Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 18 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:27160Zaaknummer C/09/709526 / JE RK 26-1283

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Publicatiedatum
28 september 2026
Zaaknummer
C/09/709526 / JE RK 26-1283
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 7 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en de gronden
  4. 4 Het standpunt van de belanghebbende
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/709526 / JE RK 26-1283

Datum uitspraak: 18 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. J. Looman uit Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de advocaat van de vader;
  • [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. [minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 december 2026.

2.5.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 september 2026.

3 Het verzoek en de gronden

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek -zakelijk en samengevat weergegeven- als volgt gemotiveerd. Sinds 19 maart 2026 is [minderjarige] -vanwege de forse zorgen in de opvoedsituatie bij de vader en haar persoonlijke problematiek- uit huis geplaatst. Na een crisisplaatsing bij [zorginstelling 1] en een vervolgplaatsing bij [zorginstelling 2] is [minderjarige] op 30 juni jl. geplaatst op een behandelgroep van [zorginstelling 1]. Hier zal zij behandeling krijgen voor haar emotieregulatie en hulp voor haar onderliggend trauma. Ook kan zij hier behandeling volgen om haar verdrietige gevoelens te verwerken en een gezond copingmechanisme te kunnen ontwikkelen. Verder zijn er nog steeds zorgen over de contacten tussen [minderjarige] en de ouders. [minderjarige] heeft de jeugdbeschermer en de hulpverlener van [zorginstantie] verteld dat zij tijdens de uithuisplaatsing geen contact wil met de vader en dat hij niet voor haar kan zorgen. De gecertificeerde instelling onderschrijft dat en is van mening dat een thuisplaatsing momenteel niet mogelijk is. Tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige] is het niet gelukt om te werken aan de opvoedsituatie bij de vader. De jeugdbeschermer heeft ondanks meerdere pogingen slechts één keer telefonisch contact gehad met de vader. Hoewel dit gesprek positief was en de vader aangaf het te accepteren als [minderjarige] hem zelf zou vertellen dat zij geen contact met hem wilde, is later gebleken dat hij zich anders, in negatieve zin, heeft uitgelaten tegen [minderjarige]. Bij een thuisplaatsing bij de vader wordt [minderjarige] mogelijk opnieuw blootgesteld aan huiselijk geweld en herleeft het risico op parentificatie. De vader moet eerst hulp accepteren bij het omgaan met zijn (verbale) agressie. In het verleden heeft hij hiervoor vaker hulp gehad, maar het is niet gestopt. Hetzelfde geldt voor zijn middelengebruik. Met de moeder heeft [minderjarige] al langere tijd geen contact. Dit doet [minderjarige] veel verdriet, zij wil het contact juist graag herstellen. De moeder vindt dat zij eerst haar trauma als gevolg van de relatie met de vader moet verwerken voordat zij contact kan hebben met [minderjarige] of voor haar kan zorgen. Ter zitting heeft de jeugdbeschermer toegelicht dat onduidelijk is of de moeder hiervoor nu hulp heeft of zoekt. Indien en zodra de moeder openstaat voor contactherstel, moet dit langzaam worden opgebouwd. [minderjarige] heeft ook geen contact met haar broertje en staat hier nu niet voor open.

4 Het standpunt van de belanghebbende

4.1.

Namens de vader is, bij monde van de advocaat, ter zitting aangevoerd dat de vader blij is dat de behandeling van [minderjarige] ingezet is. Het is schadelijk voor [minderjarige] dat de moeder geen contact met haar aan wil gaan. Zij zet het belang van [minderjarige] niet voorop. De vader zou dit het liefst anders zien. Voor de vader is het frustrerend dat [minderjarige] -ondanks dat hij zo zijn best heeft gedaan voor haar- geen contact met hem wil. De vader erkent dat bij hem sprake is van eigen problematiek en dat hij fouten heeft gemaakt, maar zijn boosheid jegens de moeder en [minderjarige] lijken te overheersen. Dat heeft ertoe geleid dat hij zijn handen ervan af trekt.

5 De beoordeling

5.1.

In de eerste plaats overweegt de kinderrechter het volgende. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 31 maart 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend. Uit het verzoekschrift en de toelichtingen ter zitting begrijpt de kinderrechter dat het de bedoeling is dat de plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gecontinueerd wordt. De kinderrechter vat het verzoek dan ook zo op, dat verzocht wordt om de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen in plaats van te verlenen.

5.2.

Vervolgens komt de kinderrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_b98bc4ce-5980-4d02-a483-840c5882b4bd] Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.3.

[minderjarige] heeft na de uithuisplaatsing meer rust gevonden. Dat heeft haar goed gedaan, maar neemt niet weg dat er nog steeds sprake is van forse kind-eigen problematiek. [minderjarige] heeft een meer dan gemiddelde opvoedbehoefte. Daarnaast is ook sprake van systeemproblematiek, en van problematiek bij de ouders zelf. De moeder houdt contact met [minderjarige] al langere tijd af, terwijl [minderjarige] zelf wel graag contact met haar moeder wil hebben. Dat is verdrietig, en ook schadelijk. Een plaatsing bij de moeder is alleen al om die reden niet mogelijk, nog daargelaten dat de moeder zelf zeer belast lijkt met de gevolgen van traumatische ervaringen die nog niet zijn verwerkt. De vader heeft moeite zijn emoties op een goede manier te uiten. Hij is, ook naar [minderjarige], verbaal agressief en het lukt hem niet om (emotioneel) aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige]. Uit de stukken wordt afgeleid dat ook middelengebruik een rol speelt bij de problematiek van de vader. De zorgen over de opvoedsituatie bij de vader zijn nog onverkort aanwezig en hij wordt bij deze omstandigheden niet in staat geacht om zelf voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] zorg te dragen. Het is daarom in het belang van de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk dat zij voorlopig op een neutrale plek verblijft, zodat zij in een stabiele en voor haar veilige omgeving de nodige behandeling en hulpverlening kan aangaan. De plek bij [zorginstelling 1] is voor haar een passende omgeving.

5.4.

Ter zitting is besproken dat de komende periode bijzondere aandacht moet zijn voor de mogelijkheden van contactherstel tussen [minderjarige] en haar moeder. De moeder lijkt niet goed in te zien dat het afhouden van contact met [minderjarige] en de reden die zij daarvoor aandraagt, voor [minderjarige] schadelijk zijn. De bedreiging die het verlies van dit contact voor de ontwikkeling van [minderjarige] betekent kan niet worden weggenomen zonder medewerking van de moeder. Met de jeugdbeschermer is de kinderrechter eens dat het goed zou zijn als de moeder onderkent dat zij daarin een belangrijke rol en verantwoordelijkheid heeft. Ten slotte is het voor de ontwikkeling van [minderjarige] van groot belang dat de vader in gesprek blijft met de jeugdbeschermer en de samenwerking met de jeugdbeschermer aangaat, zodat ook voor de vader ondersteuning en begeleiding kan worden ingezet.

5.5.

Dit leidt er toe dat de machtiging tot uithuisplaatsing zal worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 7 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.