Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 31 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:23577Zaaknummer AWB 24/7650, AWB 24/7651, AWB 24/11016 en AWB 24/11017

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
AWB 24/7650, AWB 24/7651, AWB 24/11016 en AWB 24/11017
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Richtlijn Tijdelijke Bescherming en asielaanvraag – Procesbelang ontbreekt – Wel belang bij beroepen tegen terugkeerbesluiten Oekraïne – Die beroepen zijn gegrond.

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en bestreden besluiten 2 voor zover deze betrekking hebben op de buitenbehandelingstelling van de asielaanvragen, niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten 2 voor zover deze zien op de terugkeerbesluiten, gegrond;

- vernietigt bestreden besluiten 2 voor zover deze zien op de terugkeerbesluiten van eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S Feijtel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. De zaak in het kort
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 24/7650, AWB 24/7651, AWB 24/11016 en AWB 24/11017

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer 1], eiser, en [eiseres], V-nummer: [v-nummer 2], eiseres, hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. ir. H.H. Veurtjes),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).

De zaak in het kort

Verweerder heeft vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. Ook heeft verweerder hun asielaanvragen buiten behandeling gesteld, omdat zij die aanvragen niet in het aanmeldcentrum in Ter Apel hebben geformaliseerd. Daarnaast heeft verweerder aan eisers terugkeerbesluiten opgelegd, waarbij Oekraïne als land van terugkeer is aangewezen. De rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen de vaststelling dat zij niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming en tegen de buitenbehandelingstelling van hun asielaanvragen. Die beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Eisers hebben wel belang bij een beoordeling van de terugkeerbesluiten. De beroepen tegen die besluiten zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze uitkomst komt.

Procesverloop

Bij besluiten van 23 februari 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn).

Bij besluiten van 18 april 2024 (bestreden besluiten 1) heeft verweerder de daartegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Op 30 april 2024 hebben eisers beroepen ingesteld tegen bestreden besluiten 1.

Bij besluiten van 26 juni 2024 (bestreden besluiten 2) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen), buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft daarnaast aan eisers terugkeerbesluiten opgelegd.

Op 4 juli 2024 hebben eisers beroepen ingesteld tegen bestreden besluiten 2.

De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Totstandkoming van de bestreden besluiten 1 en 2

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum 1] 1977, en eiser, geboren op [geboortedatum 2] 1990, hebben de Oekraïense nationaliteit. Eisers hebben zich ingeschreven bij de gemeente in de basisregistratie personen (brp) met als doel rechtmatig verblijf in Nederland te verkrijgen. Zij hebben zich op 23 februari 2024 gemeld bij het IND-loket in Amsterdam. Verweerder heeft bij bestreden besluiten 1 vastgesteld dat zij niet aan de voorwaarden van de Richtlijn voldoen. In bestreden besluiten 1 staat ook vermeld dat als eisers de asielprocedure willen doorlopen, zij zich binnen twee weken moeten melden in het aanmeldcentrum in Ter Apel. Omdat eisers zich niet hebben gemeld in Ter Apel, heeft verweerder bij bestreden besluiten 2 de asielaanvragen van eisers buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De beroepsgronden van eisers

2. Volgens eisers heeft verweerder bij bestreden besluiten 1 ten onrechte getoetst aan de werking van de Richtlijn. Zij stellen dat het verweerder direct na hun aanmelding duidelijk behoorde te zijn dat zij niet in aanmerking kwamen voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Verder stellen eisers dat ten onrechte geen verslag is gemaakt van hun aanmeldgesprek en dat daar geen tolk bij aanwezig was. Zij doen ook een beroep op de hoorplicht in bezwaar. Daarnaast menen eisers dat hun asielaanvraag had moeten worden geconverteerd in een aanvraag om een tijdelijke reguliere verblijfsvergunning van humanitaire aard.

