Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22865Zaaknummer C/09/706098 / KG ZA 26-570
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/706098 / KG ZA 26-570
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
eindvonnis kort geding; nakoming zorgregeling, contact-en straatverbod
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling, zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2026;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
wijst de vorderingen af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Klerk en in het openbaar uitgesproken op15 juli 2026.
AW
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706098 / KG ZA 26-570
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats],
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. J.S. Dijkstra te Den Haag,
tegen:
[de moeder] wonend op een geheim adres,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. J. Celen te Rijswijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2026 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken en producties.
De voorzieningenrechter heeft op 8 juli 2026 in raadkamer gesproken met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
Vonnis is bepaald op vandaag.
2 De verdere feiten in conventie en in reconventie
Tijdens de zitting van 24 april 2026 hebben partijen afspraken gemaakt met betrekking tot de zorgregeling. In de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2026 is deze afspraak vastgelegd. De afspraak houdt in:
“de kinderen zullen bij de vader zijn (totdat hij geschikte eigen woonruimte heeft) elke woensdag van 12.30 uur tot 16.30 uur, waarbij de vader de kinderen van school haalt en de moeder op de woensdagmiddag niet bij school zal verschijnen en indien de kinderen op woensdag geen school hebben, zal de vader de kinderen op woensdag om 12.30 uur bij de moeder ophalen, en mocht de vader onverhoopt niet kunnen, zal hij de moeder zo snel mogelijk en uiterlijk 24 uur van te voren hierover per e-mail berichten, en zo nodig later als er sprake is van overmacht. Bij halen en brengen laat de vader de kinderen achter bij het portiek van de woning van moeder en komt dus niet naar boven.”
Op woensdag 20 mei 2026 heeft zich, toen de vader de kinderen uit school kwam halen, op het schoolplein een voorval voorgedaan, waarna de kinderen (uiteindelijk) niet met de vader maar met de moeder zijn meegegaan. Hierna is er geen omgang meer geweest tussen de vader en de kinderen.
De moeder heeft op 19 juni 2026 een bodemprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt die strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag.
3 De verdere beoordeling
De voorzieningenrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen of beslist.
in conventie
In deze zaak staat voorop dat er recent een zorgregeling in een beschikking is vastgelegd. Uitgangspunt is dat een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nagekomen. Als een van de partijen wijziging van de zorgregeling wil moet dat in beginsel op grond van het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek in een bodemprocedure bij de familierechter (de zogenoemde 1:253a procedure) aan de orde worden gesteld. De moeder heeft (nog) geen bodemprocedure die strekt tot wijziging van de zorgregeling aanhangig gemaakt.
De vraag die in dit kort geding voorligt is of er sprake is van spoedeisende en zwaarwegende omstandigheden die op dit moment onverkorte nakoming van de zorgregeling in de weg staan. Van het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden is in dit kort geding echter niet gebleken.
Tussen partijen is niet in geschil dat er op 20 mei 2026 een incident is geweest toen de vader de kinderen, zoals afgesproken, kwam ophalen van school en dat de kinderen daarna niet naar de vader zijn gegaan. Over de precieze aanleiding verschillen partijen van mening. Volgens de vader stond de moeder bij de ingang van het schoolgebouw te wachten en heeft zij de kinderen geroepen waarna zij met hun moeder mee naar huis zijn gegaan. Volgens de moeder liep ze langs het schoolplein nadat ze boodschappen had gedaan. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zagen hun moeder en zij zijn toen huilend naar haar toegerend. Hoewel onduidelijk blijft wat zich nu precies heeft afgespeeld tijdens het ophaalmoment, is duidelijk dat sprake is van een zeer moeizame relatie tussen de ouders, dat er veel onderling wantrouwen is en hoogoplopende spanningen. Op dit moment zijn partijen niet in staat om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Dit heeft ongetwijfeld impact op de kinderen en uiteindelijk ook op de omgangsmomenten met hun vader.
