Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 20 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23315Zaaknummer C/09/708146 / FA RK 26-6625
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Publicatiedatum
- 3 september 2026
- Zaaknummer
- C/09/708146 / FA RK 26-6625
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Internationale kinderontvoering - voorlopige voogdij
Beslissing
De kinderrechter:
*
belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met de
voorlopige voogdij over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats], [geboorteland] van 20 juli 2026 tot het moment – voor zover het verzoek van de vader
tot teruggeleiding van [minderjarige] zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding
ten uitvoer zal zijn gelegd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor het overige aan tot de zitting ten
overstaan van de meervoudige kamer op 6 augustus 2026 om 15:30 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat;
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
- de bijzondere curator;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Lemmens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026. |
| Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team Familie
Zaaksgegevens: C/09/708146 / FA RK 26-6625
Datum uitspraak: 17 juli 2026 (bij vervroeging)
Internationale kinderontvoering / voorlopige voogdij
in de zaak naar aanleiding van het op 30 juni 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de vader],
de vader,
wonende in [land],
advocaat: mr. A.L. Weterings in Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.T. Wernsen te Voorburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de Raad voor de kinderbescherming,
hierna de Raad;
en
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de regiezitting van 14 juli 2026, in aanwezigheid van:
- de vader, bijgestaan door mr. J.H. Weermeijer-Patist als waarnemend advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de tolk, P. Karpinska die beide ouders heeft bijgestaan in de Poolse taal;
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar Polen, meer specifiek [adres] te [plaats], dan wel – indien de moeder nalaat [minderjarige] terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Polen;
- op grond van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige];
- te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld tot voldoening van de proceskosten van de vader, zijnde advocaatkosten van € 3.025,- incl. BTW, alsmede griffierechten ad € 341,- en de kantoorkosten ad € 75,-, te vermeerderen met reis- en verblijfskosten en
eventuele kosten voor het aanvragen van een (voorlopig) reisdocument en de reis- en
verblijfkosten van de vader en [minderjarige] indien de vader [minderjarige] dient op te halen om terug te keren naar Polen;
- althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie acht,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft zich ten aanzien van het verzoek om een gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de overige verzoeken heeft de moeder nog geen verweer gevoerd.
Feiten
- De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van 22 augustus 2009. Bij beslissing van 22 maart 2018 van de districtsrechtbank in Warschau, 6de Afdeling Gezin en Minderjarigen is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats], [geboorteland].
- Bij beslissing van 22 maart 2018 van de districtsrechtbank in Warschau, 6de Afdeling Gezin en Minderjarigen is ook – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat beide ouders het ouderlijk gezag over [minderjarige] hebben;
- bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben;
- een zorgregeling met de vader vastgesteld waarbij [minderjarige] elk tweede even weekend per maand bij de vader is.
- Bij beslissing van 22 juni 2022 van de districtsrechtbank in Warschau, 6de Afdeling Gezin en Minderjarigen is, met wijziging van de beslissing van 22 maart 2018, bepaald dat voor de duur van de procedure, de verblijfplaats van [minderjarige] telkens de woonplaats van haar vader zal zijn.
- Bij beslissing van 18 november 2022 van de districtsrechtbank in Warschau, 6de Afdeling Gezin en Minderjarigen is, met wijziging van de beslissing van 22 maart 2018, – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt toevertrouwd aan haar vader (en aldus bepaald dat de verblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal zijn), en zodoende het ouderlijk gezag van de moeder beperkt wordt voor wat betreft het meebeslissen over belangrijke zaken van het kind op het gebied van gezondheid, onderwijs en buitenlandse reizen van meer dan zeven dagen;
- een omgangsregeling met de moeder vastgesteld waarbij [minderjarige] elk tweede even weekend per maand bij de moeder is.
- De vader, de moeder en [minderjarige] hebben allen de Poolse nationaliteit.
- De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 250121.
Beoordeling
De vader is een teruggeleidingsprocedure gestart bij deze rechtbank voor de teruggeleiding van [minderjarige] naar Polen en verzoekt op grond van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige]. De vader voert aan dat de moeder [minderjarige] meer dan drie jaar verborgen heeft gehouden voor zowel de autoriteiten in Polen als in Nederland. Volgens de vader bestaat er vanwege dit verleden een grote kans dat de moeder [minderjarige] daarom naar een ander land zal overbrengen dan wel elders in Nederland zal verstoppen.
De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij en haar gezin in Nederland zijn ingeschreven, maar heeft zich verder ten aanzien van het verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De Raad heeft op de zitting aangegeven een meerwaarde te zien in het verzoek om een gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij. Het is de moeder kennelijk gelukt om jaren onder de radar te blijven. In het systeem van de Raad is ook niet zichtbaar dat de moeder in Nederland is ingeschreven. Daarnaast kan een voorlopige voogdij helpend zijn om contactherstel tussen de vader en [minderjarige] te faciliteren, maar ook voor na de eindbeslissing in de procedure.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank kan op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet op verzoek of ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over een kind, indien het gevaar bestaat dat het kind wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding zoals bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de moeder zonder toestemming van de vader met [minderjarige] uit Polen is vertrokken. De vader is er uiteindelijk via de autoriteitenrachter gekomen dat [minderjarige] in Nederland is. De moeder stelt dat zij in Nederland is ingeschreven met haar gezin, maar gelet op het verleden van partijen kan de rechtbank niet uitsluiten dat de moeder weer met [minderjarige] zal vertrekken. De rechtbank is van oordeel dat er bij de vader een gerechtvaardigde vrees voor eventuele doorontvoering bestaat. De rechtbank kan ook niet uitsluiten dat de moeder [minderjarige] zal onttrekken aan tenuitvoerlegging van een eventueel bevel tot teruggeleiding.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de gecertificeerde instelling, Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige]. Deze gecertificeerde instelling is bereid de voogdij op zich te nemen in dergelijke zaken.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding aan tot de
hierna te melden zitting.
Beslissing
De kinderrechter:
*
belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met de
voorlopige voogdij over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats], [geboorteland] van 20 juli 2026 tot het moment – voor zover het verzoek van de vader
tot teruggeleiding van [minderjarige] zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding
ten uitvoer zal zijn gelegd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor het overige aan tot de zitting ten
overstaan van de meervoudige kamer op 6 augustus 2026 om 15:30 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat;
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
- de bijzondere curator;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Lemmens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026. |
| Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.