Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 10 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22294Zaaknummer C/09/703978 / FA RK 26-4121

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/703978 / FA RK 26-4121
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorzieningen

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [minderjarige] twee dagen per week bij zich te hebben, in onderling overleg met alle betrokkenen vast te stellen;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 april 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] van € 441,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Verzoek en verweer
  3. Feiten
  4. Beoordeling
  5. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-4121

Zaaknummer: C/09/703978

Datum beschikking: 10 juli 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 23 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout te Capelle aan den IJssel.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het F9 formulier van 12 juni 2026 met bijlage van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweerschrift op zelfstandig tegenverzoek.

De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 25 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt te bepalen dat:

- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel;

- de minderjarige [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;

- de man aan de vrouw zal voldoen, met ingang van 20 maart 2026:

- er van uitgaande dat de man de eigenaarslasten van voormelde woning zal dragen en geen aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding, alsmede dat aan [jongmeerderjarige] een gelijke bijdrage zal toekomen als ter zake [minderjarige]:

- voor [minderjarige] een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 558,- per maand;

- indien de man aangeeft dat hij de eigenaarslasten van voormelde woning niet wenst te dragen en/of aanspraak maakt op een gebruiksvergoeding:

- voor [minderjarige] een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 605,- per maand;

- voor de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud van € 750,- per maand.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Ook verzoekt de man zelfstandig:

- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] te bepalen waarbij [minderjarige] twee dagen in de week bij de man verblijft, zulks in onderling overleg met [minderjarige] vast te stellen;

- de kinderbijdrage voor [minderjarige] ten laste van de man vast te stellen op € 441,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2006.

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats].

- Zij zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats].

- [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.

Beoordeling

Toevertrouwing [minderjarige]

De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van [minderjarige] toewijzen.

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

Het verzoek van de vrouw om haar het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], toe te kennen, kan als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.

Voorlopige zorgregeling

De vrouw en de man zijn het eens over de voorlopige zorgregeling voor [minderjarige]. Deze overeenstemming houdt in dat [minderjarige] twee dagen per week bij de man verblijft, in onderling overleg met alle betrokkenen vast te stellen. De rechtbank zal dit vaststellen omdat zij dit ook in het belang van [minderjarige] acht.

Voorlopige alimentatie

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze verzoeken hebben het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure.

Bij de vaststelling van de voorlopige kinder- en partneralimentatie en de berekeningen neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een door de man ten behoeve van [minderjarige] te betalen voorlopige kinderalimentatie vast te stellen van € 558,- per maand dan wel € 605,- per maand, met ingang van 20 maart 2026. De man voert verweer.

Ingangsdatum

De rechtbank zal eerst de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie beoordelen.

De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 april 2026, hanteren. De man heeft namelijk vanaf die datum rekening kunnen houden met zijn alimentatieverplichting ten aanzien van [minderjarige].

Behoefte

Vast staat dat partijen eind 2025 uit elkaar zijn gegaan. Tussen de vrouw en de man is in geschil of voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige] moet worden uitgegaan van de inkomensgegevens van de vrouw over het jaar 2024, zoals de man stelt, of 2025 zoals de vrouw betoogt.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de vrouw tijdens het huwelijk geen betaalde arbeid heeft verricht en dat zij op 14 april 2025 in dienst is getreden bij haar huidige werkgever voor twintig uur per week. Bij deze stand van zaken vindt de rechtbank de inkomensgegevens over het jaar 2024, waarin de vrouw geen inkomen had, het meest representatief voor de inkomenssituatie van partijen tijdens het huwelijk en de mate van welstand waarin zij leefden. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de inkomensgegevens over het jaar 2024 dient te worden uitgegaan, waarbij het NBI van de vrouw nihil is.

Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 89.270,- bruto per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave 2024 van de man.

Tussen partijen is in geschil of het bruto inkomen van de man gecorrigeerd dient te worden met de fiscale bijtelling van de auto.

