Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 13 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22679Zaaknummer NL26.10886
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.10886
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Motiveringsgebrek - rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten - PKV
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10886
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser,geboren op [datum],
Van Guinese nationaliteit, V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H. Nobel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000[_499f358f-37ff-40a4-85cc-bf3384f7615f]. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij samen met zijn oom op een stuk land aan het werk was, toen een man hen beschuldigde van het bewerken van zijn grond. Nadat deze man geweld gebruikte tegen zijn oom, ontstond een vechtpartij waarbij eiser en zijn oom de man sloegen. Later keerde de man terug met zijn broers, waarna eiser en zijn oom werden aangevallen. Tijdens deze aanval liep eiser drie messteken in zijn rug op. Uit vrees voor verdere represailles besloot zijn oom dat zij moesten onderduiken en uiteindelijk Guinee moesten verlaten. Eiser vreest bij terugkeer naar Guinee nog steeds voor problemen als gevolg van dit conflict.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, uw nationaliteit en herkomst;
- problemen wegens een geschil over een stuk land.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief is door de minister niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Dit betekent dat de geloofwaardigheid van het asielmotief in het midden wordt gelaten, omdat de verklaringen van eiser volgens de minister op voorhand onvoldoende zwaarwegend zijn om te kunnen leiden tot een gegronde vrees of een reëel risico op ernstige schade. Dat eiser uit Guinee komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor de man en/of de familie van de man niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verder geen bescherming gezocht bij de autoriteiten van Guinee. Eiser loopt bij terugkeer naar Guinee dan ook geen reëel risico op ernstige schade. De aanvraag is door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd.
De toets door de rechtbank
5. De minister kan de geloofwaardigheid van asielmotieven in het midden laten wanneer op voorhand duidelijk is dat verklaringen, wanneer geloofwaardig, niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Alle verklaringen van de vreemdeling moeten dan als uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van de zwaarwegendheid.
Nu de minister de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden heeft gelaten, gaat de rechtbank bij haar beoordeling uit van de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor heeft afgelegd. De rechtbank geeft daarin geen oordeel over de geloofwaardigheid van deze verklaringen. De beoordeling beperkt zich tot de vraag of de door eiser gestelde feiten en omstandigheden, indien daarvan wordt uitgegaan, leiden tot een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade.
Heeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Guinee geen reëel risico op ernstige schade loopt?
Problemen naar aanleiding van het incident met de man
6. Eiser voert – samengevat – aan dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade, vanwege de problemen die zijn ontstaan naar aanleiding van een geschil over een stuk land. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de onduidelijkheid over het al dan niet overlijden van de man afdoet aan zijn gestelde vrees. Daarnaast gaat de minister er ten onrechte van uit dat eiser 10 maanden probleemloos in Guinee zou hebben verbleven, nu eiser heeft verklaard dat hij zich samen met zijn ooms 10 maanden heeft schuilgehouden in het bos. De minister stelt ook ten onrechte dat de ooms buitenshuis kwamen, nu zij enkel in het bos bleven. Eiser stelt verder dat de minister ten onrechte van hem verlangt dat hij de actoren van vervolging nader concretiseert. Eiser heeft verklaard dat hij de familie niet kende, maar dat zijn ooms de familie wel kenden. Daarnaast heeft eiser in de correcties & aanvullingen aangegeven dat het ging om de buren van het naastliggende erf. Eiser wijst erop dat hij destijds 15 jaar was, zodat van hem niet meer kon worden verwacht. Daarnaast is eiser, gelet op zijn jonge leeftijd, afgegaan op de risicotaxatie van zijn ooms. Verder wordt ten onrechte tegengeworpen dat eiser zijn vrees niet heeft geconcretiseerd. Eiser heeft verklaard dat hij meerdere punten van vrees heeft en deze punten heeft hij voldoende toegelicht. Eiser stelt tot slot dat van hem niet kan worden verwacht dat hij bescherming zoekt bij de Guinese autoriteiten. Eiser heeft in dit kader verwezen naar openbare bronnen waaruit volgt dat er geen vertrouwen is in onder meer het politieapparaat en het rechtssysteem. Daarnaast heeft het vragen van bescherming geen enkele zin, zeker niet wanneer het een incident van minimaal drie jaar oud is en de aangever in Nederland zit.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Guinee zijn vrees voor de familie van de man niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dit standpunt aan de hand van verschillende punten uiteengezet. Volgens de minister heeft eiser allereerst geen concrete aanknopingspunten dat de man van het geschil is overleden. Verder zou eiser de actoren van vervolging niet inzichtelijk hebben gemaakt. Eiser zou ook zijn problemen bij terugkeer niet geconcretiseerd hebben. Eiser zou daarnaast nog 10 maanden probleemloos in Guinee hebben verbleven. Daarbij zou eiser niet geconcretiseerd hebben dat hij momenteel nog wordt gezocht. De minister overweegt tot slot dat eiser zich bij problemen zou kunnen wenden tot de autoriteiten van Guinee.
