Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Den Haag, 13 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22617Zaaknummer C/09/707723 / KG ZA 26-698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/707723 / KG ZA 26-698
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Nederlandse Staat hoeft Buitenhuizerbrug in Spaarndam niet nu te repareren De Nederlandse Staat handelt niet onrechtmatig tegenover watersportverenigingen door te wachten met het repareren van de Buitenhuizerbrug in Spaarndam. Dat volgt uit een uitspraak in een kort geding van diverse watersportverenigingen tegen de Staat. De Staat werkt op dit moment aan een plan op het gebied van infrastructuur om te bepalen in welke volgorde hij het beschikbare geld gaat uitgeven. De Staat heeft volgens de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen beslissen om de brug niet nu te repareren, maar onderdeel te laten vormen van dat plan. De brug De Buitenhuizerbrug uit 1997 is een beweegbare brug over het Zijkanaal C in Spaarndam. De brug maakt onderdeel uit van de zogenaamde Staande Mast Route. Dat is een doorgaande vaarroute voor schippers van schepen hoger dan 6 meter om van de Deltawateren tot het IJsselmeergebied te varen via binnenwateren. Sinds augustus 2023 zijn er geregeld storingen in de werking van de brug. Nadat eind 2025 een van de twee hydrauliekpompen kapot is gegaan, bleek op 5 februari 2026 dat de andere pomp ernstige olielekkage vertoonde waarop Rijkswaterstaat besloot om de brug niet langer te openen voor hoge scheepvaart. De andere (oostelijke) route om naar het IJsselmeergebied te komen, is eveneens gestremd. Het geschil Volgens de watersportverenigingen verzuimt de Staat zijn wettelijke onderhoudsverplichting na te komen door de storing aan de brug niet te verhelpen. Daarmee veroorzaakt de Staat grote hinder. Dat is niet te rechtvaardigen, omdat er sprake is van een klein probleem waarvoor een relatief eenvoudige en goedkope oplossing voorhanden is, zo stellen de verenigingen. De Staat stelt dat hij op dit moment niet al het noodzakelijke onderhoud aan infrastructurele werken direct kan uitvoeren. Daarbij wijst de Staat erop dat veel bruggen, tunnels en sluizen het einde van hun technische levensduur naderen, terwijl de financiële beschikbare middelen beperkt zijn. De Staat werkt daarom aan een prioritering om te bepalen in welke volgorde hij het beschikbare geld op dit gebied gaat uitgeven. Ook de Buitenhuizerbrug wordt daarbij betrokken. Besluitvorming wordt na de zomer verwacht. Volgens de Staat is er geen aanleiding om vooruitlopend hierop financiële middelen in te zetten om de storing aan de Buitenhuizerbrug op te lossen. Oordeel rechtbank De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen komen tot de belangenafweging die is gemaakt. De Staat is zich ervan bewust dat de buitenwerkingstelling van de brug nadelige gevolgen heeft voor de watersportverenigingen en hun leden, maar er spelen veel meer belangen dan deze. De Staat moet al die belangen meewegen en vervolgens prioriteiten stellen vanwege het gebrek aan voldoende financiële middelen. Bij de uitvoering van die publieke taak heeft de Staat een grote mate van vrijheid. De keuze van de Staat om relatief overzichtelijke reparaties onderdeel te laten vormen van een grotere afweging en prioritering bij de besteding van het budget acht de voorzieningenrechter navolgbaar. Voor zover de watersportverenigingen nog hebben gewezen op de veiligheidsrisico’s van een ‘gedwongen’ tocht over de Noordzee, stelt de voorzieningenrechter dat het aan individuele schippers is om te beoordelen of zo’n reis verantwoord is.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt HJC c.s. in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als HJC c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.2.

veroordeelt HJC c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.

ts

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling van het geschil
  5. 5 De beslissing

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/707723 / KG ZA 26-698

Vonnis in kort geding van 13 augustus 2026

in de zaak van

1 Haarlemsche Yacht Club (H.J.C.) te Haarlem,

2. Haarlemse Zeilvereniging (H.Z.V.) te Haarlem,

3. Watersportvereniging IJmond te Velsen Zuid, gemeente Velsen,

4. Jachtvereniging Watervrienden te Haarlem,

5. Watersport Vereniging Nieuwe Meer te Aalsmeer,

6. Stichting Beheer Naaldwijk-Prins Willem Zeeverkenners te Bloemendaal,

eiseressen,

advocaat mr. L.J.L. Heukels te Overveen, gemeente Bloemendaal,

tegen:

de Staat der Nederlanden te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. Stolwijk te Den Haag.

