Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21924Zaaknummer 25/900

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
25/900
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen de afwijzing van een herzieningsverzoek ten aanzien van de toekenning van een AOW-uitkering. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van

W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

de griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Totstandkoming van het besluit
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/900 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer 28 juli 2026 de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

Met het besluit van 3 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 9 mei 2024 geweigerd.

Met het besluit van 31 december 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij dat besluit gebleven.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Nadien heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres was tot 1 november 2018 als schoonmaakster werkzaam voor gemiddeld 22,45 uur per week. Eiseres is onder meer bekend met een virale meningitis in oktober 2018, als gevolg waarvan zij restklachten, waaronder nekklachten, heeft overgehouden en psychische klachten heeft ontwikkeld. Ook is zij bekend met fibromyalgie en PTSS. Op 2 november 2018 heeft zij zich per 27 september 2018 ziek gemeld. Per 1 november 2018 is aan eiseres een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling is de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 september 2019 opgesteld. Aan de hand van deze FML is eiseres voor passende functies geschikt geacht. Per 19 november 2019 is de ZW-uitkering van eiseres beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Dit besluit is na bezwaar door verweerder gehandhaafd.

1.1.

Op 13 februari 2020 heeft eiseres zich opnieuw ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW). Per 19 februari 2020 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling is geoordeeld dat voor eiseres geen medisch objectiveerbare belemmering bestaat om per 18 december 2020 de eerder geduide functies te verrichten. Hiertegen heeft eiseres rechtsmiddelen aangewend. Het in dat verband door eiseres ingestelde beroep bij deze rechtbank is bij uitspraak van 30 juni 2023, in de zaak SGR 21/3493), ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.2.

Ondertussen had eiseres werkzaamheden hervat in de functie van medewerker maatschappelijke ondersteuning voor 20 uur per week. Op 12 mei 2022 heeft zij zich opnieuw ziek gemeld vanwege toegenomen mentale klachten sinds een tweede meningitis op 11 mei 2022. Nadat eiseres op 24 maart 2023 op het spreekuur van de sociaal medisch verpleegkundige is gezien, heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 28 maart 2023 geconcludeerd dat eiseres ongeschikt is voor haar maatmanfunctie. Op 27 oktober 2023 is eiseres weer op het spreekuur van de sociaal medisch verpleegkundige geweest. Uit de stukken blijkt dat eiseres in augustus 2023 een auto-ongeluk heeft meegemaakt, waardoor haar klachten zijn verergerd. In het rapport van 31 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts geoordeeld dat gelet op de gezondheidsproblematiek van eiseres en haar beperkingen zij niet in staat wordt geacht haar eigen werk te verrichten.

1.3.

