Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 14 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:26615Zaaknummer C/09/695870 / FA RK 25-9305
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 23 september 2026
- Zaaknummer
- C/09/695870 / FA RK 25-9305
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
omgang, tussenbeschikking: onderzoek Raad voor de Kinderbescherming
De rechtbank:
bepaalt dat de moeder – via een door haar aan te dragen tussenpersoon – de vader maandelijks schriftelijk (via e-mail) informatie zal verschaffen over belangrijke aangelegenheden betreffende de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats], en daarbij een recente foto van [minderjarige] meestuurt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat vader) en [telefoonnummer 2] (advocaat moeder);
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot 1 maart 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.
| Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9305
Zaaknummer: C/09/695870
Datum beschikking: 14 augustus 2026
Omgang en informatieregeling
Beschikking op het op 27 november 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Batstra te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift van de zijde van de vader, ingekomen op 27 november 2025;
- het bericht van 24 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het verweerschrift van de zijde van de moeder, ingekomen op 29 juni 2026;
- het bericht van 2 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 2 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Op 3 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader met zijn advocaat en zijn begeleider, de heer. [naam 1];
- de moeder met haar advocaat;
- de heer [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] (roepnaam: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats].
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2019 zijn de verzoeken van de vader ter zake de vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- een opbouwende omgangs-/contactregeling vast te stellen, waarbij:
- de vader één keer per maand een kaart mag sturen naar [minderjarige];
- partijen worden verwezen naar een omgangshuis om aldaar begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden;
- [minderjarige] nadat het traject bij het omgangshuis is afgerond een paar uur per week, nader tussen partijen in onderling overleg (bij het omgangshuis) te bepalen, bij de vader verblijft;
- te bepalen dat de Raad opnieuw onderzoek doet naar de mogelijkheden tot het bepalen van een omgang-/contactregeling tussen de vader en [minderjarige];
- te bepalen dat de vader iedere zaterdagochtend om 10:00 uur een belmoment heeft met [minderjarige], welke de moeder zal faciliteren;
- een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de vader iedere maand per e-mail informeert over hoe het gaat met [minderjarige] op school, zijn buitenschoolse activiteiten, zijn psychische en sociale welzijn en zijn medische gezondheid alsmede een recente kleurenfoto van [minderjarige] mailt,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer. Zij verzoekt primair de verzoeken van de vader met betrekking tot omgang, belmomenten en een informatieregeling af te wijzen, en subsidiair de Raad onderzoek te laten verrichten naar de vraag of omgang, belcontact en een informatieregeling in het belang van [minderjarige] kan worden geacht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De relatie tussen partijen is eind 2017 geëindigd. [minderjarige] was toen enkele maanden oud. Het staat vast dat de vader huiselijk geweld heeft gepleegd tegen de moeder. Hiervoor is hij ook veroordeeld. Medio 2018 heeft de vader de rechtbank (onder meer) verzocht een omgangsregeling vast te stellen. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek te verrichten. Hoewel de Raad destijds heeft geadviseerd omgang tussen vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden onder begeleiding van een hulpverlenende instantie, heeft de rechtbank bij beschikking van 17 april 2019 de verzoeken van de vader ter zake de vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. Vader heeft [minderjarige] na het einde van de relatie tussen partijen niet meer gezien.
Standpunt vader
De vader wenst contactherstel tussen hem en [minderjarige]. Hij geeft aan dat hij [minderjarige] al jaren niet heeft gezien en dat hij [minderjarige] mist. De vader erkent dat hij in het verleden verkeerde keuzes heeft gemaakt, maar hij stelt na een heftig motorongeluk twee jaar geleden te zijn veranderd. Iedereen in zijn omgeving kan dit beamen. Volgens de vader is contactherstel niet alleen in zijn belang, maar ook in het belang van [minderjarige]. Eventuele angsten bij [minderjarige] kunnen hierdoor worden verminderd en zij kunnen elkaar leren kennen. De vader begrijpt dat, gelet op de voorgeschiedenis tussen de ouders, contactherstel zorgvuldig en stapsgewijs dient plaats te vinden. Tevens geeft hij aan begrip te hebben voor de angsten van moeder en haar PTSS. De vader zou graag de mogelijkheid willen hebben om [minderjarige] af en toe een kaart te sturen zodat [minderjarige] weet wie zijn vader is. Daarnaast zou hij graag één keer per maand een e-mail van de moeder ontvangen met relevante informatie over [minderjarige]. Tot slot vindt de vader het belangrijk dat wordt toegewerkt naar het laten plaatsvinden van belmomenten en begeleide omgang. Verzocht wordt ook de Raad opnieuw onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden voor contactherstel.
