Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 7 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22014Zaaknummer C/09/692584 / HA RK 25-576

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
25 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/692584 / HA RK 25-576
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vaststelling staatloosheid conform advies Staat

De rechtbank:

stelt vast dat verzoeker staatloos is.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 7 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Vaststelling van staatloosheid
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en het advies van de Staat
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 25-576

Zaaknummer: C/09/692584

Datum beschikking: 7 juli 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 6 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F. Arslan te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,

zetelende in ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. S.J. Versteeg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het bericht van de IND van 10 december 2025;

- het bericht van de IND van 15 april 2026;

- de brief van verzoeker van 17 juni 2026, met bijlagen;

- het advies van de IND van 23 juni 2026, met bijlagen;

- de brief van verzoeker van 24 juni 2026.

Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier:

- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1998 in [plaats], Syrië.

- Verzoeker is op 21 mei 2023 Nederland ingereisd.

- Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 24 mei 2023 tot 24 mei 2028.

- Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, die zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:

­ individueel uittreksel bevolkingsregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten;

­ uittreksel familieregister voor Palestijnen, afgegeven door de Syrische autoriteiten;

­ uittreksel uit het geboorteregister (geboorteakte), afgegeven door Syrische autoriteiten;

­ en verklaring van de Syrische autoriteiten daterend van 20 februari 2025.

Verzoek en het advies van de Staat

Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met compensatie van de proceskosten.

De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.

Beoordeling

Juridisch kader

Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).

Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan eenieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.

Relevante landen

De rechtbank ziet aanleiding om Griekenland, België, Syrië en de Palestijnse gebieden in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken.

Ten aanzien van Griekenland en België is gebleken dat verzoeker in beide landen niet in aanmerking kwam voor naturalisatie volgens de daar geldende wet- en regelgeving, zodat het niet aannemelijk is dat hij de Griekse of Belgische nationaliteit heeft verkregen.

Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?

Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend.

Uit de stukken volgt dat verzoeker tijdens zijn asielaanvraag heeft verklaard dat zijn ouders in Syrië zijn geboren, maar geen Syrische nationaliteit hebben. Ook uit het overgelegde familieuittreksel blijkt niet dat verzoeker of zijn ouders de Syrische nationaliteit hebben. Ten slotte is een verklaring van de Syrische autoriteiten overgelegd, waaruit blijkt dat verzoeker niet de Syrische nationaliteit heeft.

Gelet op het voorgaande is het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder heeft verkregen.

Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?

Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – kan redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.

Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoek*er kan worden vastgesteld.

De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat verzoeker staatloos is.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 7 juli 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.