Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22326Zaaknummer NL25.19342 V
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.19342 V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Dublin Spanje, verzet. Verzet ongegrond
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.19342 V
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant],
geboren op [geboortedag] 1997, van Algerijnse nationaliteit, opposant,
(gemachtigde: mr. H. Loth),
tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak NL25.19342 van 24 juli 2025 (hierna: de bestreden uitspraak) in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde.
Procesverloop
1. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het beroep van opposant ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of de rechtbank in de beroepsprocedure terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of in de beroepszaak terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen.
De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Spanje.
De rechtbank stelt voorop dat verzet uitsluitend de vraag betreft of de rechtbank ten onrechte tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling in dit geval beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
3. Opposant stelt dat de rechtbank ten onrechte uitspraak zonder zitting heeft gedaan, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld aanvullende informatie in zijn zaak naar voren te brengen. Hij had nadere stukken willen inbrengen en heeft nu niet de mogelijkheid gehad om nieuwe geactualiseerde informatie omtrent zijn situatie en de situatie in Spanje in te dienen, aldus opposant.
Gelet op het beroepschrift is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank tot vereenvoudigde behandeling heeft kunnen overgaan door uitspraak te doen zonder zitting. Het ligt op de weg van opposant om bij het beroepschrift, dan wel nadat hem een herstelverzuim is geboden, alle argumenten en stukken naar voren te brengen die hij naar voren wenst te brengen. In verzet is er niets anders aangevoerd, of onderbouwd, waaruit blijkt dat de zaak zich niet leende voor vereenvoudigde behandeling. De enkele stelling dat geen rekening is gehouden met de geactualiseerde situatie van Spanje, is niet aannemelijk gemaakt. Uit artikel 8:54 van de Awb volgt dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om zonder zitting uitspraak te doen indien buiten redelijke twijfel vaststaat dat het beroep ongegrond is. In verzet oordeelt de rechtbank dat zij terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de zaak buiten zitting af te doen. Dat het woord “kennelijk” abusievelijk is weggevallen in de buiten zitting uitspraak, maakt dit niet anders. Uit de uitspraak zelf en uit het feit dat er geen zitting is gehouden volgt duidelijk dat het gaat om een kennelijk ongegrond beroep.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van opposant met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb zonder een zitting heeft mogen afdoen.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzet is ongegrond. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 juli 2025. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.