Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 17 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:27018Zaaknummer C/09/709186 / KG ZA 26-806

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17 augustus 2026
Publicatiedatum
17 september 2026
Zaaknummer
C/09/709186 / KG ZA 26-806
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot nakoming eerder gemaakte afspraak bij voorzieningenrechter om begeleide omgang via het Zorghuisje te volgen, toegewezen alsmede een dwangsom, wel gematigd en gemaximeerd

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de overeenkomst van 10 maart 2026 alsmede het verlenen van integrale medewerking aan de begeleide omgang via [zorginstantie 1];

5.2

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 50,- voor iedere keer dat zij haar medewerking aan bovengenoemde begeleide omgang via [zorginstantie 1] weigert, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken op

17 augustus 2026.

MC

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling van het geschil
  5. 5 De beslissing

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/709186 / KG ZA 26-806

Vonnis in kort geding van 17 augustus 2026

in de zaak van

[de man] te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W. Suttorp te Rotterdam,

tegen:

[de vrouw] te [gemeente],

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;

- de door gedaagde overgelegde producties 1 tot en met 6 en conclusie van antwoord;

- de op 10 augustus 2026 overgelegde producties 5 en 6 namens eiser.

1.2

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vordering. [minderjarige] heeft haar mening niet gegeven.

1.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026, waarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. Het vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde op de zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren de minderjarige [minderjarige] op

[geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats]. De man is de biologische vader van [minderjarige].

2.2

Begin dit jaar heeft de man een procedure in kort geding opgestart om tot contactherstel met [minderjarige] te komen. In het kader van dat kort geding hebben partijen op

10 maart 2026 ten overstaan van de voorzieningenrechter onder meer de volgende afspraak gemaakt:

“Partijen zijn het erover eens dat de omgang van de man met [minderjarige] begeleid dient te

worden opgestart. Partijen zullen zich daartoe per ommegaande via de site van [zorginstantie 1]

aanmelden. Zij zullen beiden meewerken aan het opstarten van de begeleide

omgang via [zorginstantie 1] zodra dit mogelijk is.”

2.3

Met ingang van 18 juni 2026 is het traject via [zorginstantie 1] gestart. Er hebben daarna drie begeleide contactmomenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden, te weten op 23 juni 2026, 30 juni 2026 en 7 juli 2026. Hierna heeft de vrouw besloten niet verder te willen meewerken aan het traject en heeft zij het geplande contactmoment van 14 juli 2026 geannuleerd.

3 Het geschil

3.1

De man vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, de vrouw te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst van 10 maart 2026 alsmede het verlenen van integrale medewerking aan de begeleide omgang via [zorginstantie 1], op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw weigert te voldoen aan deze veroordeling met een maximum van € 20.000,-, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

3.2

Ter onderbouwing voert de man aan dat hij zich niet kan verenigen met het beëindigen van het traject omgangsbegeleiding via [zorginstantie 1]. De man acht het in het belang van [minderjarige] dat het traject wordt nagekomen. Volgens de man heeft de vrouw het traject eenzijdig en zonder gegronde reden beëindigd.

3.3

De man stelt spoedeisend belang bij de vordering te hebben, omdat [minderjarige] en de ouders gebaat zijn bij nakoming van de begeleide omgang via [zorginstantie 1]. Om te vorkomen dat de start en de reeds plaatsgevonden afspraken te lang worden onderbroken moet het traject met spoed worden voortgezet.

3.4

De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de proceskosten.

4 De beoordeling van het geschil

Spoedeisendheid

4.1

Deze zaak heeft een spoedeisend karakter omdat er op dit moment, ondanks dat partijen op 10 maart 2026 bij de voorzieningenrechter samen hebben afgesproken dat zij begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] zullen opstarten via [zorginstantie 1] en hieraan zullen meewerken, geen uitvoering meer geven aan deze afspraak. De vrouw heeft eenzijdig besloten niet meer mee te werken aan het traject en er heeft na 7 juli 2026 geen omgang meer plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige]. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man dan ook inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

Algemeen

4.2

Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat de bij proces-verbaal van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 maart 2026 vastgestelde afspraak tussen de ouders moet worden nagekomen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als zich na de datum van dit proces-verbaal nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze afspraak niet (meer) in het belang van [minderjarige] moet worden geacht.

4.3

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. De man en de vrouw zijn half juni 2026 het traject Omgangsbegeleiding via [zorginstantie 1] gestart. Daarbij is afgesproken dat er iedere dinsdag om 15 uur een begeleid omgangsmoment zal plaatsvinden met uitzondering van de momenten dat partijen op vakantie zijn. Er hebben drie begeleide omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden, te weten op

23 juni 2026, 30 juni 2026 en 7 juli 2026. Vervolgens heeft de vrouw eenzijdig, zonder overleg met de man, besloten het vierde omgangsmoment op 14 juli 2026 te annuleren en de begeleiding te beëindigen. Als redenen heeft de moeder gegeven dat zij de begeleiding van [zorginstantie 1] niet veilig, passend en kindgericht vindt.

4.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de concrete door de vrouw ingebrachte argumenten niet kunnen leiden tot de conclusie dat de begeleide omgang via [zorginstantie 1] niet langer in het belang van [minderjarige] kan worden geacht. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.

