Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:26888Zaaknummer SGR 26/5459
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Publicatiedatum
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- SGR 26/5459
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening afgewezen. Geen spoed. Verzoeker is 18 jaar en komt in beginsel niet meer in aanmerking voor jeugdhulp. Niet aannemelijk dat het uitblijven van jeugdhulp op dit moment een direct gevaar oplevert of onherstelbare gevolgen heeft.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/5459
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. K. Bergacker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van verzoeker om een jeugdhulpvoorziening. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 23 januari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoeker om jeugdhulp buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 1 juli 2026 heeft het college het bezwaar daartegen gegrond verklaard en het besluit van 23 januari 2026 herroepen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het college met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026, althans met onmiddellijke ingang, tot zes weken na de beslissing op bezwaar een voorschot op het persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt voor individuele begeleiding overeenkomstig de eerder, bij het besluit tot verlening van jeugdhulp van 20 maart 2025, verstrekte voorziening. Die zag op individuele begeleiding voor 75 uur per maand tegen een tarief van (geïndexeerd) € 96,54 per uur.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de vader] (vader van verzoeker, via een videoverbinding), de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en [naam] (werkzaam bij Kracht voor jeugd en gezin).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 2008, heeft niet-aangeboren hersenletsel. Verzoeker ontving daarom jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw).
Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college aan verzoeker jeugdhulp toegekend voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb, categorie 2, over de periode van 1 oktober 2024 tot 30 september 2024 voor 22 uur in de maand tegen het tarief van € 60,34 per uur.
Met de beslissing op bezwaar van 20 maart 2025 heeft het college het besluit van 15 oktober 2024 gewijzigd door aan verzoeker jeugdhulp toe te kennen voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 voor 75 uur per maand tegen het tarief van € 90,02 per uur.
In verband met het aflopen van de indicatie is het college onderzoek gestart naar de noodzaak, de omvang en de aard van de jeugdhulp. Met het besluit van 23 januari 2026 heeft het college de aanvraag om jeugdhulp buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 23 januari 2026 herroepen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat in een ambtshalve procedure artikel 4:5 van de Awb niet kan worden toegepast. Het college heeft daarom het onderzoek niet kunnen afsluiten door het buiten behandeling te stellen. Het onderzoek had betrekking op de noodzaak van jeugdhulp voor de periode na 31 december 2025. Het college acht zichzelf gehouden om die beoordeling te voltooien en daarover een inhoudelijk besluit te nemen. Het verzoek om voortzetting van de indicatie en toewijzing van het pgb kan in het kader van deze beslissing op bezwaar niet worden ingewilligd, aldus het college. Een dergelijke toewijzing veronderstelt namelijk een zorgvuldig onderzoek, dat nog zal worden uitgevoerd door Kracht voor jeugd en gezin.
4. Verzoeker legt aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag dat hij sinds 1 januari 2026 geen pgb meer ontvangt. De jeugdhulpaanbieder ( [instelling]) verlangt betaling van verzoeker en dreigt met stopzetting van de jeugdhulp. Het stopzetten van de individuele begeleiding zal onherstelbare gevolgen hebben voor verzoeker. Hij zal zowel thuis als op school achterstanden oplopen waardoor hij niet meer mee zal kunnen komen. De behaalde resultaten dreigen teniet te gaan.
5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of in afwachting van de behandeling van het beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Hij overweegt daarover als volgt.
Artikel 8:81 van de Awb bepaalt kort gezegd dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.
Uit artikel 1.1 van de Jw volgt dat de wetgever heeft gekozen voor een leeftijdsgrens van achttien jaar voor de jeugdige die in aanmerking kan komen voor jeugdhulp op grond van deze wet, met de mogelijk om bepaalde vormen van jeugdhulp voort te zetten (verlengde jeugdhulp). Jeugdhulp kan doorlopen tot het 23e levensjaar, maar uitsluitend voor zover deze hulp niet onder een andere wet valt. Veel vormen van zorg zijn vanaf het moment dat de jeugdige achttien jaar wordt verkrijgbaar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), Participatiewet of Zorgverzekeringswet. In die gevallen is jeugdhulp niet mogelijk.
Verzoeker is op [dag] 2026 achttien jaar geworden. Dit betekent dat hij niet meer onder de Jw valt. Verzoeker komt dan ook in beginsel niet meer in aanmerking voor jeugdhulp, omdat de Wmo een voorliggende voorziening is voor wat betreft individuele begeleiding.
Het voorgaande wordt niet anders door de stelling van verzoeker dat hij mogelijk niet in aanmerking komt voor een voorziening op grond van de Wmo, omdat de problemen die hij ondervindt niet zien op zijn participatie en zelfredzaamheid. De vraag of de hulp die het college op grond van de Wmo aan verzoeker kan bieden passend is, valt buiten de omvang van dit geding. Dit moet nader onderzocht worden. Het staat verzoeker vrij om in het kader van de behandeling van een nog in te dienen Wmo-aanvraag te onderbouwen welke voorzieningen volgens hem nodig zijn. Voorts loopt er op dit moment nog een onderzoek naar de vraag of het college (verlengde) jeugdhulp aan verzoeker moet verstrekken. Verzoeker is er vooralsnog niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het uitblijven van zorg op grond van de Jw op dit moment een direct gevaar oplevert of onherstelbare gevolgen voor hem heeft. Het is de voorzieningenrechter daarom niet gebleken van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. Of al dan niet sprake is van verboden gesplitste besluitvorming doordat het college het primaire besluit heeft herroepen zonder direct een nieuw inhoudelijk besluit te nemen kan hier, gezien het voorgaande, in het midden blijven.
Conclusie en gevolgen
6. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit van kracht blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.