De rechtbank overweegt dat conform de uitgangspunten in het Rapport Alimentatienormen bij de berekening van het NBGI geen rekening wordt gehouden met de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Namens de vrouw is bepleit om op dit punt af te wijken van het Rapport omdat het gezin wel het genot van de auto had maar niet de kosten. De rechtbank ziet daar geen aanleiding toe. Een fiscale bijtelling leidt tot een hogere loonheffing en is bij uitstek bedoeld om in de belasting rekening te houden met het genot dat een werknemer heeft van het privégebruik van zijn auto. Uit de overgelegde salarisspecificaties over 2024 van de man blijkt een fiscale bijtelling van € 711,48 per maand, zodat de rechtbank het inkomen uit de jaaropgave dat inclusief de bijtelling is, zal corrigeren met (711,48 x 12 =) € 8.538,-. Dit leidt tot een bruto inkomen van afgerond € 80.732,- in 2024.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 4.483,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 4.483,- per maand (€ nihil + € 4.483,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 300,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.098,- per maand voor de kinderen. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.149,- per maand ofwel € 575,- per maand per kind.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de vrouw in 2026 € 2.000,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.

Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2000,- en € 2.050,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 77,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.750,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een bonus van € 2.700,- per jaar en vergoeding secundaire arbeidsvoorwaarden van € 556,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van door de man overgelegde salarisstroken over de maanden maart tot en met mei 2026.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • ANW premie van € 22,13 per maand;
  • Pensioenpremie Basis van € 230,62 per maand;
  • Pensioenpremie bijsparen van € 209,34 per maand;
  • Premie WGA-Hiaat van € 15,84 per maand;
  • Gedifferentieerde premie Whk € 12,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.412,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de woonlasten van partijen, omdat tussen partijen in geschil is op welke wijze daar rekening mee moet worden gehouden.

Nu partijen op grond van de wet (omdat zij geen andere afspraken hebben gemaakt) ieder de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning moeten voldoen ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget (30% van het NBI).

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [€ NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.412 – (1.324 + 1.365)] = € 1.206,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.283,- per maand (€ 77,- + € 1.206,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.206 / 1.283 x 1.149 = € 1.080,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 77 / 1.283 x 1.149 = € 69,-

samen € 1.149,-

Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.080,- per maand, wat neerkomt op € 540,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 69,- per maand, wat neerkomt op € 34,50 per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 287,- per maand (25% van € 1.149,-).

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige] bedraagt dan € 396,- per maand (€ 540,- -/- € 144,-).

Conclusie

Uitgaande van bovenstaande volgt een door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 396,- per maand. Nu de man heeft aangeboden een voorlopige kinderalimentatie van € 441,- per maand voor [minderjarige] te betalen, zal de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 23 april 2026 vaststellen op dit laatstgenoemde bedrag.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen die hangende de echtscheidingsprocedure tussen de echtgenoten getroffen kunnen worden op grond van artikel 822, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen ruimte biedt om een voorlopige kinderalimentatie voor een jongmeerderjarige vast te stellen. Partijen hebben in het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure wel overeenstemming over de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] bereikt, in die zin dat zij haar behoefte gelijk stellen aan de behoefte van [minderjarige]. De man heeft toegezegd dat hij een bedrag van € 441,- per maand rechtstreeks aan [jongmeerderjarige] zal voldoen. De rechtbank gaat ervan uit dat hij die toezegging nakomt.

Voorlopige partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht een de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van € 750,- per maand bepalen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

De vrouw heeft geen standpunt ingenomen over de huwelijksgerelateerde behoefte. De man heeft aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van enig bedrag aan partneralimentatie. Hij houdt daarbij rekening met het feit dat hij een bedrag van € 411 per maand aan [jongmeerderjarige] zal betalen. De rechtbank acht dat in het kader van deze voorlopige voorzieningen niet onredelijk. Zij volgt het standpunt van de man en zal geen voorlopige partneralimentatie vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [minderjarige] twee dagen per week bij zich te hebben, in onderling overleg met alle betrokkenen vast te stellen;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 april 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] van € 441,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 juli 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.