Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27142Zaaknummer C/09/708491 / KG ZA 26-760
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 18 september 2026
- Zaaknummer
- C/09/708491 / KG ZA 26-760
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nakoming omgang, dwangsom en vakantieregeling
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2026 met de daarin opgenomen omgangsregeling, dat de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats], [geboorteland];
voorlopig, totdat partijen in onderling overleg (al dan niet via hulpverlening) anders overeenkomen of totdat een (bodem)rechter anders heeft beslist, bij de vader zal zijn iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de ouders in overleg de dag kunnen wijzigen naar de zondag, waarbij de moeder (of haar partner) [minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader haar vervolgens weer terugbrengt naar de moeder;
bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2026 met de daarin opgenomen vakantieregeling, dat [minderjarige]:
in de zomervakantie 2026 bij de vader is op dinsdag 11 augustus 2026, donderdag 13 augustus 2026 en zaterdag 15 augustus 2026 telkens van 10.00 tot 19.00 uur, waarbij de moeder (of haar partner) [minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader haar vervolgens weer terugbrengt naar de moeder. Voor het geval dit niet is gebeurd, moet de moeder drie andere dagen aanwijzen om die dagen in te halen. De dagen zijn in dat geval in overleg af te stemmen met de vader;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
SB
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708491 / KG ZA 26-760
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. S. Kievit te Breda,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.T. Wernsen te Voorburg.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 8);
- de door moeder overgelegde conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties (1 t/m 8);
- de door moeder overgelegde brief van 3 augustus 2026 tevens houdend een akte wijziging petitum;
- de op 4 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de moeder is verschenen bijgestaan door mr. F. van den Burg, kantoorgenoot van haar advocaat en de vader met zijn advocaat. Tevens was mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) aanwezig.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2023. Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats], [geboorteland].
Na de geboorte van [minderjarige] heeft de moeder met haar in Zuid-Korea gewoond. De vader is na de geboorte weer naar Nederland vertrokken. Sinds juni 2023 wonen de moeder en [minderjarige] ook weer in Nederland.
Partijen hebben in verband met de echtscheiding veel geprocedeerd, zowel in Nederland als in Zuid-Korea.
Bij beschikking van het Family Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de moeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en een omgangsregeling vastgesteld.
Bij beschikking van 9 januari 2025 van het Uijeongbu District Court te Zuid-Korea is – voor zover hier van belang – de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] gewijzigd.
Bij beschikking van 27 maart 2026 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – met wijziging in zoverre van de beschikking van het Family Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023, voor recht verklaard dat de beschikking van het Family Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 voor erkenning in aanmerking komt, zowel ten aanzien van de echtscheiding als ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling. Daarnaast is het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten afgewezen. Ook is er een omgangsregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader is:
- vanaf dat moment: om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 17.00 uur;
- vanaf het eerste weekend van de meivakantie (dus vanaf 25 april 2026) en vervolgens om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 13.00 uur;
- vanaf 13 juni 2026: om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur; waarbij de moeder (of haar partner) [minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader [minderjarige] vervolgens weer terugbrengt bij de moeder.
Tevens is er een verdeling van de schoolvakanties en feestdagen vastgesteld en is bepaald dat de vrouw de man eens per kwartaal per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van en de ontwikkeling van [minderjarige].
[minderjarige] heeft in het eerste weekend van de meivakantie 2026 voor het eerst bij haar vader overnacht. Vervolgens was zij om de week van zaterdag 9.00 uur tot zondag 13.00 uur bij haar vader. Dat heeft zo gelopen in mei 2026 en (deels) in juni 2026. In het weekend van 20 juni 2026 zou [minderjarige] voor het eerst van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur bij haar vader zijn. Op 19 juni 2026 heeft de moeder aan de vader laten weten dat zij deze regeling niet langer in het belang van [minderjarige] acht. De moeder heeft toen voorgesteld om de omgang om het weekend van 10.00 uur tot 14.00 uur op een openbare locatie plaats te laten vinden. Op 5 juli 2026, 18 juli 2026 en 1 augustus 2026 heeft overdag contact van acht uur aaneengesloten plaatsgevonden. De vader kan zich niet verenigen met de eenzijdige aanpassing van de omgang, zodat hij onderhavige procedure is gestart.
