Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 15 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21948Zaaknummer NL26.19631
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.19631
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19631
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).
Procesverloop
De minister heeft op 5 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd en aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 maart 2026 (in de zaak NL26.10571) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die
uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. De rechtbank ziet, ambtshalve toetsend, geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister, blijkens de voortgangsrapportage van 9 april 2026, regelmatig bij de Algerijnse autoriteiten rappelleert met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 12 maart 2026 en 2 april 2026. In beginsel werken de Algerijnse autoriteiten mee aan de verstrekking van een lp. Niet is gebleken dat het in het geval van eiser anders is. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog.
5. Verder volgt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 24 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek aangegeven dat hij wil meewerken aan zijn terugkeer en heeft gebeld met de Algerijnse autoriteiten. De enkele stelling dat eiser heeft gebeld met de Algerijnse autoriteiten en daarnaast niets heeft ondernomen om zijn terugkeer te bespoedigen is onvoldoende voor het oordeel dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht.
6. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het zicht op uitzetting naar Algerije aanwezig is en dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Het voortduren van de maatregel is daarom niet onrechtmatig.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.