Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 30 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22622Zaaknummer NL25.19163
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 april 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.19163
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de identiteit van eiser en zijn gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig mogen achten. De minister heeft verder mogen concluderen dat de verklaringen van eiser onsamenhangend zijn en geen aannemelijk geheel vormen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico is op ernstige schade bij terugkeer, vanwege de (wel geloofwaardig geachte) problemen met commandant [naam]. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 30 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19163
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de identiteit van eiser en zijn gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig mogen achten. De minister heeft verder mogen concluderen dat de verklaringen van eiser onsamenhangend zijn en geen aannemelijk geheel vormen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico is op ernstige schade bij terugkeer, vanwege de (wel geloofwaardig geachte) problemen met commandant [naam]. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2004]. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rasouli als tolk en de gemachtigde van de minister.
Bij de sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen geïnformeerd later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Wegens een oproep door een commandant genaamd [naam] is eiser in 2021 bij de Afghaanse autoriteiten voorgedragen als hulp bij een controlepost. Bij deze controlepost heeft eiser werkzaamheden uitgevoerd en is hij op een gegeven moment door commandant [naam] onder bedreiging van een pistool verkracht. Eiser vreest bij terugkeer voor de commandant. Daarnaast vreest eiser voor de Taliban, omdat zijn vader voordat hij overleed politiewerkzaamheden uitvoerde.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Rekrutering door en problemen met commandant [naam];
- Problemen met de Taliban wegens politiewerkzaamheden van eisers vader.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser deels geloofwaardig zijn. De identiteit wordt namelijk niet geloofwaardig bevonden. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor geen goede verklaring gegeven. De Tazkera (Afghaans identiteitsbewijs) die eiser heeft overgelegd is onderzocht door Bureau Documenten en is hoogstwaarschijnlijk vals. Daarnaast vormen eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over zijn leeftijd en over het beschikken van de Tazkera. Ook heeft eiser vaag verklaard over het verkrijgen van de Tazkera.
De rekrutering door en problemen met commandant [naam] zijn wel geloofwaardig bevonden. De minister stelt echter dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser voldoet ook niet aan de voorwaarden uit paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) voor een eerdere confrontatie met wandaden.
De minister stelt zich verder op het standpunt dat eisers problemen met de Taliban wegens de politiewerkzaamheden van zijn vader niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft te summier verklaard over de werkzaamheden van zijn vader en het ligt niet voor de hand dat specifiek eiser gezocht wordt door de Taliban.
De minister heeft daarom de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw.
Het oordeel van de rechtbank
Identiteit, nationaliteit en herkomst
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft bevonden. Dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn leeftijd klopt niet. Eiser heeft de juiste geboortedatum doorgegeven in Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben waarschijnlijk de verkeerde geboortedatum genoteerd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat in Afghanistan een andere jaartelling gehanteerd wordt en dat de Griekse autoriteiten dit verkeerd hebben omgerekend. De minister had in ieder geval niet klakkeloos de in Griekenland genoteerde geboortedatum over mogen nemen zonder daar zelf onderzoek naar te doen. Vooral niet gelet op het oordeel van de vreemdelingenpolitie dat eiser evident minderjarig is.