Eiseres zal hierna worden aangeduid als ‘HJC’ en eiseressen zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘HJC c.s.’. Gedaagde zal ‘de Staat’ worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 15 en 18;

- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 3;

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 3 augustus 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, mede aan de hand van (overgelegde) spreekaantekeningen. Ook hebben partijen vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiseressen 1 tot en met 5 zijn watersportverenigingen. Eiseres nummer 6 is een Stichting die zich inspant ten behoeve van de instandhouding en het beheren van een Nederlandse voormalige mijnenveger, die onder meer ook wordt ingezet voor opleiding en evenementen. Daarnaast draagt zij zorg voor de behuizing van de Prins Willem zeeverkenners.

2.2.

De Buitenhuizerbrug is een beweegbare brug (basculebrug) over het Zijkanaal C, gelegen in de N202 bij Spaarndam. De doorvaarthoogte bedraagt 6,82 meter. Schepen met een lagere (mast)hoogte kunnen onder de brug doorvaren. Schepen met een hogere (mast)hoogte (de hoge scheepvaart) kunnen de brug alleen passeren wanneer deze bediend (geopend en daarna gesloten) wordt. De brug dateert van 1997 en de technische levensduur van diverse onderdelen van de brug loopt ten einde of is overschreden.

2.3.

De Buitenhuizerbrug maakt onderdeel uit van de zogenaamde Staande Mast Route (SMR). De SMR is een doorgaande route voor zeil- en motorboten met een mast- of opbouwhoogte van meer dan zes meter die schippers in staat stelt om van de Deltawateren tot het IJsselmeergebied, Friesland en Groningen te varen via de binnenwateren. Het middendeel van de SMR is het traject West-Nederland, dat loopt van de Volkeraksluizen bij Willemstad tot en met Oranjesluizen Amsterdam en een lengte heeft van ongeveer 159 kilometer. Op dit (drukste) deel van de SMR worden 37 bruggen en 7 sluiscomplexen gepasseerd. Vanaf Oude Wetering naar Amsterdam kan met de SMR voor twee routes gekozen worden: de oostelijke route over Aalsmeer en Amstelveen of de westelijke route via Haarlem naar Amsterdam. De Buitenhuizerbrug ligt op de westelijke route.

2.4.

Vanaf augustus 2023 zijn er geregeld storingen in de werking van de Buitenhuizerbrug. In de periodes van storingen in 2023, 2024 en 2025 zijn er extra openingen van de brug geweest. Nadat vanaf 12 juli 2025 weer onbelemmerd gebruik van de brug kon worden gemaakt, bleek op 21 november 2025 dat een van de twee hydrauliekpompen van de brug kapot was. Nadat deze is uitgeschakeld is de brug op 28 november 2025 weer in bedrijf gesteld, maar met één van de twee pompen en dus op halve snelheid. Op 5 februari 2026 is gebleken dat die tweede pomp ernstige olielekkage vertoont. De Staat heeft er toen voor gekozen om de brug niet langer te bedienen/te openen voor scheepvaart. Hij heeft dit op 6 februari 2026 via een nieuwsbericht gecommuniceerd. De Buitenhuizerbrug is sindsdien gestremd voor de hoge scheepvaart.

2.5.

Sinds 2024 worden onder andere ook de Schipholbrug (A9) en de Schinkelbrug (A10) wegens technische storingen niet bediend voor hoge scheepvaart, zodat ook de oostelijke route al langere tijd is gestremd. Deze route zal naar verwachting nog enkele jaren gestremd blijven.

2.6.

