Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 3 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22527Zaaknummer NL24.23582
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL24.23582
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
VA, Pakistan, problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa terecht niet geloofwaardig geacht, ongegrond
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23582
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Wieman).
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Hussain als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
1. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag.
Eiser heeft een succesvolle kledingzaak. [naam 1], de eigenaar van een andere kledingzaak, was jaloers op eiser. [naam 1] heeft [naam 2] naar eisers winkel gestuurd om kleding te bestellen en heeft hiervoor een voorschot betaald. Bij het ophalen van de kleding ontstond er onenigheid over het resterende bedrag dat moest worden betaald. [naam 2] wilde dat eiser zweerde dat het volledige bedrag was betaald. Eiser heeft dit geweigerd omdat hij Christen is en omdat Christenen niet zweren. [naam 2] heeft eiser toen beschuldigd van belediging van de profeet. [naam 1] is vervolgens de winkel in gekomen en heeft eiser geslagen. Eiser is vertrokken en zijn winkel is vernield. Vervolgens is er een grote groep mensen, waaronder [naam 1], naar eisers huis gegaan maar eiser was niet aanwezig. Twee dagen later is er een fatwa tegen eiser uitgesproken. Eiser houdt [naam 1] hier verantwoordelijk voor. Eiser vreest bij terugkeer naar Pakistan te worden vermoord. Daarnaast wordt eiser als christen gediscrimineerd in Pakistan.
Het bestreden besluit
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Het behoren tot het christendom;
3. Discriminatie tegen christenen in het land van herkomst;
4. Problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa.
Verweerder heeft de eerste drie asielmotieven geloofwaardig geacht. De problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa acht verweerder ongeloofwaardig. Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat eiser wisselend heeft verklaard over de aanleiding van de blasfemiebeschuldiging. Eiser baseert zich op aannames en speculaties. Zo heeft eiser niet onderbouwd dat [naam 1] achter de escalatie in de kledingwinkel zit of dat [naam 2] in opdracht van [naam 1] een bestelling heeft geplaatst. Daarnaast verklaart eiser volgens verweerder wisselend over de fatwa en acht verweerder het opmerkelijk dat eiser de namen van zijn werknemers niet weet.
De geloofwaardig geachte asielmotieven leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder voert hiertoe aan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het behoren tot het christendom zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit.
Beoordeling door de rechtbank
Problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht dat hij problemen heeft gehad in zijn kledingwinkel en dat hij de fatwa heeft verkregen. Eiser voert hiertoe aan dat hij niet wisselend heeft verklaard over de aanleiding van de blasfemiebeschuldiging. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor al uitgelegd dat dit was vanwege jaloezie. Verder is het volgens eiser aannemelijk dat hij vanwege zijn goed lopende bedrijf en zijn geloof vals is beschuldigd van blasfemie. Uit landeninformatie volgt namelijk dat christenen vaak slachtoffer worden van valse blasfemie beschuldigingen en dat er vaak andere redenen achter een dergelijke beschuldiging zitten.[_9c2d6d7e-47f7-48b7-a644-6347f7ff9076] Over de fatwa stelt eiser zich op het standpunt dat hij ook hier niet wisselend dan wel vaag over heeft verklaard en dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij enkel een foto van een kopie heeft overgelegd en niet de kopie zelf.[_d4b857ed-b42f-4768-b91c-824bb8aeeb41] Verweerder zou de kopie namelijk ook niet op echtheid kunnen controleren zodat dit verwijt volgens eiser geen doel treft. Verweerder kan de inhoud van de fatwa volgens eiser ook niet aan hem tegenwerpen. Verweerder stelt namelijk ook dat er geen waarde aan de fatwa kan worden gehecht omdat de naam van de vertaler van de fatwa ontbreekt. Daarnaast is de fatwa vertaald door een beëdigde vertaler. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat het niet relevant is dat hij de achternamen van zijn medewerkers niet kent, temeer nu uit landeninformatie volgt dat Pakistan geen vaste achternamen kent.[_fde7823a-16cb-4efd-b00e-369f7938d89f]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers gestelde problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft eiser in dit kader allereerst terecht tegengeworpen dat zijn verklaringen over de problemen op aannames en speculaties berusten. Zo heeft eiser verklaard dat hij van zijn moeder heeft vernomen dat [naam 1] achter de problemen in de kledingwinkel zit (p. 6 nader gehoor), maar kan eiser dit verder niet onderbouwen (p. 16 nader gehoor). Verweerder heeft dit terecht onvoldoende gevonden om geloofwaardig te achten dat [naam 1] het conflict in de kledingwinkel in scene heeft gezet om eiser te beschuldigen van blasfemie. Eiser heeft immers ook verklaard dat er in Pakistan geen aanleiding of getuigen hoeven te zijn om iemand te beschuldigen van blasfemie (p. 18 nader gehoor). Verweerder wijst er terecht op dat niet valt in te zien dat [naam 1] het incident in de kledingwinkel dan in scene zou hebben gezet om getuigen te creëren. Dit is volgens eisers verklaringen immers niet nodig om iemand te beschuldigen van blasfemie. Dat uit landeninformatie blijkt dat christenen vaak slachtoffer worden van valse blasfemie beschuldigingen doet aan het voorgaande niet af omdat hieruit niet volgt dat eiser specifiek slachtoffer is geworden van valse blasfemiebeschuldigingen. Eiser heeft dit ook anderszins niet onderbouwd. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat deze speculerende verklaringen en aannames afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen.
Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op gewezen dat eiser wisselend en vaag heeft verklaard over de inhoud en totstandkoming van de fatwa en over hoe deze bij eiser terecht is gekomen. Zo heeft eiser verklaard dat hij van zijn moeder heeft gehoord dat er een fatwa is uitgesproken en dat zijn moeder dit van andere mensen in de wijk heeft gehoord (p. 19 nader gehoor). Eiser heeft in zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor echter gesteld dat de fatwa bij hem thuis is gebracht. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij en zijn moeder beiden gevlucht waren (p. 4 en 6 nader gehoor). Verweerder stelt terecht dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn en dat het niet duidelijk is wie de fatwa thuis in ontvangst zou hebben genomen of zou hebben aangetroffen. Verweerder stelt terecht dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet wat de fatwa in zijn geval inhoudt, maar ook dat hij wel weet wat deze inhoudt, namelijk dat er in staat dat hij de profeet heeft beledigd (p. 4 nader gehoor). Verweerder heeft deze verklaringen terecht tegenstrijdig gevonden. Verder heeft eiser verklaard dat hij geen foto van de fatwa heeft gemaakt omdat hij anders problemen kan krijgen (p. 18 nader gehoor). Eiser heeft echter op 20 maart 2023 een foto van de fatwa overgelegd zonder uit te leggen hoe hij hier aan is gekomen. Ook dit heeft verweerder wisselend kunnen vinden. Over de (vertaling van de) foto van de kopie van de fatwa heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank tot slot terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud van de door eiser overgelegde vertaling niet overeen komt met de verklaringen van eiser en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers problemen. Zo heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij weet dat [naam 1] de fatwa heeft aangevraagd omdat zijn naam op de fatwa staat (p.18 nader gehoor) terwijl in de door eiser overgelegde vertaling de naam van [naam 1] niet wordt genoemd. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder de fatwa ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn oordeel omdat niet duidelijk is wie de kopie heeft vertaald, volgt de rechtbank dit, gelet op het voorgaande niet. Verweerder heeft de vertaling immers kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. Onder voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder op te dragen nader onderzoek naar de fatwa te laten verrichten zoals door eiser ter zitting voorgesteld.
Tot slot heeft verweerder eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht tegengeworpen dat het opmerkelijk is dat hij niet weet wat de achternamen van zijn werknemers zijn. Eiser stelt weliswaar terecht dat uit landeninformatie blijkt dat Pakistan geen formeel systeem voor het toekennen van achternamen kent, maar uit de passage waar eiser naar verwijst blijkt ook dat achternamen wel in Pakistan worden gebruikt. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van een achternaam in Pakistan weliswaar anders is dan in Nederland, maar dat dit niet betekent dat niet van eiser kan worden verwacht dat hij de achternamen van zijn werknemers weet. Dat, zoals eiser stelt, dit niet relevant is voor zijn asielaanvraag, volgt de rechtbank niet. Het gaat immers om de beoordeling van de algehele geloofwaardigheid van eisers relaas. Hieronder kunnen ook details vallen over bijvoorbeeld achternamen van werknemers.
Tussenconclusie
5. Al gelet op de onder 4.1., 4.2. en 4.3.. vermelde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa ongeloofwaardig zijn. De rechtbank laat de overige tegenwerpingen en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd dan ook onbesproken. Nu dit asielmotief dus terecht ongeloofwaardig is geacht, levert dit geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser vanwege zijn gestelde problemen in de kledingwinkel en het verkrijgen van de fatwa niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.