Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22228Zaaknummer C/09/703050 / FA RK 26-3550

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
25 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/703050 / FA RK 26-3550
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen: uitsluitend gebruik van de echtelijke woning valt na belangenafweging uit naar de vrouw. Voorlopige toevertrouwing, voorlopige zorgregeling en afgifte goederen.

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw, met ingang van 1 september 2026, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat de man en [de minderjarige] twee keer per week met elkaar zullen videobellen zonder aanwezigheid van de vrouw of een derde;

*

bepaalt als voorlopige zorgregeling dat vanaf 10 augustus 2026 binnen vier weken wordt toegewerkt naar vier uur (aaneengesloten) onbegeleid contact per week tussen de man en [de minderjarige];

*

beveelt dat de man aan de vrouw de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik van [de minderjarige] beschikbaar zal stellen, waaronder begrepen:

- de kleding van de vrouw en [de minderjarige], het speelgoed van [de minderjarige], de medicijnen van [de minderjarige] en de vrouw, de fiets van [de minderjarige] en de vrouw, de werkspullen van de vrouw en het paspoort van [de minderjarige];

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Voorlopige voorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-3550

Zaaknummer: C/09/703050

Datum beschikking: 9 juli 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 10 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L. da Silva in 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.E.R. van Herpen in 's-Gravenhage

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het bericht met bijlagen van 15 april 2026 van de man;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw;
  • de berichten met bijlagen van 22 mei 2026 van de man en de vrouw;
  • het bericht met bijlagen van 23 juni 2026 van de man.

Op 25 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

[de minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening gegeven.

Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn op [datum] 2016 in [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats].
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige].

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe dat:

  • primair:
  • de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • [de minderjarige] aan de man zal worden toevertrouwd;
  • een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) ten aanzien van [de minderjarige] wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige] van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vrouw is, en zij twee keer per week met elkaar videobellen;
  • subsidiair: in het geval dat de primaire verzoeken van de man worden afgewezen, een zorgregeling waarbij [de minderjarige] van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man is, en zij minimaal twee keer per week met elkaar videobellen;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig:

  • te bepalen dat [de minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
  • te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning de [adres], met inbegrip van de bijbehorende inboedel en te bevelen dat de man met ingang van 1 september 2026 de woning dient te verlaten en niet verder mag betreden;
  • een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige] vast te stellen in die zin dat [de minderjarige] contact heeft met de man onder begeleiding van een medewerker van een professionele organisatie die begeleide omgang tussen de ouders en [de minderjarige] faciliteert, waarbij de opbouw, frequentie, duur, plaats en de wijze van de begeleide omgang wordt bepaald door de professionele organisatie;
  • dat de man aan de vrouw beschikbaar zal stellen de goederen strekkend tot haar dagelijks gebruik en strekkend tot het dagelijks gebruik van [de minderjarige], waaronder in begrepen:
  • de kleding van de vrouw en [de minderjarige];
  • het speelgoed van [de minderjarige];
  • medicijnen voor de vrouw en [de minderjarige];
  • alle spullen met betrekking tot het werk van de vrouw;
  • het paspoort van [de minderjarige];
  • de auto met het kenteken [kenteken];
  • de Harley Davidson Low Rider van de vrouw met de bijbehorende spullen;
  • de fiets van [de minderjarige] en de vrouw;
  • spullen van wijlen vader van de vrouw alsmede de jeugdfoto’s en spullen van de vrouw;

op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man niet voldoet aan de afgifte van deze goederen met een maximum van € 10.000,-;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en toevertrouwing [de minderjarige]

Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hen toe te kennen, en om [de minderjarige] aan hen toe te vertrouwen.