Eiser voert verder aan dat de minister hem niet kan tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Bij het vertrek uit Afghanistan heeft eiser een kopie van zijn Tazkera meegenomen. Deze is in Griekenland afgepakt door de Griekse autoriteiten. Het originele document heeft eiser uiteindelijk kunnen verkrijgen en deze is ook onderzocht door Bureau Documenten. Het kan niet kloppen dat Bureau Documenten de Tazkera hoogstwaarschijnlijk vals acht en eiser is van plan om een contra-expertise uit te laten voeren. Eiser heeft ook nog navraag gedaan bij zijn moeder en van haar vernomen dat er geen andere documenten zijn om zijn identiteit mee te kunnen verifiëren. Tenslotte voert eiser aan dat hij niet wisselend heeft verklaard over het beschikken van de Tazkera en dat hij ook niet vaag heeft verklaard over het verkrijgen van de Tazkera. Eiser heeft enkel nagelaten om in eerste instantie te verduidelijken dat het bij de Griekse autoriteiten ging om een kopie en dat hij er in was geslaagd om het originele document naar Nederland te krijgen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eisers verklaringen over zijn leeftijd en identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De verklaring van eiser dat de Griekse autoriteiten vanwege de andere jaartelling de datum verkeerd hebben omgezet en daardoor de verkeerde geboortedatum hebben genoteerd, doet daar niets aan af. De rechtbank overweegt dat het hier namelijk niet zozeer gaat over de juistheid van de in Griekenland genoteerde geboortedatum, maar dat eiser hierover wisselend heeft verklaard. Tijdens de leeftijdsschouw bij de vreemdelingenpolitie (AVIM) heeft eiser namelijk verklaard dat hij niet weet wat de Griekse autoriteiten hebben opgeschreven. Terwijl hij daarna, in het opvolgende aanmeldgehoor, juist verklaart dat hij in Griekenland een verzonnen datum heeft opgegeven.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring had. Hierbij mocht de minister betrekken dat de overgelegde Tazkera hoogstwaarschijnlijk vals bevonden is door Bureau Documenten. Eiser heeft geen contra-expertise meer ingediend. Daarnaast heeft de minister de verklaringen van eiser over de verkrijging en het beschikken over de Tazkera vaag en wisselend mogen vinden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Rekrutering door en problemen met commandant [naam]
7. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Afghanistan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser vreest hierbij vooral voor commandant [naam] en heeft deze vrees, in tegenstelling tot wat de minister stelt, wel aannemelijk gemaakt. De minister heeft de problemen die eiser heeft gehad met commandant [naam] ook geloofwaardig geacht. Daarom is het tegenstrijdig dat de minister de vrees voor deze commandant bij terugkeer niet geloofwaardig vindt. De stelling dat commandant [naam] na de machtsovername door de Taliban geen machtspositie meer heeft in Afghanistan is slechts een niet onderbouwde veronderstelling en geen goede beoordeling van het risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij een gedwongen terugkeer. In Afghanistan zijn de lokale machtsverhoudingen namelijk complex. Dat de Taliban de macht heeft overgenomen in het land, wil nog niet zeggen dat ze overal de macht hebben. Hierdoor is het niet zeker of de daadwerkelijke invloed van commandant [naam] ten einde is gekomen.
Ten tweede voert eiser aan dat hij wel voldoet aan de voorwaarden gesteld in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc voor eerdere confrontatie met wandaden. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser voldoet aan de eerste voorwaarde, namelijk dat hij wegens de verkrachting en bedreiging uit Afghanistan is gevlucht. De minister stelt echter ten onrechte dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat deze daad moet zijn veroorzaakt door autoriteiten of andere groeperingen die aan de macht zijn. Het is onvoldoende zorgvuldig om eiser te verwijten dat hij dit niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser en wat hij heeft aangevoerd namelijk niet blijkt dat commandant [naam] momenteel nog in een machtspositie verkeert. Eiser heeft aangevoerd dat commandant [naam] een machtspositie had toen eiser vertrok en dat het logisch zou zijn dat hij deze positie nog steeds bekleedt. De minister mag deze stelling echter onaannemelijk vinden. Uit openbare informatie blijkt namelijk dat voormalige regeringsfunctionarissen door de Taliban in een negatief daglicht worden gesteld. Eiser heeft tegen de achtergrond van die informatie niet aannemelijk gemaakt dat commandant [naam] momenteel een invloedrijke positie bekleedt binnen de huidige autoriteiten van Afghanistan. De enkele bewering dat het niet logisch zou zijn dat dit niet zo is, is onvoldoende. Het is namelijk aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat commandant [naam] een invloedrijke positie bekleedt, is ook niet aannemelijk geworden dat commandant [naam] een daadwerkelijke bedreiging voor eiser zal vormen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt mag stellen dat eiser niet voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zoals beschreven in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc. Zo’n vergunning wordt verleend aan een vreemdeling, die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. Een van de voorwaarden is namelijk dat de wandaad moet zijn veroorzaakt door autoriteiten of andere groeperingen die aan de macht zijn in het land. Omdat eiser, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat commandant [naam] nog aan de macht is in het land, voldoet eiser niet aan deze voorwaarde.
