Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 14 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23120Zaaknummer NL26.44667
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.44667
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Asiel. Asiel- en migratiebeheerverordening. Frankrijk. Draagwijdte van het rechtsmiddel. De situatie in Frankrijk en de belangen van het kind. Beroep kennelijk ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44667
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer]
mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 31 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 4 juli 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiseres eerder in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Verweerder heeft de autoriteiten van Frankrijk hiervan kennisgegeven. Zij hebben de ontvangst daarvan bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening, hierna: AMBV).
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder de verantwoordelijkheid van Frankrijk niet enkel mag baseren op een Eurodac-registratie. Ook voert zij aan dat zij ten onrechte niet is gehoord over haar bezwaren tegen overdracht aan Frankrijk, en dat zij niet op een zorgvuldige wijze in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaren schriftelijk kenbaar te maken. Verder voert eiseres aan dat verweerder er niet zonder nader onderzoek vanuit mag gaan dat zij na overdracht aan Frankrijk toegang zal hebben tot adequate opvangvoorzieningen en een zorgvuldige asielprocedure. Daarbij voert eiseres aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van haar kinderen. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder haar asielaanvraag ten onrechte niet onverplicht in behandeling heeft genomen op grond van de discretionaire bepaling van de AMBV.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In artikel 43, eerste lid, van de AMBV is de draagwijdte van dit beroep bepaald. Hieruit volgt dat de rechtbank niet ingaat op wat eiseres aanvoert over de verantwoordelijkheid van Frankrijk, het niet kunnen uiten van bezwaren voorafgaand aan het overdrachtsbesluit en de toepassing van de discretionaire bepaling.
5. Wel moet worden ingegaan op de stellingen van eiseres over de situatie in Frankrijk en de belangen van haar kinderen in dat verband, voor zover die mogelijk raken aan het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit verbod zou in het geding zijn als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar kinderen na overdracht in een dergelijke situatie terecht zullen komen. De enkele en niet onderbouwde stelling dat eiseres eerder in Frankrijk geen toegang had tot een zorgvuldige asielprocedure is daartoe niet voldoende.
6. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.