HJC heeft Rijkswaterstaat op 2 april 2026 een brief gestuurd, waarin zij Rijkswaterstaat heeft gewezen op de gevolgen van de stremming van de Buitenhuizerbrug en de impact die dit heeft op haar, maar ook op andere watersportverenigingen, hun leden en andere gebruikers. Zij acht deze stremming niet acceptabel en verzoekt Rijkswaterstaat om informatie.

2.7.

Bij brief van 8 juni 2026 heeft Rijkswaterstaat hierop gereageerd. Rijkswaterstaat beschrijft in deze brief de technische problemen waar de Buitenhuizerbrug mee te kampen heeft. Rijkswaterstaat stelt de mogelijkheid om noodopeningen te organiseren te hebben onderzocht, maar dat brengt volgens hem risico’s op verdere schade aan de bewegingswerken met zich mee en is daarom niet verantwoord. Rijkswaterstaat zegt verder te hebben onderzocht of de hydraulische pompen hersteld zouden kunnen worden om het vaarseizoen te overbruggen, maar dat is volgens hem niet mogelijk omdat deze pompen lange levertijden hebben. Daarnaast kent de Buitenhuizerbrug volgens Rijkswaterstaat meerdere verouderde en storingsgevoelige installaties en biedt het uitsluitend vernieuwen van de pompen geen garantie voor structurele beschikbaarheid van de brug in de komende jaren. Daarvoor zijn omvangrijkere vernieuwingswerkzaamheden nodig. Volgens Rijkswaterstaat raakt deze situatie aan de bredere instandhoudingsopgave waar hij voor staat. Veel bruggen, tunnels en sluizen naderen het einde van hun technische levensduur, terwijl de beschikbare middelen beperkt zijn, zodat scherpe en soms moeilijke keuzes onvermijdelijk zijn, aldus Rijkswaterstaat in deze brief. Rijkswaterstaat deelt vervolgens mee dat door de bewindspersonen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wordt gewerkt aan een afweegkader over prioritering van het Mobiliteits- en het Deltafonds, waaronder de instandhoudings- en vernieuwingsprojecten voor de langere termijn, waarin ook de Buitenhuizerbrug wordt betrokken. Integrale besluitvorming hierover vindt volgens Rijkswaterstaat plaats na de zomer. Rijkswaterstaat zegt toe om HJC c.s. en andere betrokken partijen te zullen informeren zodra er meer duidelijkheid ontstaat over de prioritering en de daaruit voortvloeiende besluitvorming.

3 Het geschil

3.1.

HJC c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen om:

primair

uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis te zijn overgegaan tot het bepalen/vaststellen en daadwerkelijk (doen) realiseren van voldoende tijdelijke noodopeningen van de BHB gedurende het vaarseizoen van 1 april tot 1 oktober van ieder jaar tot en met het jaar 2030, waarbij deze openingen dienen plaats te vinden conform een (minimaal) regime van één reguliere opening per werkdag en twee op andere dagen, waarbij onder opening wordt verstaan dat de brug twee keer wordt bediend, te weten 15 minuten vóór én na de opening van de A-9 brug over zijkanaal C;

subsidiair

uiterlijk binnen een in goede justitie te bepalen termijn na betekening van dit vonnis te zijn overgegaan tot het bepalen/vaststellen en daadwerkelijk (doen) realiseren van voldoende noodoplossingen van brugopeningen van de BHB gedurende het vaarseizoen van 1 april tot 1 oktober van ieder jaar tot en met het jaar 2030 althans tot een datum en volgens een regime van openingstijden dat in goede justitie wordt bepaald,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom zoals nader in de dagvaarding omschreven, met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voeren HJC c.s. – samengevat – het volgende aan. Door de storing niet te verhelpen, verzuimt de Staat zijn wettelijke onderhoudsverplichtingen inzake de Buitenhuizerbrug na te komen en veroorzaakt hij grote hinder. Hij frustreert het recht van vaarweggebruikers de SMR te kunnen benutten via deze brug. De Staat handelt daardoor onrechtmatig jegens HJC c.s. en/of er is sprake van onbehoorlijk bestuur.