Problemen met de Taliban wegens politiewerkzaamheden vader
9. Eiser voert aan dat de minister zijn problemen met de Taliban vanwege de politiewerkzaamheden van zijn vader ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft namelijk wel een goede onderbouwing gegeven waarom hij geen documenten over de werkzaamheden van zijn vader heeft kunnen overleggen. Bovendien heeft eiser wel samenhangend en aannemelijk verklaard over de werkzaamheden van zijn vader. De minister verlangt ten onrechte van eiser dat hij in staat zou moeten zijn om hier nog meer over te vertellen dan dat hij al gedaan heeft. Er zijn veel kinderen die niet eens kunnen vertellen wat voor werk hun ouders doen. Bovendien was eiser nog jong toen zijn vader overleed, daar heeft de minister geen rekening mee gehouden. Daarnaast heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat hij specifiek gezocht wordt door de Taliban. De Taliban heeft zelfs huiszoekingen gedaan. In het voornemen heeft de minister dit ook niet betwist. Het is volgens eiser daarom onvoldoende zorgvuldig dat de minister in het bestreden besluit hierop terugkomt en stelt dat er niet wordt ingezien of en waarom er huiszoekingen hebben plaatsgevonden.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen van eiser met de Taliban vanwege de gestelde politiewerkzaamheden van zijn vader ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Eiser heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij specifiek gezocht wordt door de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn vader. De minister mocht van eiser verwachten dat hij inspanningen verricht om informatie te verzamelen over de werkzaamheden van zijn vader. Eiser heeft dit niet gedaan, waardoor de minister deze werkzaamheden ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De verklaring van eiser dat zijn vader is omgekomen bij een gevecht met de Taliban is ook niet voldoende om aannemelijk te maken dat zijn vader een doelwit was van de Taliban. Uit eisers verklaringen volgt dat zijn vader is omgekomen tijdens een gevecht bij een controlepost. Dit was geen gerichte aanval op de vader van eiser. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader doelwit was van de Taliban, is het ook niet aannemelijk dat eiser nu doelwit is van de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn vader. Daar komt bij dat voor zover er huiszoekingen zijn gedaan, het niet duidelijk is geworden waarom deze zijn verricht. De gestelde huiszoekingen maken het daarom niet voldoende aannemelijk dat eiser wordt gezocht door de Taliban. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Refugee sur place
11. Eiser voert aan dat hij aangemerkt moet worden als een refugee sur place, iemand die vluchteling wordt door omstandigheden die na zijn vertrek zijn ontstaan. In de gehoren heeft eiser namelijk duidelijk aangegeven dat hij het volstrekt niet eens is met de politiek van de nieuwe machthebbers, de Taliban. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser bij terugkeer vreest voor de Taliban verwijst hij naar het ambtsbericht van 16 december 2025. Daaruit volgt dat er geen systematische vervolging is van Hazara’s (de etnische minderheid waar eiser onderdeel van uitmaakt), maar dat er wel sprake is van stelselmatige discriminatie door lokale leiders. Ook worden de Hazara’s stelselmatig benadeeld door de Taliban, dat blijkt uit de conflicten over landbezit tussen Hazara’s en Kuchi’s. De minister had dit in ieder geval nader moeten onderzoeken en had moeten motiveren waarom eiser niet aangemerkt is als refugee sur place.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet aan hoeft te merken als refugee sur place. Eiser heeft in de nadere gehoren inderdaad aangegeven dat hij het niet eens is met het regime van de Taliban. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarom en op welke manier hij die mening wil uiten. Eiser heeft hier tijdens de zitting over verklaard dat hij zich als hij terug moet naar Afghanistan niet negatief zal uitlaten tegen het regime. Uit de verklaringen van eiser blijkt ook niet dat zijn mening over het huidige regime bekend is bij de Taliban. Verder is niet gebleken dat eiser vreest voor de Taliban vanwege zijn politieke opvattingen. Eiser heeft ook geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat eiser bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging door de Taliban vanwege zijn politieke opvattingen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt. Eiser zal Nederland moeten verlaten en moeten terugkeren naar Afghanistan. Ook krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 30 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.