 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:27216Zaaknummer NL26.52763

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
NL26.52763
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep bewaring – mondelinge uitspraak – ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. Aan eiser is op 27 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd met het oog op zijn uitzetting naar Marokko. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 geoordeeld dat de bewaring rechtmatig is.

2. De rechtbank beoordeelt in dit geval de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het onderzoek in de eerdere beroepsprocedure, op 1 juli 2026. Met verweerders kennisgeving wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld en te hebben verzocht om schadevergoeding. Eiser wordt niet bijgestaan door een raadsman omdat hij daar eerder uitdrukkelijk van heeft afgezien. Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest om eiser mondeling te horen.

3. Voorop staat dat de grondslag en gronden voor de maatregel onverkort aanwezig zijn en dat niet is gebleken dat het zicht op uitzetting naar Marokko is komen te ontbreken. In dit verband is van belang dat uit de met eiser gehouden vertrekgesprekken valt op te maken dat hij niet wenst terug te keren en dat hij zich daarom zonder meer passief opstelt en niet actief wenst mee te werken aan zijn uitzetting.

4. Uit het overgelegde voortgangsrapport volgt dat periodiek navraag wordt gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten over de afgifte van een laissez-passer voor eiser en dat met eiser regelmatig vertrekgesprekken worden gehouden. Verweerder handelt daarmee voldoende voortvarend.

5. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de bewaring van eiser vanaf enig moment onrechtmatig is.

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier. Dit proces-verbaal wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Beslissing
  3. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.52763

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 mei 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw[_ce1d0e05-ef60-4782-88b2-dc72e635432e] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_300a594a-b3f3-4081-a791-a7d7b0d2dfaf]

De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. Aan eiser is op 27 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd met het oog op zijn uitzetting naar Marokko. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 geoordeeld dat de bewaring rechtmatig is.

2. De rechtbank beoordeelt in dit geval de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het onderzoek in de eerdere beroepsprocedure, op 1 juli 2026. Met verweerders kennisgeving wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld en te hebben verzocht om schadevergoeding. Eiser wordt niet bijgestaan door een raadsman omdat hij daar eerder uitdrukkelijk van heeft afgezien. Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest om eiser mondeling te horen.

3. Voorop staat dat de grondslag en gronden voor de maatregel onverkort aanwezig zijn en dat niet is gebleken dat het zicht op uitzetting naar Marokko is komen te ontbreken. In dit verband is van belang dat uit de met eiser gehouden vertrekgesprekken valt op te maken dat hij niet wenst terug te keren en dat hij zich daarom zonder meer passief opstelt en niet actief wenst mee te werken aan zijn uitzetting.

4. Uit het overgelegde voortgangsrapport volgt dat periodiek navraag wordt gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten over de afgifte van een laissez-passer voor eiser en dat met eiser regelmatig vertrekgesprekken worden gehouden. Verweerder handelt daarmee voldoende voortvarend.

5. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de bewaring van eiser vanaf enig moment onrechtmatig is.

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier. Dit proces-verbaal wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.