Standpunt moeder
De moeder geeft aan psychische en lichamelijke schade over te hebben gehouden aan de relatie met de vader. Volgens haar ondervindt [minderjarige] hiervan ook de gevolgen. De moeder verblijft op een geheim adres. Zij vreest dat de vader, indien zijn verzoeken worden toegewezen, haar verblijfplaats zal kunnen achterhalen of anderszins nadere informatie over haar kan verkrijgen. De gedachte aan enige vorm van contact of informatieverstrekking is voor haar al bedreigend. Volgens de moeder kan de veiligheid van haar en [minderjarige] onder de huidige omstandigheden onvoldoende worden gewaarborgd. Tevens voert de moeder aan dat het al langere tijd niet goed genoeg gaat met [minderjarige] om een traject gericht op contactherstel te starten. Volgens haar zou het forceren van contact een ernstige verstoring van de rust en ontwikkeling van [minderjarige] betekenen. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij begrijpt dat de vader zijn zoon wil leren kennen, maar acht op dit moment een beperkte informatieregeling het maximaal haalbare. Daarvoor heeft zij iemand uit haar directe omgeving bereid gevonden om maandelijks namens haar informatie over [minderjarige] aan de vader te verstrekken.
Standpunt Raad
De Raad begrijpt de wens van vader om contact met [minderjarige] op te bouwen en heeft daarbij opgemerkt dat het, wanneer een ouder geen informatie over zijn kind heeft, op een later moment moeilijker kan zijn om aansluiting te vinden. In dat licht bezien acht de Raad een informatieregeling van belang. Gelet op de complexe voorgeschiedenis tussen de ouders is omgang volgens de Raad op dit moment nog niet aan de orde. De moeder en [minderjarige] hebben naar het oordeel van de Raad meer tijd nodig voor herstel en om te wennen aan de gedachte dat de vader een plek zal krijgen in het leven van [minderjarige].
Beoordeling rechtbank
De moeder heeft voldoende toegelicht dat haar situatie en die van [minderjarige] op dit moment heel kwetsbaar zijn. De moeder is gezien haar ervaringen in het verleden zeer angstig voor de vader. Zij heeft er geen vertrouwen in dat de vader (voldoende) is veranderd en ervaart geen draagkracht voor het opstarten van omgang tussen de vader en [minderjarige].
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belang van de moeder en [minderjarige] bij het hebben van rust op dit moment zwaarder weegt dan het belang van vader bij het leren kennen van [minderjarige] en het hebben van omgang met hem. Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat de moeder – als enige verzorgster van [minderjarige] – overeind blijft. Onder de huidige omstandigheden ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor het opstarten van begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige]. De rechtbank is wel van oordeel dat het van belang is dat er meer duidelijkheid komt over de vraag of er ruimte is om in de toekomst contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen. Zij ziet dan ook aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.
De rechtbank zal de Raad verzoeken een onderzoek in te stellen, daarover te rapporteren en de rechtbank van advies te voorzien. Aan de Raad worden de volgende onderzoeksvragen voorgelegd:
- Bestaat er op termijn perspectief op omgang tussen de vader en [minderjarige] ?
- Zo ja, welke voorwaarden en stappen zijn nodig om omgang tussen de vader en [minderjarige] zorgvuldig tot stand te brengen?
In afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek zal de rechtbank iedere verdere beslissing omtrent de omgang pro forma aanhouden tot na te noemen datum.
Nu de moeder heeft aangegeven bereid te zijn maandelijks via een tussenpersoon informatie over [minderjarige] aan de vader te verschaffen, zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een informatieregeling worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de moeder – via een door haar aan te dragen tussenpersoon – de vader maandelijks schriftelijk (via e-mail) informatie zal verschaffen over belangrijke aangelegenheden betreffende de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats], en daarbij een recente foto van [minderjarige] meestuurt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat vader) en [telefoonnummer 2] (advocaat moeder);
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot 1 maart 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.
| Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.