Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 13 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22340Zaaknummer NL26.4194
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 juli 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.4194
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Trefwoorden: ongegrond, Marokko, ongeloofwaardige verklaringen, ongeloofwaardige geboortedatum, gevaren vanwege verblijf liefdadigheidsinstelling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 13 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4194
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [verweerder] , eiser
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).
Inleiding en procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.
4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eiser stelt verder te zijn geboren op [geboortedatum] 1995, ook al staat eiser geregistreerd met het geboortejaar 1997. Eiser is, zoals gebruikelijk toentertijd in Marokko, later geregistreerd door zijn moeder. De vader van eiser is rond het jaar 2000 overleden. Daarna is de broer van eiser overleden tussen het jaar 2003 en 2007. Eiser vreest te worden vermoord bij terugkeer naar Marokko omdat hij, evenals zijn broer, de zoon is van zijn vader. Eiser vreest daarnaast problemen vanwege zijn verblijf in een liefdadigheidsinstelling vanaf 2000 tot 2010. Hij is gedurende zijn verblijf mishandeld en heeft het verzoek van de directeur van de instelling het verzoek gekregen om overheidsfunctionarissen te bespioneren. Eiser heeft dat geweigerd en is naar aanleiding daarvan vertrokken uit Marokko in 2010. De kennis van eiser over de mishandelingen in de liefdadigheidsinstelling en zijn afwijzing van het spionageverzoek zal zorgen voor problemen bij terugkeer van eiser naar Marokko. Eiser is sinds zijn vertrek in 2010 uit Marokko driemaal teruggekeerd naar Marokko, waarvan de laatste keer een periode van 2017 tot en met 2019 is geweest.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Verblijf op de liefdadigheidsinstelling en de daaruit volgende problemen;
- De problemen voortkomende uit het overlijden van de vader van eiser.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig zijn. De minister volgt niet de gestelde leeftijd van eiser omdat de verklaringen van eiser niet aannemelijk maken dat de geboortedatum van eiser verkeerd is geregistreerd. Eiser heeft hier geen documenten voor overgelegd terwijl eiser heeft aangegeven documenten bij zijn moeder te hebben die zijn identiteit onderbouwen. De minister vindt daarom dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Verder vindt de minister het verblijf en de ondervonden mishandelingen in de liefdadigheidsinstelling geloofwaardig maar niet dat eiser is gevraagd om te spioneren of dat eiser nog problemen zal ondervinden bij terugkeer naar Marokko vanwege zijn verblijf in de instelling. De minister vindt dat niet geloofwaardig omdat eiser geen documenten ter onderbouwing heeft overgelegd terwijl eiser, zoals hij heeft verklaard, wel daartoe in staat is. Ook werpt de minister tegen dat eiser vaag en summier heeft verklaard. Daarnaast is het verblijf meer dan vijftien jaar geleden waardoor het minder geloofwaardig is dat eiser nu nog problemen door het verblijf zal ondervinden. Ook werpt de minister tegen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig als mogelijk heeft ingediend. Eiser heeft 3 á 4 vier dagen gewacht en dat is tegenstrijdig met de gestelde vrees voor zijn leven in Marokko. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte het geboortejaar van eiser ongeloofwaardig heeft gevonden. Daar komt bij dat de minister dat ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de overige asielmotieven. Eiser heeft zich wel degelijk ingezet om documenten te overleggen om zijn asielrelaas te onderbouwen. Het overleggen van documenten is echter feitelijk onmogelijk geweest omdat eiser geen feitelijke controle heeft over de documenten. De documenten liggen immers bij de moeder van eiser. Daarnaast onderbouwen openbare bronnen dat late registraties en foutieve geboortedata veelvuldig voorkomen in Marokko. De verklaringen van eiser zijn daarom, in tegenstelling tot wat de minister stelt, wel geloofwaardig.
