Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 24 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27112Zaaknummer SGR 24/8285
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 7 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 24/8285
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding ivm overschrijding redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8285
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. K. Bergacker).
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
1. Bij het primaire besluit van 29 februari 2024, voor zover van belang, heeft het college aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] pgb-uren toegekend voor individuele begeleiding. Voor de periode 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 krijgt [minderjarige 1] 12 uren per week en [minderjarige 2] krijgt 21 uren per week.
Met het bestreden besluit van 4 september 2024 heeft het college de omvang van de aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toegekende pgb-uren gehandhaafd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam], werkzaam bij [hulpverlener].
Eiser heeft het beroep tegen het bestreden besluit ter zitting ingetrokken in het kader van de aldaar tot stand gekomen schikking maar de rechtbank wel verzocht om uitspraak te doen over zijn verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.
Beoordeling door de rechtbank
2. De behandeling door de rechtbank is niet binnen een redelijke termijn geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet deze in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien de behandeling in beroep langer dan anderhalf jaar heeft geduurd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur in beroep is overschreden voor rekening van de Staat.[_5372bf0a-311a-4791-afc6-43ee3323a0f1] De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.[_efe5afea-546c-4026-bc0f-25882f369f12] In beginsel is een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden passend.
Vanaf de datum van ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 4 april 2024 tot de intrekking van het beroep op zitting, heeft de procedure, afgerond naar boven, in totaal twee jaar en zes maanden geduurd. In de zaak zelf en in de opstelling van eiser zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-.
De behandeling van het bezwaar heeft van de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 april 2024 tot het besluit op bezwaar van 4 september 2024, vijf maanden geduurd. De redelijke termijn in bezwaar van zes maanden is dus niet overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig toe te rekenen aan de Staat.
Omdat het bedrag aan schadevergoeding onder de € 5.000,- blijft, bestaat er gelet op de beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 geen aanleiding om de Staat in de gelegenheid te stellen verweer te voeren.[_f87c6b20-045a-49bb-b7e2-f974fd87372e]
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen tot een bedrag van € 500,-.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.