De vader heeft daarnaast hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van deze rechtbank van 27 maart 2026 ten aanzien van het gezag, de omgangs-/zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling (rolnummer: 200.369.420). De vrouw heeft verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld, waarbij zij verzoekt om een gewijzigde omgangsregeling, een onderzoek door de Raad, een doorverwijzing naar passende hulpverlening, schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beschikking en een voorlopige voorziening te treffen.
Van de bassischool van [minderjarige], Basisschool [schoolnaam], zijn recent signalen gekomen dat het niet goed gaat met [minderjarige]. Hierover is met de moeder en haar partner gesproken op 29 mei 2026. Naar aanleiding daarvan is er hulpverlening opgestart via [zorginstantie]. Voor de periode van [datum 2] 2026 tot en met 15 september 2026 zijn inmiddels vijf afspraken met de speltherapeut ingepland.
3 Het geschil
in conventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, nakoming van de in de beschikking van 27 maart 2026 vastgestelde omgangsregeling, op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom. Alsmede te bepalen dat er inhaalmomenten worden vastgesteld voor de gemiste omgangsmomenten, op straffe van een dwangsom, en te bepalen dat [minderjarige] tijd bij de vader doorbrengt conform de vakantieregeling in de zomervakantie 2026, de herfstvakantie 2026 en de kerstvakantie 2026, eveneens op straffe van een dwangsom. Tot slot vordert hij de moeder te veroordelen in de procedure.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder komt ten onrechte de bij beschikking van 27 maart 2026 vastgestelde zorgregeling niet na. De daartoe door de moeder aangevoerde redenen zijn niet valide. Een gedragsverandering bij [minderjarige] merkt de vader niet tijdens de contactmomenten. De moeder heeft voorgesteld om de omgang om het weekend van 10.00 uur tot 14.00 uur op een openbare locatie plaats te laten vinden. De vader kan hiermee niet instemmen en acht het ook schadelijk voor [minderjarige] dat de overnachtingen plotsklaps weer zijn gestopt.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een gewijzigde omgangsregeling te bepalen waarbij er om de week omgang op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur is tussen de vader en [minderjarige], zonder overnachting, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] thuisbrengt. Daarnaast vordert de vrouw dat er in de zomervakantie 2026 op dinsdag 11 augustus 2026, donderdag 13 augustus 2026 en zaterdag 15 augustus 2026 telkens van 10.00 tot 19.00 uur omgang is tussen de vader en [minderjarige] en, subsidiair, te bepalen dat de vakantieweek tijdens de herfstvakantie wordt ingehaald, voor zover de dan beschikbare professionele beoordeling geen bezwaar oplevert tegen overnachtingen en meerdaags verblijf, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] thuisbrengt. Tot slot vordert zij schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 27 maart 2026 voor zover deze ziet op overnachtingen en meerdaagse verblijven en de vader te veroordelen in de werkelijke proceskosten van dit geding.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Na de beschikking van 27 maart 2026 zijn nieuwe en ernstige signalen bij [minderjarige] naar voren gekomen, die ook onafhankelijk door haar school zijn waargenomen. De oorzaak daarvan is nog niet duidelijk. De vrouw heeft daarom niet gekozen voor het stopzetten van het contact, maar voor tijdelijke voortzetting in de vorm van dagcontact, in afwachting van professionele beoordeling. Er hebben verschillende dagcontacten van acht uur plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. De moeder heeft inmiddels hulp van [zorginstantie] ingeschakeld. Daarnaast wordt [minderjarige] door een speltherapeut geobserveerd om een duidelijker beeld te krijgen van hoe het met haar gaat en welke ondersteuning zij nodig heeft. Gelet op de ernst van de signalen acht de moeder het niet verantwoord om nu overnachtingen en een aaneengesloten vakantieweek af te dwingen, zeker niet onder oplegging van hoge dwangsommen. Volgens de moeder dient juist de vader in de proceskosten veroordeeld te worden en is sprake van een patroon waarin door hem snel tot procederen wordt overgegaan.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
In conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze gezamenlijk worden besproken.
