Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27144Zaaknummer C/09/708243 / KG ZA 26-743
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 18 september 2026
- Zaaknummer
- C/09/708243 / KG ZA 26-743
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststellen zorgregeling in kort geding.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], voorlopig bij de vader zal zijn:
- op zaterdag 8, 15, en 22 augustus 2026 van 13.00 uur tot 18.00 uur;
- vanaf 29 augustus 2026 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur;
onder voortdurende begeleiding van de tante vaderszijde, zo nodig met hulp van opa en oma vaderszijde;
waarbij de moeder haalt en brengt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
CAEdK
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708243 / KG ZA 26-743
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. A.C. van ’t Hek te Dordrecht,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de op 31 juli 2026 binnengekomen akte met producties van de zijde van de vader;
- de op 4 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn op [datum] 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan.
Partijen zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
De moeder heeft in maart 2026 aangifte gedaan van vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens [minderjarige].
Er hebben naar aanleiding van die melding onder meer een zedengesprek en een onderzoek van Veilig Thuis plaatsgevonden, waarbij geen aanwijzingen zijn waargenomen die de aantijgingen van de moeder ondersteunen. Vervolgens is het onderzoek bij Veilig Thuis afgesloten.
De relatie van de ouders is inmiddels geëindigd en de moeder is met [minderjarige] uit de gezamenlijke woning van de ouders vertrokken en bij haar voormalige partner ingetrokken. Sinds mei 2026 is er geen fysieke omgang meer geweest tussen de vader en [minderjarige]. Nadien hebben zij alleen enkele korte videogesprekken gevoerd, maar ook dat contact is per 7 juli 2026 door de moeder gestaakt.
Het Sociaal Kernteam is bij het gezin betrokken maar heeft geconstateerd dat er weinig vooruitgang wordt geboekt. De school van [minderjarige] heeft zorgen geuit over haar gedrag. Moeder staat samen met [minderjarige] ingeschreven bij de GGZ en op 27 juli 2026 heeft al een spelobservatie plaatsgevonden. Er is inmiddels een breed diagnostisch onderzoekstraject voor [minderjarige] gestart, dat nog niet is afgerond.
3 Het geschil
De vader vordert – zakelijk weergegeven –:
- de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling;
- althans te bepalen dat een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld die de moeder moet nakomen, waarbij de vader en [minderjarige] op regelmatige basis contact hebben en waarbij door partijen week op week af voor [minderjarige] wordt gezorgd, althans een regeling te bepalen die de voorzieningenrechter in het belang van [minderjarige] passend acht;
- op straffe van een dwangsom;
voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder blokkeert sinds mei 2026 (bijna) alle contact tussen de vader en [minderjarige] terwijl er geen sprake is van zwaarwegende omstandigheden die dit rechtvaardigen.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
De voorzieningenrechter volgt de moeder niet in haar stelling dat de vader niet ontvankelijk is in zijn vordering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vader een voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering, gelet op het inmiddels volledig staken van contact met [minderjarige]. Gebleken is dat er nog geen bodemprocedure ontbinding geregistreerd partnerschap loopt. Alhoewel de stelling van de moeder dat de vader in het geval van een aanhangig verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap een verzoek tot voorlopige voorzieningen kan doen juist is, leidt dat in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid. Afwachten tot een dergelijk verzoek door een der partijen is ingediend zou feitelijk betekenen dat er nog meer tijd zal verstrijken zonder omgang tussen de vader en [minderjarige]. De vader was zelf kennelijk ook nog niet zo ver dat hij direct een bodemprocedure wilde starten, wat niet zo vreemd is nu partijen nog maar kort uit elkaar zijn. Weliswaar is op de zitting gebleken dat de moeder wel voornemens is een procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap te starten en in dat kader om voorlopige voorzieningen te vragen, maar dat maakt niet dat de vader geen belang meer heeft bij een oordeel in kort geding. Wel betekent dat dat de beslissing van de voorzieningenrechter waarschijnlijk een kortlopende werking zal hebben en kan worden gewijzigd in de bodem/voorlopige voorzieningen-procedure. In deze kort gedingprocedure zal dan ook slechts beoordeeld moeten worden hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader moet worden vormgegeven totdat in de aanstaande bodem- en/of voorlopige voorzieningen procedure nader wordt beslist.
