Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22864Zaaknummer C/09/708247 / KG ZA 26-744
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/708247 / KG ZA 26-744
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering tot nakoming toegewezen. Vordering tot schorsing en vaststelling voorlopige opbouwende zorgregeling afgewezen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
veroordeelt de moeder om de zorgregeling, zoals door de ouders overeengekomen in september 2025 en de zomervakantieregeling, zoals overeengekomen op 22 januari 2026, na te komen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong-Kwestro en in het openbaar uitgesproken op
15 juli 2026.
ss
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team Familie - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708247 / KG ZA 26-744
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[de vader] in [woonplaats 1],
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch in Maasdijk,
tegen:
[de moeder] in [woonplaats 2],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. F.A. Buizer in Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 11;
- de op 7 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens de vader pleitnotities zijn overgelegd en voorgehouden.
Op de zitting waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Op de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, wordt in deze procedure van het volgende uitgegaan.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats].
De ouders oefenen samen het gezag uit over [minderjarige].
Bij beschikking van 17 juli 2019 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, is – voor zover hier relevant – de echtscheiding uitgesproken en is het ouderschapsplan aangehecht.
In het op 10 juli 2019 door de ouders ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen:
- Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder en zal op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Bij een voorgenomen verhuizing zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden. De intentie is dat beide ouders [minderjarige] dagelijks kunnen zien.
- Artikel 3.1 – Zorg/contactregeling
Maandag tot en met donderdagochtend verblijft [minderjarige] bij de moeder. De moeder brengt
[minderjarige] naar het kinderdagverblijf en de vader haalt hem ’s avonds op. Donderdagavond tot en met vrijdagavond verblijft [minderjarige] bij de vader. Zaterdag en zondag zal [minderjarige] om en om bij de vader en de moeder verblijven. Indien specifieke, zwaarwegende omstandigheden dit vragen, kan de zorg/contactregeling in de toekomst aangepast worden.
De ouders hebben ter verbetering van hun onderlinge communicatie in 2022 en 2023 het traject Ouderschap Na Scheiding gevolgd. De ouders zijn daar een zorgregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
- de ene week van woensdagavond tot vrijdagochtend naar school;
- de andere week van woensdagochtend tot en met maandagochtend naar school;
- conform de vakantieregeling.
Bij beschikking van 5 januari 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, is – voor zover hier relevant – aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats] en is bepaald dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
- drie weekenden per vier weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 16.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdagmiddag ophaalt uit school en de moeder [minderjarige] op zondagmiddag om 16.00 uur ophaalt bij de vader;
- in de voorjaarsvakantie;
- de helft van de meivakantie, zijnde één week;
- de helft van de zomervakantie, zijnde drie weken;
- in de herfstvakantie;
- de helft van de kerstvakantie, zijnde één week.
In september 2025 hebben de ouders de reguliere zorgregeling aangepast, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
- om de week een weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 16.00 uur;
- vrije dagen (waaronder studiedagen) die aansluiten op de weekenden en vakanties.
De ouders zijn op 22 januari 2026 overeengekomen dat [minderjarige] in de zomervakantie in 2026 van 19 juli 2026 tot 9 augustus 2026 bij de vader verblijft.
De moeder heeft de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] in maart 2026 eenzijdig stopgezet. Vanaf dat moment heeft de moeder enkel contactmomenten overdag tussen de vader en [minderjarige] toegestaan.
3 Het geschil
in conventie
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, zoals overeengekomen in september 2025 en de zomervakantieregeling, zoals overeengekomen op 22 januari (naar de voorzieningenrechter begrijpt:) 2026, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor ieder(e) dag(deel) dat de moeder de zorgreling niet, dan wel niet volledig nakomt met een maximum van € 25.000,-;
- de moeder te veroordelen in de proceskosten.