Spoedeisendheid
Deze zaak heeft, anders dan de moeder heeft gesteld, naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend karakter, omdat op dit moment een door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling door de moeder niet wordt nageleefd. Daarmee wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling
Nakoming omgangsregeling
Er zijn zorgen over het gedrag van [minderjarige]. De vader heeft weliswaar op de zitting aangegeven dat hij bij hem thuis niks merkt van een wijziging in het gedrag van [minderjarige], maar de bestaande zorgen worden geobjectiveerd door de meldingen vanuit de school van [minderjarige]. De school is het opgevallen dat [minderjarige] niet goed in haar vel zit, dat zij sinds april 2026 vermoeider is en kleine problemen groot maakt. De school spreekt over korte en explosieve uitbarstingen, waarbij zij vooral erg overstuur is. De zorgen hebben ertoe geleid dat [zorginstantie] is ingeschakeld. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat hulp nodig is. Op dit moment is het (nog) onduidelijk waar het gedrag van [minderjarige] precies vandaan komt. De moeder heeft de indruk dat het contact met de vader, en dan met name de overnachtingen, daarbij een grote rol spelen, maar de vader heeft geen signalen gezien die daarop wijzen.
Ook voor de voorzieningenrechter is het niet duidelijk wat er precies aan de hand is. De voorzieningenrechter acht het echter wel aannemelijk dat het met [minderjarige] niet helemaal goed gaat. Zij heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven en er speelt ook nu heel veel. Zo zijn er grote spanningen tussen de ouders, communiceren de ouders moeizaam, is [minderjarige] in 2023 van Zuid-Korea naar Nederland verhuisd, heeft zij inmiddels een halfbroertje gekregen dat nu ernstig ziek is, moet zij de nieuwe partner van de moeder papa noemen en heeft zij hierdoor het idee dat ze twee vaders heeft, waardoor ze worstelt met haar identiteit. Het lijkt erop dat die onrust zich vertaalt in (gedrags)problemen en het lukt de ouders op dit moment niet om dit in goede banen te leiden. De voorzieningenrechter acht het voor [minderjarige] essentieel dat er rust komt en hulpverlening voor haar op gang komt. Uit de observatie door [zorginstantie] moet blijken wat er aan de hand is met [minderjarige]. Tot die tijd is het essentieel dat zij weer snel geregeld contact heeft met haar vader. Op dit moment acht de voorzieningenrechter de overnachtingen wel te belastend voor [minderjarige]. Het is van belang dat eerst in de hulpverlening wordt nagegaan wat er aan de hand is en hoe de door de moeder gestelde weerstand van [minderjarige] tegen overnachtingen kan worden weggenomen. Dat klemt te meer nu de moeder [minderjarige] op dit moment ook niet de benodigde emotionele toestemming geeft om bij de vader te overnachten. Anders dan de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat het contact tussen de vader en [minderjarige] nu wekelijks op een weekenddag moet gaan plaatsvinden van 10.00 uur tot 19.00 uur. Dat dient haar belang en doet ook recht aan de positie van de vader, die immers anders een grote teruggang in contacturen zou moeten accepteren. Het contact om de week laten plaatsvinden en daarnaast via videobellen acht de voorzieningenrechter geen reële optie. Ter zitting is namelijk duidelijk geworden dat de vader er geen enkel vertrouwen in heeft dat videobellen positief uitpakt, omdat dit al eerder niet goed is verlopen tussen partijen. Van de moeder (of haar partner) kan onder de gegeven omstandigheden ook in redelijkheid worden gevergd dat zij [minderjarige] iedere week naar de vader brengen. De afstand is niet dusdanig ver dat dat onaanvaardbaar is en de vader zal haar dan zelf weer naar de moeder terugbrengen, waardoor de reislast eerlijk wordt verdeeld.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van de vader tot integrale nakoming van de omgangsregeling zoals neergelegd in de beschikking van 27 maart 2026 van deze rechtbank wordt afgewezen. De voorzieningenrechter zal, in afwijking van die beschikking, bepalen dat er voorlopig een aangepaste omgang dient plaats te vinden, namelijk iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur. In onderling overleg kunnen de ouders die dag desgewenst verschuiven naar de zondag. De vordering de vrouw te verplichten mee te werken aan het inhalen van de reeds gemiste omgangsmomenten/nachten zal worden afgewezen. De vader zal [minderjarige] de komende periode iedere week een dag zien en inhalen zou dus feitelijk neerkomen op omgang op meer dagen per week, en overnachtingen. Toewijzing van die vordering wordt momenteel te belastend voor [minderjarige] geacht.