4.5

Zo heeft de vrouw als reden van beëindiging naar voren gebracht dat de administratie bij [zorginstantie 1] niet op orde was, omdat de zorgovereenkomst fouten bevatte, zoals een spelfout in de naam van [minderjarige] en een verkeerde geboortedatum. Ook was twee keer het verslag van 23 juni 2026 aan haar opgestuurd. Dit zijn redenen van administratieve aard die echter niets zeggen over de door de vrouw gestelde onveilige, niet passende en kindonvriendelijke begeleiding van de omgang door [zorginstantie 1].

4.6

De vrouw heeft daarnaast aangevoerd dat de man tijdens de begeleide omgang met [minderjarige] op 23 juni 2026 zaken aan de orde heeft gesteld die [minderjarige] niet aangaan althans die niet met haar besproken zouden moeten worden maar uitsluitend tussen de ouders, zoals de bereikbaarheid van [minderjarige] per telefoon en het bijleggen van een ruzie tussen de man en de vrouw. De vrouw heeft dit terecht opgemerkt, maar uit het verslag van de begeleide omgang van 23 juni 2026 blijkt dat de omgangbegeleidster van [zorginstantie 1] de man hierop ook direct na afloop van dit eerste omgangsmoment heeft aangesproken en dat de man dit tijdens de volgende omgangsmomenten niet meer heeft gedaan.

4.7

Verder heeft de vrouw gesteld dat uit de rapportages van de omgang blijkt dat de man dure cadeaus zoals een elektrische fiets, Iphone en cadeaubonnen aan [minderjarige] heeft gegeven dan wel heeft beloofd. Uit de rapportages blijkt dit echt niet en de man heeft ook nadrukkelijk betwist dat dit het geval is geweest. De man heeft slechts een cadeaubon voor de vakantie aan [minderjarige] gegeven. De voorzieningenrechter leest in de omgangsverslagen niet dat de man andere, dure cadeaus aan [minderjarige] heeft gegeven of beloofd.

4.8

De omstandigheid dat de man tijdens het derde omgangsmoment een PlayStation had meegenomen om samen met [minderjarige] FIFA te kunnen spelen is ook geen reden om per direct de begeleide omgang via [zorginstantie 1] te beëindigen. Het is niet aan de vrouw om te bepalen welke activiteiten tijdens een begeleid omgangsmoment wel of niet mogen worden gedaan. De vrouw zal moeten proberen dit los te laten.

4.9

De vrouw heeft ook nog aangevoerd dat zij had verwacht dat [zorginstantie 1] haar voorafgaand aan de begeleide omgang zou hebben gevraagd om informatie over [minderjarige] over te dragen en dat dit niet is gebeurd. Er hebben echter afzonderlijke intakegesprekken met de vrouw en de man plaatsgevonden en het is aan de vrouw om belangrijke informatie over [minderjarige] met [zorginstantie 1] te delen. Voor zover dat nog niet is gebeurd, ligt het op de weg van de vrouw om dat alsnog te doen.

4.10

Samengevat heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de begeleide omgang via [zorginstantie 1] voor [minderjarige] onveilig, niet passend en kind onvriendelijk zou zijn.

4.11

Alles afwegend komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er onvoldoende grond is om af te wijken van de door beide partijen bij de voorzieningenrechter op 10 maart 2026 overeengekomen afspraak over de begeleide omgang via [zorginstantie 1] na te komen. De voorzieningenrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat het traject via [zorginstantie 1] zo spoedig mogelijk na de zomervakantie wordt hervat. [minderjarige] is immers gebaat bij een voorspelbare, stabiele en betrouwbare omgang met de man en uit het tussen evaluatieverslag van [zorginstantie 1] van 14 juli 2026 volgt dat de omgangsmomenten veilig en positief verlopen en dat de man en [minderjarige] zichtbaar plezier met elkaar hebben.

4.12

De vrouw heeft aangevoerd dat zij wil dat de omgang voortaan door [zorginstantie 2] zal worden begeleid en dat zij verwacht dat dit in september zal kunnen starten. Als partijen het daarover eens kunnen worden, dan staat het partijen uiteraard vrij om van omgangshuis te wisselen. Zolang dat niet het geval is, zullen partijen de eerder gemaakte afspraak ten aanzien van de begeleide omgang via [zorginstantie 1] moeten nakomen. De voorzieningenrechter zal daarom de vordering van de man toewijzen en de vrouw veroordelen tot nakoming van deze afspraak conform het proces-verbaal van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 maart 2026.

Dwangsom

4.13

De voorzieningenrechter vindt in dit geval oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen voor de vrouw. Het is duidelijk geworden dat de vrouw eenzijdig, zonder enig overleg met de man, de begeleide omgang via [zorginstantie 1] heeft beëindigd en dat de omgang tussen de man en [minderjarige] daardoor tot nu toe niet goed van de grond komt.

4.14

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de door de man gevorderde dwangsom te matigen tot € 50,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw tot nakoming in gebreke blijft en haar medewerking aan de begeleide omgang via [zorginstantie 1] weigert. De dwangsom zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,-.

Proceskosten

4.15

In de omstandigheid dat partijen samen de ouders zijn van [minderjarige], wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de overeenkomst van 10 maart 2026 alsmede het verlenen van integrale medewerking aan de begeleide omgang via [zorginstantie 1];

5.2

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 50,- voor iedere keer dat zij haar medewerking aan bovengenoemde begeleide omgang via [zorginstantie 1] weigert, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken op

17 augustus 2026.

MC

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.