Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 18 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:23259Zaaknummer NL25.58620

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.58620
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar, Turkse zelfstandige. Belang verzoeker om bezwaar in Nederland af te wachten weegt zwaarder dan belang verweerder om verzoeker uit te zetten. Vovo toegewezen

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op zijn bezwaar is beslist;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden; en

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.58620

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1985, van Turkse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Aydin),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2022 afgewezen.

2.1.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist. Met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 27 november 2025[_5784f88e-87aa-4d0a-9114-e107de0c050b] heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

2.2.

Op 28 november 2025 heeft verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit is het verzoek dat in deze uitspraak ter beoordeling voorligt. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.N. Arikan als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrond

3. Verzoeker heeft sinds [datum] 2017 een eenmanszaak ‘[naam]’.

3.1.

Op 27 maart 2017 heeft verzoeker voor de eerste keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ bij [naam]. De minister heeft deze aanvraag op 28 juli 2017 afgewezen en een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin stond dat verzoeker Nederland binnen vier weken moest verlaten. De afwijzing is in rechte vast komen te staan met de beslissing op bezwaar van de minister van 20 juni 2018.

3.2.

Verzoeker heeft op 31 januari 2022 opnieuw een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als zelfstandige’ bij [naam].

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet beschikt over een geldige mvv[_2c3546bf-b033-4556-bfeb-15f14214cae8]. Verzoeker wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf als zelfstandig ondernemer. Verzoeker heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient. Verzoeker heeft weliswaar een ondernemingsplan en onderbouwende stukken overgelegd, maar de minister acht dit onvoldoende om de aanvraag voor te leggen aan de minister van EZK[_120cd7ff-a5fa-45a6-b64b-7605637dedc8] die beoordeelt of sprake is van een wezenlijk Nederlands belang. Tot slot is niet gebleken dat het niet verlenen van vrijstelling van het mvv-vereiste in het geval van verzoeker leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Verzoek om een voorlopige voorziening

5. Verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.

5.1.

Wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Op grond van artikel 8:81 van de Awb[_b28df5c8-c2f1-49f7-937a-9281eee871e2] gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisendheid

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat verzoeker de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Dat er nog geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoeker uit te zetten, zoals de minister heeft betoogd, is niet relevant. Het feit dat verzoeker verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.[_c8a0f1f2-6589-40f7-ab7f-e622c4cef0e6]

Redelijke kans van slagen

7. De minister stelt zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter zich in de uitspraak van 27 november 2025 heeft uitgelaten over de redelijke kans van slagen van het bezwaar. Verzoeker heeft in deze procedure geen stukken ingediend die tot een ander oordeel leiden dan dat van de voorzieningenrechter in die uitspraak.

7.1.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Anders dan in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 neemt deze voorzieningenrechter aan dat er sprake is van spoedeisend belang. Daarmee is het toetsingskader niet of het bestreden besluit van de minister evident onrechtmatig is, maar of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Gelet op de hoeveelheid stukken die verzoeker heeft overgelegd, ook na de uitspraak van 27 november 2025, leent deze procedure zich niet voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter zal zich dan ook beperken tot een belangenafweging.

Belangenafweging

8. De voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om het bezwaar in Nederland te mogen afwachten af tegen het belang van de minister om vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven uit te zetten.

8.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de minister ter zitting heeft gemeld dat verzoeker voor het eind van het jaar een beslissing op zijn bezwaar kan verwachten. Gelet op het feit dat het bestreden besluit dateert van 12 mei 2022 acht de voorzieningenrechter de laatste vier maanden die het nog zou duren voordat er een beslissing op het bezwaar van verzoeker wordt genomen een relatief korte termijn. Bij deze stand van zaken weegt het belang van de minister bij spoedige uitzetting van verzoeker in dit geval dan ook minder zwaar dan het belang van verzoeker om die beslissing op het bezwaar in Nederland af te mogen afwachten.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat minister op het bezwaar heeft beslist.

9.1.

Omdat het verzoek is toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op zijn bezwaar is beslist;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden; en

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.