Dit geeft echter geen aanleiding om te oordelen dat moeder niet is gehouden de zorgregeling na te komen. De moeder heeft, in het licht van de betwisting door de vader, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een onveilige situatie voor de kinderen als zij bij de vader verblijven. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen op de zitting van 24 april 2026 en dus nog heel recent een zorgregeling zijn overeengekomen. Kennelijk bestond er toen bij de moeder nog voldoende vertrouwen in de omgang tussen de vader en de kinderen. Ook is in het bestek van dit kort geding niet aannemelijk geworden dat omgang met de vader een zodanig ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen dat dit een opschorting dan wel een beperking van de zorgregeling kan rechtvaardigen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben weliswaar in het kindgesprek aangegeven dat zij niet naar hun vader willen omdat ze het daar niet leuk vinden, maar dat is geen reden om nu te zeggen dat de zorgregeling niet (meer) in het belang van de kinderen moet worden geacht.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van zodanige spoedeisende en zwaarwegende omstandigheden die maken dat de moeder zich niet hoeft te houden aan de in de beschikking vastgestelde zorgregeling. Dit betekent dat de moeder onverkort haar medewerking moet verlenen en ook moet bevorderen dat deze wordt nagekomen, onder andere door de kinderen erop voor te bereiden. De voorzieningenrechter benadrukt dat voor het welslagen van de zorgregeling van belang is dat de moeder zich niet in de omgeving van het schoolplein bevindt, of toevallig langsloopt wanneer de vader de kinderen ophaalt van school. Kennelijk achten partijen dit ook van belang, omdat zij dit onlangs hebben afgesproken. Door op deze momenten niet aanwezig te zijn geeft de moeder de kinderen ruimte en emotionele toestemming om bij hun vader te mogen zijn. Bovendien wordt voorkomen dat de kinderen een keuze hoeven te maken tussen een van beide ouders. Verder is het van groot belang dat de kinderen onbelast omgang kunnen hebben met beide ouders en dat de ouders elkaar niet diskwalificeren.
De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen reden voor oplegging van een dwangsom aan de moeder als stimulans tot nakoming van de zorgregeling of afgifte van een machtiging tot inzet van de sterke arm om nakoming van de zorgregeling af te dwingen. Daargelaten dat dergelijke middelen de onderlinge verhoudingen verder op scherp stellen, gaat hij ervan uit dat de moeder zich na deze uitspraak aan de zorgregeling zal houden.
Het door de vader gevorderde verbod dat de moeder zich niet binnen een straal van 250 meter van de school van de kinderen mag bevinden op de ophaalmomenten van de zorgregeling, is niet toewijsbaar. De vader heeft onvoldoende gesteld dat sprake is van een noodzaak om zo’n ingrijpende maatregel, die een inbreuk vormt op het recht van een ieder om zich vrijelijk te verplaatsen en te bewegen, op te leggen.
in reconventie
Een straat- en contactverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen, te bewegen en contact te leggen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel is slechts plaats als sprake is van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de moeder onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van een noodzaak om een contact- en straatverbod op te leggen. De enkele niet nader onderbouwde stelling van de moeder dat de vader zich ophoudt in de buurt van haar woning en haar (en de kinderen) observeert is daarvoor onvoldoende.
Hoewel de moeder heeft gesteld dat zij bang is voor de vader en dat er meerdere incidenten zijn geweest, waarbij de vader haar in het bijzijn van de kinderen op straat heeft uitgescholden en fysiek heeft mishandeld, is ook dit voorshands niet aannemelijk geworden. Hiervoor zou verdere bewijslevering noodzakelijk zijn, maar daarvoor is in kort geding geen plaats. Verder is niet gesteld of aannemelijk geworden dat de vader de moeder in de voorbije maanden op enigerlei wijze heeft beledigd, bedreigd en/of geïntimideerd, waardoor voornoemde voorziening gerechtvaardigd zou zijn.
Doordat de vordering ten aanzien van het contact- en straatverbod zal worden afgewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de toepassing van dwangmiddelen.
De slotsom is dat het door de moeder gevorderde contact- en straatverbod en de daarbij gevorderde dwangsom zullen worden afgewezen.
Proceskosten
In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kinderen betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, zowel in conventie als in reconventie.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling, zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2026;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
wijst de vorderingen af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Klerk en in het openbaar uitgesproken op15 juli 2026.
AW
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.