De man voert ter onderbouwing van zijn verzoeken het volgende aan. Al langere tijd was er sprake van een moeizame relatie tussen partijen. In maart heeft zich de situatie voorgedaan waarbij de man schoenen heeft gevonden die niet van hem waren. Na de confrontatie is de vrouw met vriendinnen voor vijf dagen op vakantie gedaan. In deze periode heeft de man dagelijks de zorg voor [de minderjarige] gehad. Na terugkomst uit Marrakesh heeft de vrouw opnieuw aangedrongen bij de man om te praten, terwijl de man dit niet wilde. Uiteindelijk is de vrouw op 31 maart 2026 vertrokken uit de echtelijke woning en heeft [de minderjarige] in de middag bij school opgehaald. Sindsdien heeft de man nauwelijks nog contact met [de minderjarige]. Hoewel de man erkent dat er sprake was van spanningen en ruzie tussen partijen, betwist de man met klem dat hij fysiek geweld heeft gebruikt naar de vrouw. De man stelt zich op het standpunt dat hij al jarenlang de hoofdverzorger is van [de minderjarige]. Zo brengt en haalt hij [de minderjarige] meerdere dagen per week naar school. Daarnaast is de man contactpersoon voor medische problemen die optreden rondom de diabetes van [de minderjarige], en is hij het aanspreekpunt voor school, scouting, sociale groepen en andere (sport) activiteiten. De man acht het daarom ook van belang dat [de minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, zodat hij [de minderjarige] dagelijks naar school kan brengen en kan zorgen voor dagelijkse structuur. De man verzoekt daarom ook het uitsluitend gebruik van de woning, zodat hij samen met [de minderjarige] in de woning kan blijven.

De vrouw voert verweer. Zij heeft een andere belevenis van de relatie en de gebeurtenissen in maart. De situatie is toen uit de hand gelopen waarbij zij door de man in haar gezicht is geslagen en uitgescholden. De jaren daarvoor hebben zich ook gekenmerkt door fysiek en psychisch geweld en dwingende controle. Na terugkomst uit Marrakesh was de man nog altijd boos op de vrouw. De vrouw heeft met behulp van haar vriendinnen en haar broer de knoop doorgehakt om voor haar veiligheid en die van [de minderjarige] weg te gaan uit de echtelijke woning. Zij heeft toen 10 dagen met [de minderjarige] bij haar broer in [plaats 2] verbleven, en heeft daarna een tijdelijke gemeubileerde woonruimte gevonden in [plaats 3] waar zij tot 1 september 2026 heeft kunnen wonen. De vrouw stelt verder dat de man zijn rol als verzorgende ouder vergroot en tegelijkertijd miskent welke zaken de vrouw allemaal oppakt. Zo houdt zij zich bezig met de kinderthuiszorg, school en BSO. Daarnaast is de man voor zijn werk veel in [plaats 4] en heeft de vrouw een meer flexibele baan. De vrouw is dan ook van mening dat het van belang is dat [de minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd, en dat zij samen met [de minderjarige] vanaf 1 september 2026 kan terugkeren naar de echtelijke woning.

De rechtbank stelt allereerst dat voorlopige voorzieningen het karakter hebben van een ordemaatregel van voorlopige aard in het kader van de echtscheidingsprocedure. Het uitgangspunt daarbij is dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Het is de rechtbank gebleken dat de onderlinge verhouding tussen partijen erg slecht is. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken, en beoordelen welke partij op dit moment het meeste belang heeft bij verblijf in de woning. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht het van groot belang dat [de minderjarige] terug kan keren naar zijn vertrouwde omgeving. In het kindgesprek, maar ook bij de kindbehartiger en de vrouw, heeft [de minderjarige] aangegeven zijn huis, sociale omgeving en katten te missen. Momenteel wonen [de minderjarige] en de vrouw in een tijdelijk appartement in Den Haag. De vrouw heeft laten weten dat zij tot 1 september 2026 daar kunnen blijven. Verder heeft [de minderjarige] aangegeven wel contact te willen met de man, maar bij de vrouw te willen blijven wonen. Op dit moment draagt de vrouw bovendien de volledige zorg voor [de minderjarige]. Hoewel beide partijen allebei een belang hebben om in de woning te blijven, is het belang van [de minderjarige] in deze situatie doorslaggevend.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw toewijzen, en [de minderjarige] aan haar toevertrouwen en daarmee het uitsluitend gebruik van de woning per 1 september 2026 aan de vrouw toe te kennen. De vrouw heeft tot deze datum namelijk vervangende woonruimte en het biedt tegelijkertijd de man de tijd om op zoek te gaan naar alternatieve woonruimte voor zichzelf.

Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.