Dwangsom
De voorzieningenrechter ziet (nog) geen aanleiding om aan deze gewijzigde omgangsregeling voor de moeder een dwangsom te verbinden. Dat zou op dit moment de verhoudingen alleen maar meer op de spits drijven, terwijl het essentieel is dat de ouders beter met elkaar gaan communiceren in het belang van [minderjarige]. Bovendien gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de moeder deze gewijzigde omgangsregeling wel correct zal nakomen, nu er voorlopig geen nachten in zijn opgenomen.
Zomervakantie 2026
Op de zitting is gebleken dat partijen het niet eens zijn geworden over de vraag of [minderjarige] één week bij de vader zal verblijven tijdens de zomervakantie 2026. Dat zou immers betekenen dat zij een aantal dagen aaneengesloten bij de vader zou zijn en daar ook zou moeten overnachten, waar de moeder op tegen is. Ook de voorzieningenrechter acht dat, zoals hiervoor al is overwogen, op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. De door de moeder voorgestelde drie losse dagen ter vervanging van één week met overnachtingen, moet onder de gegeven omstandigheden voor [minderjarige] wel haalbaar zijn en zal dus moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter gaat er overigens van uit dat die drie vakantiedagen ook al daadwerkelijk bij de vader zijn doorgebracht, aangezien dit vonnis wordt uitgesproken ná de drie beoogde omgangsdagen. Voor het geval die drie omgangsdagen nog niet hebben plaatsgevonden, moeten ze alsnog plaatsvinden. Wanneer precies zal de moeder in dat geval in overleg met de vader moeten afstemmen.
Herfstvakantie 2026 en kerstvakantie 2026
Op de vordering tot nakoming van de zorgregeling in de herfstvakantie 2026 en de kerstvakantie 2026 zal de voorzieningenrechter niet beslissen. Er is eerst meer duidelijkheid nodig over wat er speelt bij [minderjarige]. Bovendien is er onvoldoende spoedeisend belang bij deze vorderingen van de vader, zodat deze vorderingen worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De huidige omgangsregeling wordt voorlopig gewijzigd, zoals hierboven is aangegeven. Over de zomervakantie van 2026 heeft de voorzieningenrechter reeds beslist. Daarmee staat vast dat de moeder tot de rechtbank meer of anders beslist niet langer gehouden is de beschikking van 27 maart 2026 integraal na te komen. De moeder heeft bij die stand van zaken geen zelfstandig belang meer bij een beslissing op haar vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
Ouderschap Blijft
De communicatie tussen de ouders is een groot struikelblok. De Raad heeft op de zitting de ouders nogmaals gewezen op de mogelijkheid om het Ouderschap Blijft traject op te starten. De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat het voor de ouders ook mogelijk is om dit traject in het Engels te volgen. Dit zou partijen soelaas kunnen bieden voor de communicatieproblemen die optreden tussen hen. De voorzieningenrechter benadrukt dat zij het belangrijk acht dat partijen zich inzetten om dit traject volledig te doorlopen. De voorzieningenrechter gaat er, met de Raad, vanuit dat de ouders in het hoger beroep de evaluatie vanuit [zorginstantie] en de evaluatie vanuit Ouderschap Blijft in zullen dienen, zodat het hof die kan meenemen in de beoordeling.
Proceskosten
In de omstandigheid dat partijen samen de ouders zijn van [minderjarige], wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij (zowel in conventie als in reconventie) de eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2026 met de daarin opgenomen omgangsregeling, dat de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats], [geboorteland];
voorlopig, totdat partijen in onderling overleg (al dan niet via hulpverlening) anders overeenkomen of totdat een (bodem)rechter anders heeft beslist, bij de vader zal zijn iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de ouders in overleg de dag kunnen wijzigen naar de zondag, waarbij de moeder (of haar partner) [minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader haar vervolgens weer terugbrengt naar de moeder;
bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2026 met de daarin opgenomen vakantieregeling, dat [minderjarige]:
in de zomervakantie 2026 bij de vader is op dinsdag 11 augustus 2026, donderdag 13 augustus 2026 en zaterdag 15 augustus 2026 telkens van 10.00 tot 19.00 uur, waarbij de moeder (of haar partner) [minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader haar vervolgens weer terugbrengt naar de moeder. Voor het geval dit niet is gebeurd, moet de moeder drie andere dagen aanwijzen om die dagen in te halen. De dagen zijn in dat geval in overleg af te stemmen met de vader;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
SB
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.