Inhoudelijke beoordeling
De voorzieningenrechter constateert allereerst dat niet is gebleken dat er eerder een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is vastgesteld. De vordering van de vader tot nakoming van de bestaande zorgregeling is daarom niet toewijsbaar.
De vader stelt dat Veilig Thuis heeft vastgesteld dat er geen belemmeringen voor de omgang zijn. Hij wenst daarom het contact met [minderjarige] te hervatten en haar om de week bij zich te hebben. De moeder voert verweer. Het is volgens haar evident dat de vader een gevaar vormt voor [minderjarige]. Ze wijst onder meer op het veranderde gedrag van [minderjarige] op school. Ook staat [minderjarige] ingeschreven bij de GGZ, is er een spelobservatie geweest en loopt er nu een diagnostisch onderzoek. De resultaten van deze onderzoeken moeten volgens de moeder worden afgewacht voordat het contact tussen de vader en [minderjarige] hervat kan worden.
De voorzieningenrechter stelt vast dat onduidelijk is wat er nu precies aan de hand is met [minderjarige]. Wel is gebleken dat er zorgen zijn over haar emotionele en psychische ontwikkeling en haar gedrag. Totdat de resultaten van de lopende onderzoeken van [minderjarige] bekend zijn zullen naar oordeel van de voorzieningenrechter veiligheidswaarborgen moeten worden ingebouwd in het contact van de vader met [minderjarige]. De stelling van de vader dat direct onbegeleid contact kan worden hervat omdat Veilig Thuis het onderzoek heeft gesloten wordt gepasseerd. Er zijn immers veel zorgen om [minderjarige] en er spelen nog vragen over de rol van de vader daarbij, wat het nodig maakt dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] voorlopig wordt begeleid. Door de omgang onder begeleiding plaats te laten vinden worden de zorgen van de moeder over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader ondervangen. Ter zitting is gebleken dat de zus van de vader, die zelf ook twee kinderen heeft, bereid is om de begeleiding op zich te nemen, zo nodig met hulp van opa en oma vaderszijde. Daarbij is aan de zus van de vader duidelijk gemaakt dat het nadrukkelijk de bedoeling is dat de vader gedurende de gehele omgang niet alleen zal zijn met [minderjarige], waarmee zij heeft ingestemd.
De voorzieningenrechter zal een opbouwende regeling vaststellen waarbij de vader en [minderjarige] drie achtereenvolgende weken op zaterdagmiddag onder begeleiding contact zullen hebben, te beginnen op zaterdag 8 augustus, van 13.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de moeder haalt en brengt. Na deze drie weken zullen [minderjarige] en de vader de hele zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur onder begeleiding contact hebben, totdat partijen meer of anders overeenkomen of de (bodem)rechter meer of anders beslist.
De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] zal worden geëvalueerd tijdens de procedure ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Er zal dan ook hopelijk meer informatie bekend zijn naar aanleiding van het breed diagnostisch onderzoekstraject van [minderjarige], die meegenomen kan worden in de beoordeling.
Dwangsom
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om direct een dwangsom als prikkel tot nakoming van de in dit vonnis bepaalde voorlopige zorgregeling te verbinden. Zij gaat er vooralsnog van uit dat beide ouders deze begeleide zorgregeling correct zullen naleven, in het belang van [minderjarige].
Nu partijen de ouders zijn van [minderjarige] wordt daarin aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], voorlopig bij de vader zal zijn:
- op zaterdag 8, 15, en 22 augustus 2026 van 13.00 uur tot 18.00 uur;
- vanaf 29 augustus 2026 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur;
onder voortdurende begeleiding van de tante vaderszijde, zo nodig met hulp van opa en oma vaderszijde;
waarbij de moeder haalt en brengt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
CAEdK
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.