Daartoe voert vader – samengevat – het volgende aan. Op 17 maart 2026 heeft de moeder de vader op de hoogte gesteld van de problematiek die volgens haar zou spelen bij [minderjarige]. De moeder heeft de zorgregeling op grond daarvan eenzijdig stopgezet en nog enkel dagcontacten tussen de vader en [minderjarige] toegestaan. De vader herkent zich niet in het door de moeder geschetste beeld en hij heeft aangedrongen op hervatting van de zorgregeling. Zonder medeweten van de vader heeft de moeder Veilig Thuis ingeschakeld. Dat Veilig Thuis volgens de moeder heeft aangegeven dat haar handelen richting de vader wordt ondersteund, ontkent de vader na zelf met Veilig Thuis te hebben gesproken. Bij monde van haar advocaat heeft de moeder eind juni aangegeven dat de reguliere zorgregeling met ingang van augustus 2026 kan worden hervat, omdat de dagcontacten goed verlopen. Op 22 januari 2026 hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige] in de zomervakantie van 19 juli tot 9 augustus bij de vader zal zijn. Deze afspraak kan volgens de moeder nog geen doorgang vinden, omdat [minderjarige] dit te spannend zou vinden. Dit acht de vader niet in het belang van [minderjarige]. Volgens de vader bestaat er geen indicatie om het contact tussen hem en [minderjarige] geen doorgang te laten vinden. De vader en [minderjarige] zijn graag bij elkaar en de zomervakantie geeft hen de gelegenheid om langer dan een weekend met elkaar door te brengen. De vader vordert daarom nakoming van de reguliere zorgregeling en de regeling in de zomervakantie. Omdat hij er geen vertrouwen in heeft dat de moeder de afspraken nakomt en hij een prikkel tot nakoming aangewezen acht, vordert hij een dwangsom. Tot slot vordert de vader een proceskostenveroordeling, omdat de moeder zonder gegronde reden de zorgregeling niet nakomt.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de zorgregeling te schorsen en een voorlopige zorgregeling vast te stellen, conform randnummer 5.3 van de conclusie van antwoord, althans een voorlopige zorgregeling vast te stellen die de voorzieningenrechter in goede justitie voorkomt;
- de vader te veroordelen in de proceskosten.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Tussen de ouders bestaat een voorgeschiedenis van huiselijk geweld, wat ook in het bijzijn van [minderjarige] heeft plaatsgevonden. In 2022 heeft zich ook een incident voorgedaan tussen de vader en [minderjarige]. De moeder concludeert dat er nog steeds sprake is van fysieke en verbale agressie van de vader richting [minderjarige] en zij heeft de zorgregeling geschorst naar aanleiding van concrete zorgsignalen. [minderjarige] geeft aan de moeder herhaaldelijk en consistent aan dat hij zich onveilig voelt bij de vader. [minderjarige] heeft angst voor boosheid en fysiek ingrijpen van de vader en hij ervaart hierdoor volgens de moeder veel spanning en stress rondom het contact met de vader. Op 19 maart heeft [minderjarige] een kindgesprek gehad bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft in een advies aan de moeder geconcludeerd dat uit het gesprek met [minderjarige] blijkt dat [minderjarige] door zijn vader in zijn gezicht wordt geslagen, wordt getrokken of ondervraagd en dat [minderjarige] wordt verboden om te vertellen wat er bij de vader thuis gebeurt. Op basis van het gesprek is [minderjarige] door Veilig Thuis verwezen naar een KIES-traject en is hij aangemeld bij Kracht. Op dit moment vindt er dagcontact plaats tussen de vader en [minderjarige]. Daaraan zijn voorwaarden verbonden, inhoudende dat er geen fysiek contact is tijdens momenten van frustratie, er geen ondervragingen plaatsvinden en er geen volwassen onderwerpen met [minderjarige] besproken worden. De moeder is het met de vader eens dat de dagcontacten in beginsel goed verlopen en stelt zich op het standpunt dat de dagcontacten kunnen worden uitgebreid met een voorlopige opbouwende zorgregeling die doorloopt in de zomervakantie.
De vader voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
in conventie en reconventie
Omdat vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, zal de voorzieningenrechter de vorderingen gezamenlijk behandelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide ouders een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.