9. De rechtbank stelt voorop dat de geloofwaardigheid van het asielmotief in het midden is gelaten, zodat bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees moet worden uitgegaan van eisers verklaringen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser heeft verklaard dat hij 15 jaar oud was toen het incident plaatsvond en dat hij direct na het incident samen met zijn ooms is gevlucht naar een hutje in het bos. Eiser zou zich hier samen met zijn ooms 10 maanden hebben schuilgehouden en zou in deze periode niets van de mannen hebben vernomen. Bij eiser zou evenmin bekend zijn in welke toestand zij de man hebben achtergelaten en of de man nog leeft of niet.
10. De rechtbank is, in tegenstelling tot de minister, van oordeel dat eiser zijn vrees voor de familie niet enkel heeft gekoppeld aan de vraag of de man is overleden, maar eveneens aan het geweldsincident dat heeft plaatsgevonden. Eiser heeft in dit kader verklaard dat hij en zijn ooms de man hebben geslagen, onder meer met een stuk hout en met een mes, en dat het onduidelijk was of de man was overleden.[_89ab9565-848d-498b-b171-eeb537e4d9c8] Eiser heeft weliswaar verklaard dat zijn oom niet weet of de man nog leeft en dat zijn oom daarom ook bang was[_3fb3c437-bfe9-4a3f-a81f-9a6b8a548656], maar uit eisers verklaringen volgt ook dat eiser vreest voor de gebeurtenis die heeft plaatsgevonden en dat hij daarom bang is om terug te keren[_d588da68-f3cc-4c20-b77b-c9ce37659398]. De rechtbank volgt het standpunt van de gemachtigde van de minister op zitting dat de kans op represailles weliswaar groter zou zijn wanneer de man zou zijn overleden, maar dit laat onverlet dat represailles eveneens mogelijk zijn wanneer de man niet zou zijn overleden als gevolg van het gebruikte geweld.
11. De rechtbank volgt de minister verder niet in het standpunt dat eiser de actoren van vervolging niet inzichtelijk heeft gemaakt. Eiser heeft in dit kader verwezen naar “de familie”, maar kan volgens de minister niet concreet maken wie dit zouden betreffen. Het feit dat eiser weinig bekend is met de familie, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser de actoren van vervolging daardoor niet inzichtelijk zou hebben gemaakt. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij bang is voor de familie met wie zij hebben ruzie hebben gemaakt[_c7726d81-63cf-4e28-92b3-9b6785333e3f], dat de familie van de man in dezelfde stad woont als eiser[_0144af54-4aea-4233-aa16-f7f3ad1fbd97] en dat zij de buren van het naastliggende erf zijn[_3d4b5139-d6d4-41c5-a437-e46a6404c9fa]. De rechtbank betrekt hierbij verder dat eiser heeft verklaard dat hij destijds 15 jaar oud was en dat hij de mensen niet kende, maar zijn ooms wel.[_dd20cb02-6479-4325-94ea-083436e675b5] Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat eiser hierdoor zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt, te meer nu eiser heeft aangegeven dat het de buren van het naastgelegen erf betreffen.