Voorlopige zorgregeling

De man verzoekt subsidiair (nu zijn primaire verzoeken zijn afgewezen) een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man is, en zij daarnaast minimaal twee keer per week met elkaar videobellen. De man voert aan dat hij het grootste gedeelte van de zorgtaken op zich had genomen totdat de vrouw samen met [de minderjarige] de woning had verlaten.

De vrouw voert verweer. De vrouw stelt dat er tijdens het huwelijk sprake was van een jarenlang patroon van verbaal en fysiek geweld, controlerend gedrag en financiële ongelijkheid. Dit patroon was al aanwezig tijdens het huwelijk en heeft invloed op zowel de vrouw als [de minderjarige]. Door de diabetes van [de minderjarige] is voorspelbaarheid, rust en stabiliteit noodzakelijk. De vrouw vreest dat de door de man voorgestelde zorgregeling dit niet kan bieden. Daarnaast maakt de vrouw zich zorgen om de veiligheid van [de minderjarige] als hij bij de man is. Zij wil daarom dat onder begeleiding van professionals contact plaatsvindt tussen de man en [de minderjarige]. Als deze momenten goed verlopen, kan verder gekeken worden naar onbegeleid contact.

De rechtbank overweegt als volgt. De verzoeken van de man en de vrouw staan tegenover elkaar: de man verzoekt een uitgebreide regeling waarbij [de minderjarige] ieder weekend bij de man is en de vrouw wil alleen dat er onder professionele begeleiding contact is tussen de man en [de minderjarige]. Tijdens de zitting is uitgebreid stilgestaan bij de huidige situatie en hoe het verder moet met het contact tussen de man en [de minderjarige]. Gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat er eerst een herstelgesprek moet plaatsvinden tussen de man en [de minderjarige] naar aanleiding van het incident waarbij [de minderjarige] door de man is geslagen. Hoewel de man op de zitting aangaf dat dit al had plaatsgevonden, geeft [de minderjarige] in het kindgesprek aan dat dit niet is gebeurd en dat hij graag excuses van de man wil krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is het van belang om dit herstelgesprek zo snel mogelijk te laten plaatsvinden, indien mogelijk onder begeleiding van de kindbehartiger die al sinds april 2026 betrokken is bij [de minderjarige] en het gezin. Nadat het herstelgesprek heeft plaatsgevonden, moet op tempo van [de minderjarige] worden toegewerkt naar contactherstel met de man. Partijen lijken het echter niet eens te worden op de wijze waarop dit contact hersteld moet worden: de man stelt dat dit zonder begeleiding kan en de vrouw handhaaft haar verzoek dat contact alleen kan onder professionele begeleiding. De rechtbank acht het in ieder geval van belang dat de man en [de minderjarige] – met ingang van 13 juli 2026 – twee keer per week met elkaar gaan videobellen, zonder aanwezigheid van de vrouw of een derde. Op deze manier kunnen zij beiden weer wennen aan structureel (telefonisch) contact.

De rechtbank neemt verder in overweging dat uit de overgelegde e-mails tussen partijen en de kindbehartiger (in productie 28) volgt dat de kindbehartiger adviseert om onbegeleid contact tussen de man en [de minderjarige] op te bouwen. De afgelopen periode hebben in aanwezigheid van de kindbehartiger twee korte contactmomenten plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de man. Gelet hierop en nu [de minderjarige] aangeeft contact te willen met de man, is de rechtbank van oordeel dat moet worden toegewerkt naar onbegeleid contact. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de zorgen van de vrouw, blijkt uit de e-mails van de kindbehartiger dat [de minderjarige] goed reageert op de contactmomenten met de man. Om [de minderjarige] eerst te laten wennen aan het telefonisch contact, en eventueel met behulp van de kindbehartiger voorbereid te worden op onbegeleid contact met de man, is de rechtbank van oordeel dat vanaf 10 augustus 2026, vier weken na de start van het videobellen, moet worden gestart met het onbegeleid contact. Binnen vier weken moet vervolgens worden opgebouwd naar een zorgregeling van een middag (vier uur) per week. De rechtbank overweegt hiertoe zodat [de minderjarige] in de zomervakantie op een rustige manier kan wennen aan het fysieke en onbegeleide contact met de man. De rechtbank realiseert zich dat deze regeling minder is dan de man wil, en tegelijkertijd verder gaat dan de vrouw voor ogen heeft, maar is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat er structureel contact komt tussen de man en [de minderjarige]. Partijen dienen daarom in onderling overleg te komen tot een middag die het beste uitkomt voor [de minderjarige]. De rechtbank sluit zich tot slot aan bij het advies van de Raad dat het belangrijk is dat partijen [de minderjarige] niet belasten met volwassenenzaken en echtscheidingsproblematiek.

