Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27169Zaaknummer C/09/710233 / JE RK 26-1376
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- C/09/710233 / JE RK 26-1376
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing ondertoezichtstelling
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 9 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/710233 / JE RK 26-1376
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [de minderjarige 1],
- [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [de minderjarige 2],
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,
beide wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
2 De feiten
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting kan afleiden heeft de vader de kinderen erkend.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden is de moeder belast met het ouderlijk gezag.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de vader en de moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De Raad maakt zich zorgen over dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onvoldoende opvoedkundige sturing en begrenzing ontvangen. [de minderjarige 1] volgt geen onderwijs, werkt niet en heeft een verstoord dag- en nachtritme. Hij brengt veel tijd buiten door en zijn ouders hebben onvoldoende zicht op waar hij verblijft en met wie hij omgaat. Vanuit de politie, school en jeugdreclassering bestaan zorgen over zijn omgang met leeftijdgenoten, zijn eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten en signalen dat hij kwetsbaar is voor negatieve beïnvloeding en mogelijk opnieuw betrokken raakt bij criminaliteit. [de minderjarige 1] heeft onvoldoende probleembesef en staat beperkt open voor hulpverlening. De schoolgang van [de minderjarige 2] is al langere tijd wisselend en zijn dag- en nachtritme is verstoord. De afgelopen periode gaat hij vaker naar school, maar pas later op de dag. Daarnaast bestaan er zorgen over de invloed van zijn sociale omgeving en zijn eerdere politiecontacten. De ouders zijn zichtbaar betrokken bij de kinderen en erkennen dat zij ondersteuning nodig hebben. Zij ervaren onvoldoende grip op [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], vinden het moeilijk om consequent te handelen en slagen er onvoldoende in om gezamenlijk één lijn te trekken in de opvoeding. Hierdoor gaan de kinderen grotendeels hun eigen gang. De Raad acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk vanwege de langdurige zorgen over de ontwikkeling en de opvoedsituatie van de kinderen. De inzet van de ouders en de betrokken hulpverlening in het vrijwillig kader heeft onvoldoende tot verandering kunnen leiden. De Raad acht een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden passend en noodzakelijk. Naar verwachting is binnen deze periode de benodigde opvoedondersteuning opgestart en kunnen de ouders, met passende begeleiding, voldoende handvatten ontwikkelen om de opvoeding weer zelfstandig vorm te geven en de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weg te nemen. De Raad adviseert dat de reeds betrokken jeugdreclasseerder wordt belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zodat de continuïteit van de begeleiding wordt gewaarborgd. Hierbij kan de jeugdbeschermer kijken of de inzet van de huidige coach passend is en onderzoeken welke hulpvraag er is.
4 De standpunten
De moeder stemt in met het verzochte. Zij maakt zich grote zorgen over haar zoons. [de minderjarige 1] blowt heel veel en houdt zich niet aan de regels thuis. Ook gaat hij al twee jaar niet naar school. Hij is van plan om te beginnen met een mbo-opleiding en de moeder hoopt dat hij deze opleiding vol zal houden. Het is de bedoeling dat de coach hem hierbij gaat helpen, maar de coach lijkt dit onvoldoende op te pakken. De coach belooft veel, maar kan dit door drukte niet waarmaken. [de minderjarige 2] gaat wel naar school, maar pas rond half 11 in de ochtend. De moeder meent wel dat hij geleerd heeft van zijn politiecontacten.
De vader stemt in met het verzochte. Hij verwacht dat [de minderjarige 2] naar school zal gaan. Hij wilde [de minderjarige 1] helpen bij het vinden van werk, bij school en bij het halen van zijn theorie-examen voor een scooterrijbewijs, maar de coach gaf aan hierbij te willen helpen. Deze hulp is nog niet van de grond gekomen. De vader vindt het van belang dat de coach geen beloftes meer doet die hij niet waar kan maken.
Desgevraagd ziet de gecertificeerde instelling geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling naast de reclasseringsmaatregel, aangezien de ouders voldoende meewerken. [de minderjarige 1] is in het kader van de reclasseringsmaatregel al verplicht om een zinvolle dagbesteding te hebben en mee te werken aan een traject bij Brijder of een soortgelijke instantie. Beide kinderen zijn verplicht om mee te werken aan een coachingstraject of andere hulpverlening. Hierbij kan ook gedacht worden aan systemische hulpverlening. Verder is [de minderjarige 2] onder meer verplicht om een zinvolle dagbesteding te hebben. Aan de vaste jeugdreclasseerder, die sinds kort betrokken is, zal worden gevraagd om meer in gesprek te gaan met [de minderjarige 1], [de minderjarige 2] en de ouders en om te onderzoeken of er een andere coach betrokken moet worden.
5 De beoordeling
Formele beoordeling
De vader heeft ter zitting desgevraagd aangegeven de kinderen te hebben erkend. De kinderrechter kan dit niet verifiëren aan de hand van een akte van erkenning (aangezien de Raad de opgevraagde geboorteakte en akte van erkenning niet tijdig van de gemeente heeft ontvangen), en de kinderen staan niet in het uittreksel van het BRP van de vader. De kinderrechter zal naar aanleiding van wat er ter zitting is besproken er voorlopig vanuit gaan dat de vader de kinderen heeft erkend. Aangezien de vader en de moeder niet zijn getrouwd en uit het gezagsregister niet volgt dat de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag zijn belast, zal de kinderrechter er voorlopig vanuit gaan dat de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen is belast. Aangezien [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn opgegroeid bij beide ouders die gezamenlijk voor hen zorgen, merkt de kinderrechter de vader wel aan als belanghebbende.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter overweegt het volgende. De kinderrechter ziet op dit moment onvoldoende meerwaarde in een ondertoezichtstelling naast de reeds bestaande jeugdreclasseringsmaatregel voor beide kinderen. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen. De ouders staan open voor alle hulpverlening en willen graag ondersteuning bij hun opvoedvaardigheden. Daarnaast zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nu ook al verplicht om mee te werken aan een zinvolle dagbesteding en hulpverlening in het kader van hun reclasseringsmaatregel. Zij zijn dus verplicht om naar afspraken met de coach te gaan. Daarnaast is [de minderjarige 1] verplicht om mee te werken aan een traject bij Brijder of een soortgelijke instantie. Hoewel de kinderrechter een ondertoezichtstelling momenteel niet noodzakelijk acht, is het wel van belang dat op korte termijn de juiste hulpverlening wordt ingezet om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen tegen te gaan. Dit betekent dat het van belang is dat er regelmatig gesprekken plaatsvinden tussen de jeugdreclasseerder, de kinderen en de ouders om te onderzoeken welke hulpverlening noodzakelijk is en hoe ervoor gezorgd kan worden dat de kinderen hieraan meewerken. Het is noodzakelijk dat de kinderen onderwijs volgen en dat [de minderjarige 1] hulp krijgt voor zijn verslaving. Bovendien moet er worden gekeken of de hulpverlening vanuit de huidige coach passend is, uitgebreid moet worden of dat er een andere coach gezocht moet worden. Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kunnen vertrouwen op een coach, zodat zij ook zelf leren om zich beter aan afspraken te houden. De kinderrechter gaat ervanuit dat de jeugdreclasseerder met het bovenstaande voortvarend aan de slag zal gaan om ervoor te zorgen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een goede start maken in het nieuwe schooljaar.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 9 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.