Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22108Zaaknummer C/09/708782 / KG ZA 26-779

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/708782 / KG ZA 26-779
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering COA tot ontruiming van AZC afgewezen. Er is een passende woning aangeboden, vanwege voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van deze rechtbank van 4 augustus 2026.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt het COA in de proceskosten van € 1.707, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het COA niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet het COA € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

EI

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling van het geschil
  5. 5 De beslissing

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/708782 / KG ZA 26-779

Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026

in de zaak van

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. N.A.G. Lelieveld te Den Haag,

tegen:

1. [gedaagde sub 1] te [plaats 1],

2. [gedaagde sub 2] te [plaats 1],

3. [gedaagde sub 3] te [plaats 1],

4. [gedaagde sub 4] te [plaats 1],

5. [gedaagde sub 5] te [plaats 1],

gedaagden,

advocaat mr. B. Temeltasch te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘het COA’ en ‘gedaagden’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;

- de door gedaagde overgelegde producties 1 tot en met 6;

- de op 23 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door gedaagden pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Gedaagden vormen een gezin en hebben de Syrische nationaliteit. Sinds eind 2014 verblijven zij in Nederland. Hun aanvragen voor een verblijfsvergunning zijn afgewezen. Vanwege de gezondheidstoestand van vader (gedaagde 1) is bij besluit van 31 augustus 2022 aan hen uitstel van vertrek verleend. Dit uitstel is driemaal verlengd, laatstelijk tot 29 juli 2026.

2.2.

Sinds 18 maart 2021 verblijven gedaagden in de gezinslocatie van het COA in [plaats 1] (hierna: [het AZC 1] ). De gezinslocatie is bedoeld voor uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen.

2.3.

Vanaf medio 2024, nadat de jongste zoon (gedaagde 5) meerderjarig is geworden, hebben er met het gezin verschillende gesprekken plaatsgevonden over de overplaatsing naar een regulier asielzoekerscentrum.

2.4.

Op 5 maart 2026 hebben medewerkers van [het AZC 1] gedaagden laten weten dat zij op 11 maart 2026 zullen worden overgeplaatst naar het AZC in [plaats 2] ( [het AZC 2] ). Vanwege technische problemen op die locatie is de overplaatsing uitgesteld.

2.5.

Op 15 mei 2026 zijn gedaagden geïnformeerd dat de overplaatsing naar [het AZC 2] per 18 mei 2026 zal plaatsvinden. Gedaagden hebben toen kenbaar gemaakt daaraan niet te zullen meewerken.

2.6.

Bij besluit van 18 mei 2026 heeft het COA gedaagden formeel overgeplaatst naar [het AZC 2]. In het besluit is vermeld dat het gezin niet meer onder de doelgroep van [het AZC 1] valt en dat [het AZC 2] de meest geschikte locatie voor gedaagden is. Daarbij heeft het COA meegewogen dat uit navraag bij het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA) niet is gebleken dat er medische omstandigheden zijn die aan overplaatsing naar [het AZC 2] in de weg staan en er ook geen medische documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat geen overplaatsing kan plaatsvinden. Verder overweegt het COA dat opvang niet aan de persoonlijke wensen van gedaagden (een eigen sanitaire ruimte) kan worden aangepast. Gedaagden zijn er in het besluit op gewezen dat als zij zich niet binnen 48 uur na uitreiking van het besluit bij [het AZC 2] melden, hun recht op verstrekkingen eindigt.

2.7.