Brief aan [de minderjarige] Tegelijkertijd met de beschikking zal de kinderrechter aan [de minderjarige] een brief sturen, waarin de beslissing aan hem wordt uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:

“Beste [de minderjarige],

We hebben gepraat over hoe het moet met jou en je vader, en of je met je moeder teruggaat naar huis. Jij vertelde mij dat je het naar vindt dat je vader je vaker heeft geslagen en dat jullie daar niet over hebben gepraat of dat hij sorry heeft gezegd. En dat je dat niet kan vergeten. Je zei in het gesprek dat het belangrijkste is dat je met beide ouders blijft omgaan, en dat niet één van hun ‘vergeten’ wordt. En dat je niet één ouder leuker wil vinden dan de ander. Maar je zei ook dat je op dit moment liever bij je moeder bent. Ook omdat je het met je vader lastig vindt vanwege dat slaan. Ook vertelde je dat je graag terug naar huis wil, vooral naar de katten.

Na ons gesprek heb ik met je ouders gepraat. Ik heb er daarna over nagedacht en ik heb beslist dat jij en je moeder terug naar huis gaan, en dat je vader daar voorlopig weg gaat. Dat is omdat jij daar thuishoort en ook graag daar naar terug wil, en omdat ik vind dat jij voorlopig bij je moeder moet blijven. Ik vind ook dat je snel weer contact met je vader moet hebben, zodat hij niet ‘vergeten’ wordt. Vanaf volgende week gaan jullie videobellen (twee keer per week) en in de loop van de vakantie ga je af en toe (korte momenten) naar je vader zonder iemand erbij. Na een maand ga je dan een middag in de week bij je vader zonder iemand anders erbij.

Ik hoop dat je snel weer bij je katten kan zijn en dat het rustig wordt met je moeder en jou thuis, en dat je ook weer fijn en rustig met je vader kan omgaan binnenkort.

Groet,

De kinderrechter”

Afgifte van de goederen strekkend tot dagelijks gebruik

De vrouw verzoekt de afgifte van de door haar opgestelde lijst met goederen strekkend tot dagelijks gebruik, nu zij tot 1 september 2026 geen gebruik kan maken van de echtelijke woning. De man voert verweer. Volgens de man doet de vrouw een verkapt verdelingsverzoek en heeft zij geen belang bij deze goederen. De man is wel bereid om haar persoonlijke spullen en die van [de minderjarige] af te geven.

De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw de volgende spullen moet afgeven: de kleding van de vrouw en [de minderjarige], het speelgoed van [de minderjarige], de fiets van de vrouw en [de minderjarige], de medicijnen van [de minderjarige] en de vrouw, de werkspullen van de vrouw en het paspoort van [de minderjarige]. De rechtbank wijst de verzoeken ten aanzien van de auto, de motor en de spullen wijlen van de vader van de vrouw af, nu de vrouw dit onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op het ontbreken van de stellingen van beide partijen en het gebrek aan onderbouwing, kan de rechtbank niet vaststellen wie de beschikkingsmacht over deze goederen moet hebben.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw, met ingang van 1 september 2026, bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat de man en [de minderjarige] twee keer per week met elkaar zullen videobellen zonder aanwezigheid van de vrouw of een derde;

*

bepaalt als voorlopige zorgregeling dat vanaf 10 augustus 2026 binnen vier weken wordt toegewerkt naar vier uur (aaneengesloten) onbegeleid contact per week tussen de man en [de minderjarige];

*

beveelt dat de man aan de vrouw de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik van [de minderjarige] beschikbaar zal stellen, waaronder begrepen:

- de kleding van de vrouw en [de minderjarige], het speelgoed van [de minderjarige], de medicijnen van [de minderjarige] en de vrouw, de fiets van [de minderjarige] en de vrouw, de werkspullen van de vrouw en het paspoort van [de minderjarige];

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juli 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.