Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:26887Zaaknummer SGR 26/5543

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
30 september 2026
Zaaknummer
SGR 26/5543
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Wmo maatwerkvoorziening individuele begeleiding en persoonlijke verzorging. ZIN toegekend. Onvoldoende geblekeken dat de afwijzing van het pgb voor persoonlijke verzorging voldoende recht doet aan de ondersteuningsbehoefte. Gedeeltelijke toekenning van het verzoek.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het college wordt opgedragen met ingang van 16 september 2026 tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar aan verzoeker een pgb te verstrekken voor persoonlijke verzorging voor 35 uur per maand tegen het tarief van € 39,22, geïndexeerd naar het tarief van 2026;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/5543

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon [minderjarige], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. K. Bergacker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het besluit van het college over jeugdhulp voor [minderjarige] op grond van de Jeugdwet (Jw). Verzoeker is het niet eens met het besluit van het college. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft met het bestreden besluit van 23 januari 2026 aan [minderjarige] jeugdhulp toegekend voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding in de vorm van zorg in natura. Met hetzelfde besluit heeft het college het verzoek om verlenging van de individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het college met terugwerkende kracht tot 16 maart 2026, althans met onmiddellijke ingang, tot zes weken na de beslissing op bezwaar een voorschot op het persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt overeenkomstig de bij het besluit tot verlening van jeugdhulp van 20 maart 2025 verstrekte voorziening. Die zag op individuele begeleiding voor 122 uur per maand tegen een tarief van (geïndexeerd) € 96,54 per uur en individuele begeleiding voor 35 uur per maand tegen een tarief van € 39,22 per uur.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (via een videoverbinding), de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en [naam] (werkzaam bij Kracht voor jeugd en gezin).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015, is bekend met een taalontwikkelingsstoornis, een autismespectrumstoornis en een lichte verstandelijke beperking.

3.1.

Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft het college aan [minderjarige] jeugdhulp toegekend. De jeugdhulp betreft individuele begeleiding, categorie 2, in de vorm van een pgb over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2025 voor 44 uur per maand tegen het formele tarief van € 60,34 per uur. Ook is aan [minderjarige] over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2025 een pgb voor persoonlijke verzorging toegekend voor 35 uur per maand tegen een tarief van maximaal € 39,22 toegekend.

3.2.

Met de beslissing op bezwaar van 20 maart 2025 heeft het college het besluit van 15 oktober 2025 gewijzigd door aan [minderjarige] jeugdhulp toe te kennen over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 6 oktober 2025 voor individuele begeleiding gedurende 122 uur per maand tegen een tarief van maximaal € 92,02 per uur en individuele begeleiding gedurende 35 uur per maand tegen een tarief van maximaal € 39,22 per uur.

3.3.

Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 heeft het college jeugdhulp aan [minderjarige] toegekend voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding binnen een dagbehandeling voor drie tot acht dagdelen per week, waarbij eerst wordt ingezet op individuele begeleiding. Gedurende het behandeltraject zal worden bekeken wat de mogelijkheden zijn om (deels) over te gaan naar groepsbegeleiding. De jeugdhulp wordt tot en met het schooljaar 2027-2028 toegekend. Het college heeft het verzoek om verlenging van de individuele begeleiding in de vorm van een pgb afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag dat deze hulp niet noodzakelijk is. Uit het onderzoek van het college is gebleken dat [minderjarige] gebaat is bij specialistische inzet. Hulpverlening zoals voorheen met het pgb werd ingekocht bij [instelling] is onvoldoende specialistisch en daarmee onvoldoende toereikend, aldus het college. Om te voorkomen dat in de periode van overdracht en overgang naar de vastgestelde passende jeugdhulp [minderjarige] zonder zorg komt te zitten, heeft het college het pgb voor individuele begeleiding verlengd tot 16 maart 2026.

4. Verzoeker legt aan zijn verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag dat de huidige jeugdhulpaanbieder [instelling] heeft aangekondigd dat de zorg zal worden beëindigd, tenzij er betaling komt. Individuele begeleiding en persoonlijke verzorging zijn noodzakelijk voor [minderjarige]. De voorziening die het college heeft toegewezen is niet adequaat. Als de individuele begeleiding en de persoonlijke verzorging worden beëindigd, heeft dat onomkeerbare gevolgen voor [minderjarige]. Hij zal niet meer goed kunnen functioneren en op alle leefgebieden vastlopen.

5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of in afwachting van de behandeling van het bezwaar een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

5.1.

Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt kort gezegd dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.

5.2.

Voor zover het verzoek ziet op het (met terugwerkende kracht) toekennen van een pgb voor individuele begeleiding tegen het tarief van € 96,54, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.3.