Vervolgens heeft de advocaat van gedaagden diezelfde dag gevraagd om toezending van de stukken die betrekking hebben op de bij het GCA gedane navraag. In zijn e-mail vraagt hij ook om herziening van het besluit. In reactie hierop heeft het COA eveneens op 18 mei 2026 bericht dat het COA van mening is dat het besluit op goede gronden is genomen. Ook is in het bericht het volgende opgenomen:

“Uw cliënten zijn in diverse gesprekken uitvoerig geïnformeerd dat er een overplaatsing zal

plaatsvinden waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de omstandigheden van deze familie. Los van het feit dat er geen sprake is van een niet overdraagbare medische behandeling kan met deze overplaatsing de huidige behandeling gecontinueerd worden gelet op de afstand van de locatie [plaats 2] en het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Het COA benadrukt dat er niet aan persoonlijke woonwensen van bewoners kan worden voldaan. Desondanks is in het onderhavig geval zelfs tegemoet kunnen komen aan een eigen unit met douche, toilet en keuken. Gelet op de enorme krapte en nood op diverse asielzoekerscentrum is het COA van mening dat er juist voor uw cliënten sprake is van een zeer gunstig overplaatsing aangezien er ook aan deze wens is voldaan.”

Tot slot wordt benadrukt dat de unit na 48 uur na het besluit niet meer beschikbaar zal zijn.

2.8.

Gedaagden verblijven op dit moment nog altijd in [het AZC 1].

2.9.

Gedaagden hebben op 26 mei 2026 bij de Vreemdelingenkamer van de rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen het besluit en gelijktijdig verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist, althans te bepalen dat zij gedurende die tijd opvang en verstrekkingen in [het AZC 1] behouden. De mondelinge behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft op 29 juli 2026 plaatsgevonden.

2.10.

Op 4 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank Den Haag de voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat gedaagden in [het AZC 1] mogen verblijven totdat uitspraak is gedaan op het beroep.

3 Het geschil

3.1.

Het COA vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter gedaagden veroordeelt om de bij hen in gebruik zijnde ruimten in [het AZC 1], of elke andere door het COA verzorgde opvanglocatie binnen drie dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het zijne en al de zijnen en hen veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert het COA – samengevat – het volgende aan. Het COA heeft het noodzakelijk geacht om gedaagden over te plaatsen naar een andere opvanglocatie, omdat alle kinderen van het gezin inmiddels meerderjarig zijn en aldus niet meer voldoen aan de voorwaarde voor verblijf in de gezinslocatie in [plaats 1]. Met het oog hierop is gezocht naar een opvanglocatie in de omgeving van Leiden, omdat vader onder medische behandeling staat bij het Leids Universitair Medisch Centrum. Uiteindelijk is binnen [het AZC 2] een geschikte ruimte vrijgekomen. Dit betrof een zelfstandige woonunit met eigen sanitaire voorzieningen. Bij besluit van 18 mei 2026 zijn gedaagden formeel overgeplaatst naar [het AZC 2]. Zij hebben zich echter niet binnen 48 uur bij de nieuwe opvanglocatie gemeld. Hierdoor is hun recht op verstrekkingen, waaronder het recht op opvang, van rechtswege geëindigd. Omdat gedaagden nu zonder recht of titel in [het AZC 1] verblijven en zij weigeren die opvanglocatie te verlaten, ziet het COA zich genoodzaakt ontruiming te vorderen.

3.3.

Gedaagden voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Nu op 4 augustus 2026 de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank Den Haag heeft bepaald dat gedaagden in [het AZC 1] mogen verblijven totdat uitspraak is gedaan op het beroep, verblijven zij momenteel niet zonder recht of titel in [het AZC 1] en wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van het COA af.

4.2.

De voorzieningenrechter constateert wel dat gedaagden de feiten bij de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer anders hebben voorgesteld dan tijdens de zitting in deze zaak. Tijdens de zitting in dit kort geding heeft de dochter uitdrukkelijk verklaard dat zij op 18 en 19 mei 2026 niet naar [het AZC 2] is gegaan omdat ze die dagen stage liep en dat gedaagden de overplaatsingstermijn onbenut hebben laten verstrijken. Bij de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer verklaart zij in strijd daarmee dat zij op 18 of 19 mei 2026 langs is geweest bij [het AZC 2].

4.3.

Het COA is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het COA worden begroot op:

- griffierecht € 341

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 1.707

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt het COA in de proceskosten van € 1.707, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het COA niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet het COA € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

EI

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.