8. De rechtbank is van oordeel de minister terecht de verklaringen van eiser met betrekking tot zijn leeftijd niet volgt. De minister heeft allereerst terecht tegengeworpen dat eiser geen documenten ter onderbouwing heeft overgelegd, te meer omdat eiser in zijn nader gehoor heeft aangegeven wel over documenten te beschikken. Ook al heeft de moeder van eiser de feitelijke macht over deze documenten dan nog mag de minister verwachten dat eiser deze overlegt of in ieder geval zich daartoe inspant. Van een dergelijke inspanning is niet gebleken. De twee in beroep door eiser overgelegde bronnen over leeftijdsregistratie in Marokko maken de beoordeling niet anders. Omdat de bronnen in het algemeen problemen beschrijven omtrent tijdige registratie van geboortes in Marokko maakt eiser hiermee niet aannemelijk dat dit ook op zijn individuele situatie van toepassing is. Overigens heeft de onduidelijkheid over de geboortedatum, zoals de minister heeft bevestigd op de zitting, geen invloed gehad op de beoordeling van de overige asielmotieven. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert aan dat de minister het verblijf in een liefdadigheidsinstelling geloofwaardig heeft gevonden maar de actuele problemen vanwege dat verblijf ongeloofwaardig heeft gevonden. De minister maakt daarmee ten onrechte een kunstmatige knip tussen het verblijf en de actuele vrees. Daarnaast heeft de minister onvoldoende in de beoordeling betrokken dat eiser niet nauwkeuriger dan dit kan verklaren over de gebeurtenissen in de liefdadigheidsinstelling en over het verzoek tot spionage. Er zijn namelijk veel jaren verstreken sinds het verblijf in de instelling. Daar komt bij dat eiser nog erg jong was ten tijde van de gebeurtenissen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de problemen bij terugkeer in Marokko vanwege eerder verblijf in een liefdadigheidsinstelling van 2000 tot 2010 en het verzoek tot spionage ongeloofwaardig zijn. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaringen van eiser onvoldoende concreet en wisselend zijn. Eiser kan bijvoorbeeld niet concreter zijn dan dat hij overheidsfunctionarissen moest bespioneren van de directeur. Eiser kan ook niet aangeven wat voor problemen hij nu nog zal ondervinden door zijn verblijf in een liefdadigheidsinstelling. De minister heeft hier bij ook terecht het tijdsverloop betrokken sinds de gestelde problemen. De rechtbank kan de minister volgen in zijn standpunt dat het niet geloofwaardig is dat eiser nu nog problemen zal hebben omdat hij meer dan 15 jaar geleden getuige was van mishandelingen in de liefdadigheidsinstelling. Daarnaast heeft de minister terecht in zijn beoordeling betrokken dat eiser na 2010 nog driemaal is teruggekeerd naar Marokko waarvan de laatste keer een periode betrof vanaf 2017 tot en met 2019. Dat doet afbreuk aan de gestelde vrees. De minister heeft gelet op wat hiervoor is overwogen, anders dan eiser stelt, geen kunstmatige knip gemaakt tussen het verblijf in de instelling en de problemen die daaruit zouden zijn voortgevloeid. De leeftijd van eiser ten tijde van de incidenten maakt het oordeel niet anders omdat het onvoldoende reden is voor de vage en summiere verklaringen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser voert aan dat de minister te hoge eisen stelt aan de verklaringen van eiser over de dood van zijn vader en broer en de gevolgen daarvan voor de veiligheid van eiser. Eiser kan nou eenmaal niet veel bewijs overleggen. Eiser was ten tijde van de incidenten minderjarig en kreeg niets mee van de onderzoeken. Verder is hij voor informatie afhankelijk van derden.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht de gevreesde problemen vanwege de dood van de vader en de broer van eiser ongeloofwaardig heeft gevonden. De verklaringen van eiser zijn te algemeen en maken niet helder waarop eiser zijn vrees baseert. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet het gestelde verband tussen de dood van de vader en de dood van de broer en de actuele vrees van eiser. De minister heeft daarnaast terecht het tijdsverloop tegengeworpen. Het is niet geloofwaardig dat eiser nu nog gevaar loopt om het enkele feit dat hij de zoon is van zijn vader terwijl zijn vader en broer meer dan twintig jaar geleden zijn overleden. De leeftijd van eiser ten tijde van de incidenten ontslaat eiser niet van de verantwoordelijkheid om zijn gestelde vrees aannemelijk te maken. Daar komt bij dat eiser bij andere betrokkenen, zoals zijn moeder, navraag heeft kunnen doen over de omstandigheden rond het overlijden van zijn vader en broer. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser voert aan dat de minister op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) uitstel van vertrek had moeten geven. In dat kader heeft eiser gesteld dat op 12 februari 2026 een mri-scan heeft plaatsgevonden.
14. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat op 12 februari 2026 een mri-scan is gemaakt, geen aanleiding heeft hoeven zijn voor de minister om met toepassing van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te verlenen.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 13 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.