Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 21 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:23584Zaaknummer NL26.28985 en AWB 26 8382

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.28985 en AWB 26 8382
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel, HTL en art. 56 Vw, ongegrond.

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, op 21 augustus 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.28958 en AWB 26/8382

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep[_cf2608fc-1c2b-4085-b103-4d2433df674c] is gericht tegen het besluit van het COa van 24 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 24 april 2026 in de HTL[_fc92bb60-a2e3-43fc-a2d4-05e622cf0295] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit).[_b56151f2-53fa-476e-93ec-87460034c149] Het tweede beroep[_89f8d56a-fc85-4b87-a058-0f39210120fd] van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw[_a50434ec-6739-4b54-ae52-06f960e0a6bc] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

1.1.

Eiser heeft op 22 mei 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op

11 augustus 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

1.2.

De vrijheidsbeperkende maatregel is op 20 juli 2026 opgeheven, omdat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op opvang.

1.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen en de minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

De feitelijke verslaglegging van het incident

3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. Kort samengevat komt dit op het volgende neer.

Op 16 april 2026 voerde eiser schoonmaakwerkzaamheden uit die hem waren opgelegd als leermaatregel. De werkzaamheden hielden in dat eiser de ramen van het gebouw diende te wassen. Eiser heeft tijdens de uitvoering van de maatregel dreigende teksten geuit: ‘Moet ik deze trap door de ruit gooien?’ en ‘Ik ga jullie COa allemaal neuken.’ COa-medewerkers en beveiligingsmedewerkers hielden door het gedrag van eiser afwisselend, soms gezamenlijk, toezicht terwijl eiser de ramen waste. Eiser heeft daarnaast tijdens de uitvoering van de leermaatregel met gebalde vuist gedreigd, Glassex-spray in het gezicht van een beveiligingsmedewerker gesprayd en een schoonmaakdoek op de grond gegooid en bij het oppakken daarvan zand en stenen van de grond gepakt die in het gezicht van een beveiligingsmedewerker terecht kwamen.

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat het plaatsingsbesluit niet in stand kan blijven en voert ten aanzien van het incident het volgende aan. Eiser stelt dat hij tijdens het ramen wassen om een pauze had gevraagd om een sigaret te roken, maar dat dit verzoek werd geweigerd. Volgens eiser was dit een redelijk verzoek, vooral omdat hij al twee dagen schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Daarnaast kampt eiser met slaapproblemen en had hij herhaaldelijk aangegeven dat hij wilde slapen. Ook stelt eiser dat het feit dat drie personen toezicht hielden en hem tijdens zijn werkzaamheden observeerden, buitenproportioneel was en ertoe heeft bijgedragen dat de impact van het incident onnodig groot is gemaakt. Eiser heeft dit als vernederend ervaren. Daarnaast stelt eiser dat hij op commando de ramen moest schoonmaken nadat de beveiligingsmedewerker deze had natgespoten, dit heeft volgens hem niet de-escalerend gewerkt. Eiser vindt het daarnaast opmerkelijk dat medewerkers actief hebben deelgenomen aan de opgelegde schoonmaakmaatregel. Verder stelt eiser dat er met Glassex op hem is gespoten om hem te pesten. Eiser acht deze verklaring aannemelijk en geloofwaardig, omdat uit de verslaglegging blijkt dat een van de beveiligingsmedewerkers de Glassex-spuit heeft afgepakt. Daarnaast stelt eiser dat hij door de toezichthouders op de grond is gegooid en op zijn rug is geslagen. Volgens eiser heeft hij daarop uit zelfverdediging een hand zand gepakt. Ten slotte voert eiser aan dat uit het feit dat de politie geen aangifte heeft willen opnemen, kan worden afgeleid dat de impact van het incident niet groot of zeer groot was. Volgens eiser volgt dat evenmin uit het tijdsverloop tussen het incident en de oplegging van de HTL-maatregel.

4.1.

Ook vindt eiser dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en medische situatie. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser medische informatie ingebracht van zijn asieladvocaat en ook brieven van deze advocaat van 22 april 2026 en 23 april 2026. Gelet op deze medische situatie stelt eiser dat van plaatsing in de HTL had moeten worden afgezien omdat eiser HTL ongeschikt is. Eiser is van mening dat de beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, omdat de minister op de hoogte was van zijn psychische en medische situatie, maar hier bij het opleggen van het plaatsingsbesluit onvoldoende rekening mee heeft gehouden.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid[_5e31d890-64c3-4965-80df-a3fa70c587d0] en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Het COa kan volgens het Maatregelenbesluit in twee gevallen een HTL-maatregel opleggen: na één incident met een zeer grote impact, of bij eerdere incidenten met een grote of zeer grote impact.[_74289a5c-c351-4895-b006-5712a71e27f8] In dit geval is volgens het COa van beide situaties sprake. Er is sprake van een incident met zeer grote impact én van eerdere incidenten met een (zeer) grote impact. De rechtbank is van oordeel dat het COa het beschreven incident op 16 april 2026 terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. De gedragingen van eiser zijn te kwalificeren als gedrag met de intentie om de ander ernstig te kleineren of te bedreigen, en als gedrag met de intentie om een ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Uit de feitelijke verslaglegging van het COa volgt namelijk dat eiser met een Glassex-spuit in het gezicht van een beveiligingsmedewerker heeft gespoten en zand en stenen in zijn gezicht heeft gegooid. Daarnaast heeft eiser gedreigd, zowel met woorden als met het ballen van zijn vuist. De eerdere incidenten die het COa aan het plaatsingsbesluit ten grondslag legt, vonden plaats van 4 maart 2026 tot 16 april 2026 en zijn benoemd in bijlage 1 van het besluit. Het betreffen 12 incidenten die in een zeer korte periode hebben plaatsgevonden en die alle een grote of zeer grote impact hebben gehad.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De stellingen van eiser dat hij zelf nat is gespoten met de Glassex, door de toezichthouders op de grond is gegooid en op zijn rug is geslagen en daarom uit zelfverdediging handelde, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Daarnaast zijn deze stellingen niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft begrip voor de opmerking van eiser dat de omstandigheden waaronder de leermaatregel werden uitgevoerd, niet helpend waren. Desondanks rechtvaardigt dit het gedrag van eiser niet en ligt de leermaatregel ook niet ter toetsing voor. De rechtbank oordeelt dat het tijdsverloop tussen het incident en de uiteindelijke maatregel en het feit dat de politie geen aangifte wilde opnemen, niet af kan doen aan de ernst van de gedragingen van eiser. De tijd die het kost om de maatregel op te leggen en te motiveren doet niet af aan de ernst van het incident of aan de impact die dit heeft gehad op de betrokkenen. Eisers grond slaagt niet.

6. De beroepsgrond van eiser dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische situatie en dat hij HTL ongeschikt is, slaagt niet. De minister heeft in haar mail van 15 april 2026, waarin het GZA[_7d83b5d6-425a-4c40-b7a4-bdbf40e47532] om advies werd gevraagd, zorgelijke signalen aangekaart, zoals de psychische klachten van eiser en zijn suïcidaliteit. Het GZA heeft op 16 april 2026 via de mail aangegeven geen bezwaar te zien tegen eiser zijn komst. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit advies van het GZA te twijfelen. Eiser heeft medische stukken en brieven van zijn asieladvocaat overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de HTL een negatief effect heeft op zijn psychische gezondheid. Het gestelde negatieve effect door de HTL-plaatsing blijkt daar echter niet concreet uit.

Vrijheidsbeperkende maatregel

7. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.

8.1.

Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, op 21 augustus 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.