De voorzieningenrechter overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de door de ouders overeengekomen zorgregeling moet worden nagekomen, tenzij zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat die zorgregeling niet meer in het belang van [minderjarige] moet worden geacht.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zulke feiten of omstandigheden niet gebleken en moet in het belang van [minderjarige] de vordering tot nakoming van de vader worden toegewezen, onder afwijzing van de vorderingen tot schorsing van de zorgregeling en vaststelling van een voorlopige opbouwende zorgregeling van de moeder. Dit betekent dat de moeder de zorgregeling, zoals door de ouders is overeengekomen in september 2025 en de zomervakantieregeling, zoals door de ouders is overeengekomen op 22 januari 2026 moet nakomen. Mede gelet op dat wat de vader hierover heeft aangevoerd, zijn de zorgen die de moeder hiertegen heeft geuit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. De moeder heeft gesteld dat tussen de ouders sprake is van een voorgeschiedenis van huiselijk geweld – wat de vader overigens betwist – en dat zij gelet op de uitingen van [minderjarige] tegen haar over hoe het thuis bij de vader gaat concludeert dat er nog steeds sprake is van fysieke en verbale agressie van de vader richting [minderjarige]. De vader ervaart de contactmomenten met [minderjarige] heel anders dan wat [minderjarige] daarover tegen de moeder zou hebben verteld. Ter onderbouwing van haar zorgen, heeft de moeder verwezen naar het verslag van het kindgesprek van [minderjarige] bij Veilig Thuis op 19 maart 2026. Op de zitting is gebleken dat Veilig Thuis is ingeschakeld naar aanleiding van zorgen in de thuissituatie bij de moeder, die met veel ruzie uit elkaar is gegaan met haar nieuwe man, en niet naar aanleiding van zorgen in de thuissituatie bij de vader. Daar komt bij dat een aanzienlijk deel van het verslag van het kindgesprek is weggelakt, waaronder de helft van de conclusie en het advies. De moeder heeft aangegeven dat het weggelakte deel ziet op haar ex-man, maar dat is door de voorzieningenrechter niet te controleren en gelet hierop kan de voorzieningenrechter hier geen vergaande conclusies aan verbinden. Verder is de voorzieningenrechter niet gebleken dat Veilig Thuis naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige] aanleiding heeft gezien om een vervolgonderzoek te doen naar de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader of dat Veilig Thuis de Raad heeft ingeschakeld. Op dit moment zijn er dus onvoldoende contra-indicaties die aan onverkorte nakoming van de zorg- en vakantieregeling tussen de vader en [minderjarige] in de weg staan. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor een voorlopige opbouwende zorgregeling, zoals door de moeder is gevorderd. Dit betekent dat [minderjarige] vanaf heden om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 16.00 uur en in de zomervakantie van 19 juli 2026 tot 9 augustus 2026 bij de vader zal zijn.
Net als de Raad, maakt de voorzieningenrechter zich wel ernstige zorgen over [minderjarige], die al geruime tijd in een loyaliteitsconflict tussen zijn ouders lijkt te zitten en mogelijk het gevoel ervaart dat hij moet kiezen tussen hen. Ook heeft [minderjarige] door het uit elkaar gaan van de moeder en haar nieuwe man opnieuw een scheidingssituatie moeten meemaken, die – zoals de moeder zelf heeft aangegeven – met veel ruzies gepaard is gegaan. De voorzieningenrechter is gebleken dat [minderjarige] na het kindgesprek bij Veilig Thuis in maart is doorverwezen naar een KIES-traject en naar Kracht. Bij Kracht krijgen beide ouders nog een intakegesprek. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat beide trajecten zullen worden gevolgd en doorlopen. De voorzieningenrechter doet tot slot nog een beroep op beide ouders om in het belang van [minderjarige] opnieuw samen aan de slag te gaan met hun ouderproblematiek en om [minderjarige] niet te belasten met volwassenzaken.
Dwangsom
De vader heeft gevorderd om aan de nakoming van de zorg- en vakantieregeling tussen hem en [minderjarige] een dwangsom te verbinden. De voorzieningenrechter ziet daar op dit moment geen aanleiding voor en zal de vordering van de vader daartoe afwijzen. De voorzieningenrechter merkt daarbij wel nadrukkelijk op dat het niet de bedoeling is dat de moeder de zorgregeling opnieuw eenzijdig stopzet, omdat dit verwarrend is voor [minderjarige] en daarmee dus niet in zijn belang.
Proceskostenveroordeling
De ouders hebben over en weer verzocht om de andere ouder in de proceskosten te veroordelen. Omdat het hier om een procedure van familierechtelijke aard gaat, ziet de voorzieningenrechter daar geen aanleiding voor. De voorzieningenrechter zal bepalen dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
veroordeelt de moeder om de zorgregeling, zoals door de ouders overeengekomen in september 2025 en de zomervakantieregeling, zoals overeengekomen op 22 januari 2026, na te komen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong-Kwestro en in het openbaar uitgesproken op
15 juli 2026.
ss
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.