Het college heeft een maatwerkvoorziening voor begeleiding in zorg in natura verstrekt. Gelet op de motivering in het gezinsplan en de toelichting van het college daarop ter zitting, ziet de voorzieningenrechter niet op voorhand in waarom deze voorziening niet passend zou zijn. Verzoeker stelt in het bijzonder dat de toegekende voorziening niet passend is omdat het gaat om begeleiding in groepsvorm, terwijl uit het Sociaal Medisch Advies van Calder Werkt van oktober 2023 volgt dat [minderjarige] op dat moment behoefte had aan één op één begeleiding en dat hij niet kon functioneren in een groep. Uit het bestreden besluit en uit de toelichting van [naam] op zitting volgt evenwel dat de individuele begeleiding op basis van de huidige indicatie in eerste instantie op individuele basis zal plaatsvinden en de behandelaren zullen bekijken of [minderjarige] op termijn naar een groepsbehandeling kan worden overgeplaatst.

5.4.

In zoverre is er daarom geen sprake van een spoedeisend belang dat aanleiding geeft om in afwachting van de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening toe te kennen. Hierin ligt eveneens besloten dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om een pgb voor individuele begeleiding tegen het tarief van € 96,54 toe te kennen met terugwerkende kracht per 16 maart 2026.

5.5.

Voor zover het verzoek ziet op het (met terugwerkende kracht) toekennen van een pgb voor individuele begeleiding tegen het tarief van € 39,22 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.6.

Ter zitting is vast komen te staan dat het verzoek mede ziet op voortzetting van het pgb voor persoonlijke verzorging zoals toegekend bij het besluit van 15 oktober 2024. Met de beslissing op bezwaar van 20 maart 2025 is de toekenning van het pgb voor persoonlijke verzorging in stand gelaten, zij het onder de noemer van individuele begeleiding. Op grond van wat ter zitting is besproken gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat ondanks de andere benaming in feite beoogd is dezelfde voorziening toe te kennen.

5.7.

Vast staat dat [minderjarige] door zijn ontwikkelingsachterstand extra hulp en ondersteuning nodig heeft op het gebied van zijn persoonlijke verzorging. Uit het gezinsplan volgt dat de verzorging van dagelijkse opvang van [minderjarige] veel extra tijd en energie kost doordat hij, zeker met betrekking tot zijn persoonlijke verzorging, nog veel extra hulp en begeleiding nodig heeft.

5.8.

Uit de motivering van het bestreden besluit volgt onvoldoende waarom het college geen jeugdhulp heeft toegekend voor persoonlijke verzorging, terwijl dit over de periode van 1 oktober 2024 tot 6 oktober 2025 wel was toegekend (zij het onder de noemer van individuele begeleiding). Uit het gezinsplan volgt dat het college van mening is dat met toekenning van de individuele begeleiding als zorg in natura, die qua omvang is gericht op een schooldag en schoolweek, de moeder van [minderjarige] ontlast kan worden zodat er meer draagkracht ontstaat om de persoonlijke verzorging op te pakken. Hierdoor is volgens het college, zo begrijpt de voorzieningenrechter, geen jeugdhulp nodig voor wat betreft persoonlijke verzorging. De voorzieningenrechter acht deze onderbouwing onvoldoende, mede gelet op het feit dat de individuele begeleiding is toegekend voor 3 tot 8 dagdelen per week en het de bedoeling is, zoals op zitting is toegelicht, het aantal dagdelen dat [minderjarige] gebruik maakt van deze voorziening op te bouwen naar een schoolweek. Zeker bij een in eerste instantie beperkte omvang van de individuele begeleiding van 3 dagdelen is niet direct duidelijk hoe dat tot een zodanige verlichting van de opvoedtaken zou kunnen leiden dat het toekennen van 35 uren voor persoonlijke verzorging niet meer nodig zou zijn.

5.9.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat uit de motivering van het bestreden besluit onvoldoende volgt dat de afwijzing van het pgb voor persoonlijke verzorging voldoende recht doet aan de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige]. De voorzieningenrechter ziet daarom, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt, zoals hierna onder 6. omschreven.

5.10.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen met ingang van 16 maart 2026. [instelling] heeft na 16 maart 2026 de jeugdhulp voortgezet. Het toekennen van pgb met terugwerkende kracht ziet daarom op een financieel belang. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie of dat sprake is van een onomkeerbare op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel zou moeten worden gemaakt.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker met ingang van 16 september 2026 tot zes weken na de beslissing op bezwaar in aanmerking komt voor een pgb voor persoonlijke verzorging voor 35 uur per maand tegen het tarief van € 39,22, geïndexeerd naar het tarief van 2026, overeenkomstig de verstrekte voorziening bij het besluit tot verlening van 20 maart 2025.

6.1.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt hij dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 54,- vergoedt.

6.2.

De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het college wordt opgedragen met ingang van 16 september 2026 tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar aan verzoeker een pgb te verstrekken voor persoonlijke verzorging voor 35 uur per maand tegen het tarief van € 39,22, geïndexeerd naar het tarief van 2026;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.