3.3.

De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van HJC c.s. in hun vorderingen, althans tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van HJC c.s. in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente, en in de nakosten.

Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Standpunten van partijen in het kort

4.1.

Dit kort geding heeft betrekking op de beslissing van de Staat om de Buitenhuizerbrug op dit moment niet te repareren. De Staat stelt dat zijn financiële middelen het op dit moment niet toelaten om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen en uit te voeren. De Staat stelt te werken aan een prioritering om te bepalen in welke volgorde hij het beschikbare geld gaat uitgeven. De besluitvorming in dat kader wordt volgens de Staat na de zomer verwacht. De Staat ziet geen aanleiding om vooruitlopend hierop financiële middelen in te zetten om de storing aan de Buitenhuizerbrug op te lossen.

4.2.

HJC c.s. menen dat de Staat handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door de Buitenhuizerbrug nu niet te repareren en dat hij daarmee onrechtmatig jegens hen handelt. Daarvoor is met name redengevend dat de stremming van de SMR via de westelijke route, terwijl de oostelijke route ook al gedurende langere tijd gestremd is, grote gevolgen heeft voor HJC c.s. HJC c.s. heeft ter onderbouwing hiervan onder meer gewezen op de vele boten die ‘klem’ zijn komen te zitten, watersporters die niet meer de veilige optie hebben om ‘binnendoor’ (in plaats van over zee) naar hun thuishaven te kunnen varen en de problemen die dit alles geeft voor de in het gebied gelegen watersportverenigingen. Dit valt volgens HJC c.s. niet te rechtvaardigen, aangezien er sprake is van maar een klein probleem waarvoor een relatief eenvoudige en goedkope oplossing voorhanden is.

Primaire verweer van de Staat en juridisch kader

4.3.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het primaire verweer van de Staat dat HJC c.s. niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Vaststaat dat Rijkswaterstaat als onderdeel van de Staat belast is met het beheer en onderhoud van de Buitenhuizerbrug. Aangenomen dat daarmee op de Staat een rechtsplicht rust om zorg te dragen voor reparatie van de Buitenhuizerbrug kan er sprake zijn van onrechtmatige handelen van de Staat, waartegen in dit kort geding kan worden opgekomen. De voorzieningenrechter gaat in zoverre voorbij aan het verweer van de Staat.

4.4.

Het enkele feit dat de Staat op dit moment niet zorgdraagt voor reparatie van de Buitenhuizerbrug is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Staat onrechtmatig handelt. Hoe ver de verplichtingen van de Staat in het kader van het beheer van de Buitenhuizerbrug strekken is afhankelijk van diverse relevante feiten en omstandigheden. De beheerstaak van de Staat, waarvan het onderhoud van de Buitenhuizerbrug een (klein) onderdeel vormt, is veelomvattend. Er spelen uiteraard veel meer belangen dan uitsluitend die van HJC c.s. De Staat moet al deze belangen bij de vervulling van zijn taak meewegen en – bij schaarste van middelen – prioriteiten stellen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de Staat een grote mate van vrijheid heeft bij de uitvoering van zijn publieke taak zodat van onrechtmatigheid niet snel sprake zal zijn.

Geen onrechtmatig handelen

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat hier in redelijkheid heeft kunnen komen tot de belangenafweging die hij heeft gemaakt. Daartoe is het volgende redengevend.

4.6.

De Staat heeft op de eerste plaats met zijn betoog, zoals verkort weergegeven onder 4.1, voldoende onderbouwd dat en waarom hij keuzes moet maken bij de inzet van de beperkte financiële middelen waarover hij beschikt. De Staat heeft ter onderbouwing van zijn verweer verwezen naar het in de brief van 19 juni 2026 aan de Tweede Kamer[_483964f0-a562-4abf-8961-13648ba5e711] opgenomen stappenplan om te komen tot een prioritering. Dat geeft er voldoende blijk van dat hierbij de nodige zorgvuldigheid wordt betracht.

4.7.