3. Volgens eisers heeft verweerder in de bestreden besluiten 2 onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Zij hebben hun asielaanvragen ingediend bij het IND-loket in Amsterdam en zijn er niet op gewezen dat zij daarvoor in persoon in Ter Apel moesten verschijnen. Het was volgens eisers bovendien onmogelijk om de asielaanvragen in Ter Apel in te dienen vanwege de overbelasting van het aanmeldcentrum. Het kan hun daarom niet worden tegengeworpen dat zij niet hebben voldaan aan het wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, onder a, van de Awb en artikel 3:108 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Ter zitting is namens eisers nog aangevoerd dat er geen grond bestond om hun asielaanvragen buiten behandeling te stellen. Eisers hebben zich alleen gemeld bij het IND-loket in Amsterdam om te kunnen werken. Ze hadden niet de bedoeling om een verzoek om internationale bescherming in te dienen in Nederland asiel aan te vragen en hebben ook geen asielaanvraag ingediend. Er is immers geen M35-H-formulier door hen ondertekend en zij hebben zich niet gemeld in Ter Apel.

De beoordeling van de beroepsgronden

Tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn en asielaanvragen

4. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of eisers procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen de vaststelling dat zij niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming en tegen de buitenbehandelingstelling van hun asielaanvragen. Nu eisers bij de melding bij het IND-loket niet de bedoeling hadden om een verzoek om internationale bescherming in te dienen, is de rechtbank van oordeel dat het procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep ontbreekt. Verweerder heeft ter zitting nog opgemerkt dat eisers, als zij verblijf willen aanvragen voor werk of op een andere grond dan internationale bescherming, de daarvoor bestemde procedures moeten doorlopen.

5. De beroepen gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 2 worden, voor zover het betreft de vaststelling dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn en de afwijzing van de asielaanvragen, niet-ontvankelijk verklaard.

Terugkeerbesluiten

6. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedigen (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, punt 35). Het beginsel van non-refoulement houdt in dat een vluchteling niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven of vrijheid ernstig wordt bedreigd.

7. Vastgesteld wordt dat de bestreden besluiten 2 geen kenbare motivering bevatten met betrekking tot het beginsel van non-refoulement. Voor zover verweerder stelt dat er nog geen landenbeleid geldend is in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van (thans geldend) Verordening 2024/1347 (Kwalificatieverordening) en hij dan ook niet is gehouden te toetsen aan het beginsel van non-refoulement, wordt hij hierin niet gevolgd. Het arrest Ararat bevat voor deze conclusie namelijk geen concrete aanknopingspunten. Er zijn tegen eisers terugkeerbesluiten uitgevaardigd, waardoor het op de weg van verweerder had gelegen te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van die terugkeerbesluiten. Verweerder heeft dit echter niet gedaan. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

8. Gelet op het voorgaande moeten de bestreden besluiten voor zover deze betrekking hebben op de terugkeerbesluiten worden vernietigd. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

Uitkomst

9. De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om te volstaan met vernietiging van de terugkeerbesluiten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en de bestreden besluiten 2 voor zover deze zien op de buitenbehandelingstelling van de asielaanvragen van eisers, niet-ontvankelijk worden verklaard.

10. Omdat de beroepen tegen bestreden besluiten 2 voor zover deze zien op de terugkeerbesluiten gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften tegen bestreden besluiten 2 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De zaken worden als samenhangend aangemerkt in de zin van artikel 3, eerste en tweede lid, van het Bpb.

11. Nu de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, hoeft verweerder het voor deze beroepen betaalde griffierecht niet te vergoeden. Voor de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 is geen griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en bestreden besluiten 2 voor zover deze betrekking hebben op de buitenbehandelingstelling van de asielaanvragen, niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten 2 voor zover deze zien op de terugkeerbesluiten, gegrond;

- vernietigt bestreden besluiten 2 voor zover deze zien op de terugkeerbesluiten van eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S Feijtel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

  • Artikel 3:108 VB

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.