Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 10 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22364Zaaknummer NL26.43255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10 augustus 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.43255
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bewaring, eerste beroep, 59a Vw, bekendmaking verlengingsbesluit, gronden deugdelijk gemotiveerd, geen lichter middel, voldoende voortvarend, zicht op overdracht, vlucht geboekt, beroep ongegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43255

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring[_ecd6ddd0-6d3b-49ba-9cde-9593f0ab01a4] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw[_b461f210-891a-4127-8359-53cca0c8b32a]. Eiser is het niet eens met die maatregel.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 30 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.[_7665a3d4-193e-4919-90ea-98fb2e718f08] Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_3332cb7d-04b6-49c4-bca2-2c932c64c34a]

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV[_474dc9c3-91aa-4a39-b27d-f7b507efede9] van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in bewaring stellen.[_7cc26212-b39e-4189-b8b5-22f7527cb008] Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_48cdab38-9c80-4062-a71d-b65b676b0a66] Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [_ca46b82d-cf2f-4389-ab08-4b86eb90434b] De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.[_afbb2935-21bc-4294-a6ac-42453218c8cd]

De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en er een onderduikrisico bestaat.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;

k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Grondslag

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen, omdat er een concreet aanknopingspunt is voor een overdracht zoals bedoeld in de AMBV. Daartoe is van betekenis dat Nederland op 30 september 2025 een claimverzoek aan de Zwitserse autoriteiten heeft verzonden, Zwitserland dit verzoek op 2 oktober 2025 heeft aanvaard en dat op 5 februari 2026 de overdrachtstermijn is verlengd met 18 maanden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Zoals blijkt uit het dossier is dit verlengingsbesluit aan de toenmalige gemachtigde van eiser bekend gemaakt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het betoog van eisers gemachtigde dat het verleningsbesluit niet rechtsgeldig is. De enkele stelling dat het niet op juiste wijze aan eiser is bekend gemaakt is niet onderbouwd en voor deze stelling zijn geen aanknopingspunten aanwezig in het dossier. Op zitting heeft de minister voorts aan de hand van Dublinnet aangegeven dat het verlengingsbesluit op 5 februari 2026 ook aan de Zwitserse autoriteiten is meegedeeld en dat deze de ontvangst daarvan hebben bevestigd.

Gronden

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gronden a, d, k, o, p, r en s deugdelijk heeft gemotiveerd en terecht aan eiser heeft tegengeworpen: (a) Niet is gebleken dat eiser tijdens zijn inreis (in Nederland) in het bezit was van de vereiste (reis)documenten. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij zijn paspoort is kwijtgeraakt; (d) Uit het claimakkoord van Zwitserland is gebleken dat eiser zich heeft laten registreren onder andere gegevens; (k) Eiser heeft op 14 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend, die vanwege het overdrachtsbesluit van 25 november 2025 niet in behandeling is genomen. Het daartegen ingediende beroep is ongegrond verklaard en het hoger beroep is door de Afdeling niet-ontvankelijk verklaard. Op 3 februari 2026 stond de overdracht gepland, maar eiser heeft zich niet gemeld waardoor de overdracht is geannuleerd; (o) Eiser is op 5 februari 2026 mob gemeld, omdat hij zich niet heeft gehouden aan de aan hem opgelegde meldplicht; (p) Eiser beschikt niet over een geldig nationaal paspoort en heeft niet aangetoond dat hij zich beschikbaar heeft gesteld voor vertrek/overdracht; (r) Eiser staat niet ingeschreven in de BRP; (s) Eiser beschikt niet over eigen zelfstandige middelen van bestaan.

Lichter middel

7. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Aan eisers mededeling dat hij nu wel wil meewerken en vrijwillig wil terugkeren, kan gezien met name de gronden k en o in dit verband geen doorslaggevend belang worden toegekend.

7.1.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische omstandigheden van eiser kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in de detentie- en uitzetcentra (eventuele) zorg aanwezig is die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Ook is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid en zicht op overdracht

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt: voor eiser is een vlucht naar Zwitserland geboekt op 10 augustus 2026.

Overig

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel een deugdelijke non-refoulement beoordeling heeft gemaakt. Ook staat vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.[_fcab129f-90fa-4cf2-a2b5-c8a8b05842ea]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.