De omstandigheid dat het hier gaat om een relatief beperkt bedrag (als ervan wordt uitgegaan dat de storing kan worden opgelost voor het door HJC c.s. genoemde bedrag van € 100.000) kan niet doorslaggevend zijn om een uitzondering te maken op het door de Staat ingezette traject. De keuze van de Staat om ook relatief overzichtelijke reparaties onderdeel te laten vormen van de grotere afweging en prioritering bij de besteding van het beschikbare budget, acht de voorzieningenrechter navolgbaar.

4.8.

Bij het maken van keuzes zal de Staat, als gezegd, belangen afwegen. Bij die belangenafweging zal, niet in de laatste plaats, in acht (moeten) worden genomen de schade die ontstaat bij het maken van bepaalde keuzes. Dat de Staat zich hier onvoldoende rekenschap van heeft gegeven, is niet gebleken. HJC c.s. hebben duidelijk gemaakt dat een flink aantal watersporters gedupeerd is en wordt door de buitenwerkingstelling van de Buitenhuizerbrug. Hoewel HJC c.s. er ook op hebben gewezen dat leden (kunnen) vertrekken om elders, al of niet tijdelijk, met hun boten onderdak te zoeken en dat dat hen nadeel zal berokkenen, is in dit geding dat nadeel onvoldoende geconcretiseerd om te kunnen concluderen dat de Staat, ondanks de beleidsvrijheid die hem toekomt, in redelijkheid niet heeft kunnen beslissen niet nu onmiddellijk de Buitenhuizerbrug aan te pakken maar eerst, in de komende maanden, tot een alomvattend plan te komen. Uit het verweer van de Staat valt op te maken dat hij zich ervan bewust is dat de buitenwerkingstelling HJC c.s. nadeel berokkent en dat hij het liefst direct alle noodzakelijke onderhoud zou willen verrichten, maar dat hij ‘het grotere plaatje’ moet dienen wat een alomvattende beschouwing en prioritering vergt. Die beslissing is niet onrechtmatig jegens HJC c.s.

4.9.

Voor zover HJC c.s. nog wijzen op de veiligheidsrisico’s van een ‘gedwongen’ tocht over de Noordzee, volgt de voorzieningenrechter de Staat in zijn standpunt dat dit niet een relevant, bij zijn afweging te betrekken, aspect is. Het is aan individuele schippers te beoordelen of een dergelijke reis mogelijk en verantwoord is. HJC c.s. hebben overigens niet aannemelijk gemaakt dat dit een zodanig reëel risico is dat de Staat daar rekening mee zou moeten houden, laat staan dat hier doorslaggevend betekenis aan zou moeten worden toegekend.

4.10.

Het beroep dat HJC c.s. hebben gedaan op het Routeakkoord Tussen het IJsselmeer en de Deltawateren 2020 tot en met 2026 wordt verworpen. Dit betreft een convenant gesloten tussen verschillende vaarwegbeheerders met het oog op het coördineren van de bedieningstijden en het beheer en onderhoud van beweegbare objecten. In dit convenant zijn inspanningsverplichtingen voor beheerders opgenomen, waaronder ten aanzien van de beschikbaarheid (in ruime mate) van de routes voor een veilige en vlotte verkeersafhandeling, de frequentie waarbinnen de routes kunnen worden afgelegd en het niet gelijktijdig stremmen van de oostelijke en westelijke route onder reguliere omstandigheden. HJC c.s. hebben, in het licht van het gemotiveerde verweer van de Staat, onvoldoende onderbouwd dat zij hier (concrete) rechten aan kunnen ontlenen, laat staan het recht op herstel van de storing aan de Buitenhuizerbrug.

Conclusie en proceskostenveroordeling

4.11.

Al het voorgaande in aanmerking nemende, kan niet worden geconcludeerd dat de Staat onrechtmatig handelt jegens HJC c.s. door de storing aan de Buitenhuizerbrug nu niet op te lossen. Voor toewijzing van een van de vorderingen is dan ook geen plaats.

4.12.

HJC c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 735

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

-------------------

Totaal € 2.101

4.13.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt HJC c.s. in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als HJC c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.2.

veroordeelt HJC c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.

ts

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.