12. Naar het oordeel van de rechtbank is eveneens onvoldoende gemotiveerd dat eiser zijn problemen bij terugkeer niet heeft geconcretiseerd. Uit het gehoor blijkt immers dat eiser heeft verklaard dat hij vreest voor de gebeurtenis en voor de familie met wie hij ruzie heeft gemaakt[_784c6e08-aa8e-4e9b-b62f-ba87f53bc76b], dat de familie hem zou kunnen vermoorden, dat ze naar hem op zoek zouden zijn en dat ze hen het incident niet kunnen vergeven[_6e23ffe2-b574-49fc-9e43-b85560195045]. De rechtbank volgt niet dat deze verklaringen niet concreet en eenduidig zouden zijn. Dat eiser ook heeft verklaard dat hij niet zonder zijn familie kan leven, niet alleen kan terugkeren en ziek is[_e5283749-b1db-4bf0-a7c1-dd385e7dfc3b] maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser zijn problemen onvoldoende zou hebben geconcretiseerd. Eiser stelt in dit kader terecht dat hij immers voor meerdere dingen kan vrezen bij terugkeer.
13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, nu bovengenoemde punten onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd. Het besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, gelet op het volgende.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich desondanks terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor de familie niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank begrijpt dat het gegeven dat eiser 15 jaar oud was tijdens het incident, hij direct na het incident is gevlucht, zich heeft schuilgehouden en zich liet leiden door zijn ooms, maakt dat eiser over beperkte kennis beschikt van het incident. De minister heeft echter van eiser mogen verwachten dat hij desondanks concrete aanknopingspunten geeft voor zijn gestelde vrees, nu het in beginsel aan eiser is om zijn vrees aannemelijk te maken. Ondanks dat represailles ook mogelijk zijn indien de man niet zou zijn overleden, moeten hiervoor wel concrete aanknopingspunten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank bieden eisers verklaringen onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hij voor de familie te vrezen heeft. In dit kader heeft eiser verklaard dat hij weet dat de familie naar hem op zoek is, als gevolg van het incident.[_4064374b-f257-4277-975f-259d992637eb] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze vrees enkel gebaseerd is op vermoedens en gekoppeld is aan het incident, zonder dat er verdere, concrete aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de familie (nog steeds) op zoek is naar eiser. De rechtbank begrijpt dat eisers verklaring dat hij zich 10 maanden heeft schuilgehouden in het bos een mogelijke uitleg kan zijn waarom de familie hem in deze periode niet heeft benaderd, echter biedt dit ook geen aanknopingspunt voor de conclusie dat eiser in deze periode zou zijn gezocht door de familie. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij momenteel nog wordt gezocht. Evenmin is gebleken dat eiser op enig moment onderzoek hiernaar heeft gedaan. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij geen familie meer heeft in Guinee, maar dit laat onverlet dat de minister, zoals de gemachtigde van de minister op zitting heeft gesteld, van eiser mocht verwachten dat hij onderzoek doet naar de situatie in het land van herkomst, nu het in beginsel aan eiser is om zijn vrees aannemelijk te maken. Niet is gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om via de autoriteiten, dan wel via onafhankelijke organisaties of andere toegankelijke kanalen, informatie te verkrijgen over een eventuele actuele belangstelling van de familie die hij bij terugkeer heeft te vrezen. Evenmin heeft eiser toegelicht waarom dergelijke pogingen in zijn geval redelijkerwijs niet mogelijk waren. De enkele stelling van eiser op zitting dat hij hierover geen informatie zal kunnen krijgen kan hier, gelet op het voorgaande, niet aan af doen.
15. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de minister zich verder terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, ook indien hij zijn vrees aannemelijk zou hebben gemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen bescherming van de Guinese autoriteiten zou kunnen krijgen. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat eiser onderzoek heeft gedaan naar de beschermingsmogelijkheden in Guinee en evenmin heeft geprobeerd om bescherming aan te vragen. Verder volgt uit het landenbeleid dat mag worden aangenomen dat eiser bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties kan krijgen. De door eiser aangehaalde bronnen, waaruit volgt dat er geen vertrouwen bestaat in onder meer het politieapparaat en het rechtssysteem, geven de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat het geen enkele zin heeft om bescherming te vragen. Uit de aangehaalde bronnen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Guinese autoriteiten in het algemeen geen enkele bescherming kunnen bieden, of dat het voor eiser in zijn specifieke situatie niet mogelijk is om bescherming te verkrijgen.
Voodoo
16. Eiser stelt verder dat voodoo wijdverbreid is en een prominente rol speelt in Guinee. Eiser verwijst hiervoor naar de website van het Consulaat van de Republiek Guinee. Bij voodoo gaat het om traditionele religies en spirituele praktijken, waardoor van eiser niet kan worden verlangd dat hij zijn vrees voor voodoo onderbouwt.
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor voodoo onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat eiser in de correcties & aanvullingen bij het nader gehoor heeft aangegeven dat hij ook bang is dat de familie voodoo gaat gebruiken[_7ed7718e-44a6-4b77-8441-3a64ee981dac]. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet nader heeft toegelicht waarop deze vrees in het specifieke geval van de familie gebaseerd is. De enkele stelling dat voodoo een prominente rol speelt in Guinee is onvoldoende voor het oordeel dat de familie zich hiermee zou bezighouden dan wel dat zij van plan zouden zijn dit op eiser toe te passen. Dat het bij voodoo zou gaan om traditionele religies en spirituele praktijken kan hieraan niet af doen. Nu eiser geen specifieke aanknopingspunten heeft gegeven waaruit volgt dat voodoo op eiser zou worden toegepast, heeft de minister de vrees terecht niet aannemelijk geacht. Heeft de minister de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond?
18. Eiser stelt dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij zich niet onverwijld zou hebben gemeld. Vanaf het begin is bekend dat eiser medische problemen heeft en dat deze problemen al aanwezig waren in Guinee, zodat niet kan worden tegengeworpen dat eiser bij zijn inreis geen medische documenten ten aanzien zijn epilepsie heeft overgelegd. Dat eiser in Italië meteen asiel heeft aangevraagd kan evenmin worden tegengeworpen, nu de inreis in Italië niet te vergelijken is met de inreis in Nederland. Daarbij werd eiser in Italië nog begeleid door zijn oom en was hij nog jong ten tijde van zijn inreis. Eiser heeft verder zijn vader na bijna 18 jaar gevonden in Nederland en heeft zich de eerste tijd na zijn inreis daarop gericht.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is in 2023 Nederland ingereisd en heeft op 15 januari 2024 asiel aangevraagd. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het bestreden besluit niet heeft overwogen dat er ten tijde van de inreis nog geen sprake zou zijn van epilepsie. De minister heeft in dit kader enkel terecht overwogen dat niet door eiser is onderbouwd dat deze klachten bij zijn inreis in Nederland dusdanig hevig waren dat eiser hierdoor belemmerd zou zijn geweest bij het indienen van zijn asielaanvraag. Dat de inreis in Italië anders zou zijn geweest dan de inreis in Nederland en dat eiser in Italië nog door zijn oom zou zijn begeleid, maakt evenmin dat de minister het niet onverwijld melden niet aan eiser kon tegenwerpen. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat eiser immers naar Nederland is gekomen met de intentie om asiel aan te vragen, zodat niet valt in te zien waarom hij zich niet onverwijld heeft gemeld. Dit te meer nu eiser een periode bij zijn vader zou hebben verbleven en zijn vader ook bekend was met de Nederlandse asielprocedure. Dat eiser tijdens zijn inreis nog minderjarig was, kan hieraan, gelet op het voorgaande, niet afdoen.
Conclusie en gevolgen
20 De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals overwogen onder 13 t/m 15, wel aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.