Op 26 januari 2024 heeft eiseres een WIA-aanvraag ingediend. In het kader van einde wachttijdbeoordeling heeft de verzekeringsarts eiseres op 2 april 2024 op het spreekuur gezien. In het rapport van 2 mei 2024 heeft deze arts geconcludeerd dat eiseres niet in staat is om haar eigen werkzaamheden te verrichten maar dat zij over benutbare mogelijkheden beschikt en in staat wordt geacht om, rekening houdend met de in de FML van 2 mei 2025 vastgestelde beperkingen, passend werk te verrichten. Daarbij heeft de verzekeringsarts op grond van preventieve overwegingen een urenbeperking van 6 uur per dag maximaal 30 uur per week in aanmerking aangenomen. Vervolgens heeft een arbeidskundig onderzoek op 24 juni 2024 plaatsgevonden, waarvan op 29 juni 2024 rapport is uitgebracht, waarin is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres 0% bedraagt. Hierna heeft verweerder het primaire besluit genomen. Nadat in bezwaar een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres per 9 mei 2024, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, waardoor zij niet langer geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor het verrichten van de voor haar geselecteerde functies. Aan de hand van een vergelijking van het loon dat zij met die functies kan verdienen met het maatmanloon, is vastgesteld dat eiseres meer dan 65% van het maatmanloon kan verdienen. Daarom heeft eiseres volgens verweerder geen recht op een WIA-uitkering. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verweerder verwezen naar de rapportages van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b van 18 december 2024 en 30 december 2024.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij meerdere pogingen heeft ondernomen om deel te nemen aan de maatschappij en ondanks haar beperkingen heeft geprobeerd te werken. Echter, telkens wanneer zij een re-integratiepoging onderneemt valt zij uit als gevolg van recidiverende meningitis en blijvende restklachten. In combinatie met fibromyalgie leidt dat tot een zware fysieke en mentale belasting die door verweerder onvoldoende wordt erkend. Eerst werd eiseres voor 16 uur per week geschikt geacht, maar nu wordt aangenomen dat zij voor 30 uur per week zonder begeleiding kan werken, terwijl haar gezondheid niet is verbeterd. Volgens eiseres zijn er inconsistenties in het medisch oordeel. Zij lijdt aan chronische aandoeningen maar toch wordt aangenomen dat haar belastbaarheid op lange termijn zal verbeteren zonder dat daarvoor medische onderbouwing wordt gegeven. De verslechtering van haar klachten na het auto-ongeluk in 2023 wordt benoemd maar is volgens eiseres niet meegenomen in haar belastbaarheid. De medische urenbeperking van 30 uur per week is niet onderbouwd, terwijl de behandelende specialisten een verdere urenbeperking hebben aangegeven omdat deze noodzakelijk zou zijn vanwege de lage belastbaarheid van eiseres en het risico op verdere verslechtering bij overbelasting. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij nog steeds intensieve behandelingen ondergaat, wat er op wijst dat zij niet duurzaam belastbaar is voor arbeid. De FML is ondanks degelijk gemotiveerde bezwaren niet aangepast, hetgeen vragen oproept over de zorgvuldigheid van de beoordeling door de verzekeringsarts b&b.

Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat, gelet op de evidente discrepanties met betrekking tot de vastgestelde beperkingen, de geduide functies voor haar niet geschikt zijn, zodat de arbeidsdeskundig b&b zijn oordeel onzorgvuldig en ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

De medische beoordeling

4. Voorop wordt gesteld dat verweerder zijn besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

5. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 2 mei 2024 blijkt dat de verzekeringsarts zeer uitgebreid dossierstudie heeft verricht, een uitgebreide anamnese heeft afgenomen en eiseres psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. Daarbij blijkt uit het rapport dat alle door eiseres genoemde medische klachten in de beoordeling zijn betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft dossierstudie verricht en het medisch oordeel van de primaire verzekeringsarts aan de hand van de bezwaren van eiseres beoordeeld.

6.1.

Ook is er geen aanleiding voor de conclusie dat het medisch oordeel onjuist is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

6.2.

De primaire verzekeringsarts heeft in het rapport van 2 mei 2024 op basis van zijn bevindingen vastgesteld dat bij eiseres sprake is van een complexe klachtenpatroon met diverse beperkingen ten aanzien van fysieke en mentale belastbaarheid. Hierdoor is zij niet in staat om haar eigen werk te verrichten. De verzekeringsarts vindt de beperkingen van eiseres plausibel en aannemelijk maar niet zodanig dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot werk en re-integratie heeft. Deze arts is van oordeel dat eiseres benutbare mogelijkheden heeft en in staat wordt geacht om werkzaamheden te verrichten rekening houdend met haar beperkingen conform de opgestelde FML van 2 mei 2025. Voor het opstellen daarvan heeft de verzekeringsarts in aanmerking genomen dat eiseres beperkingen heeft ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen en beperkingen op mentaal gebied heeft, te weten sterk wisselende omstandigheden, veel prikkels, druk, conflicten, deadlines, veelvuldig contacten en hoge mate van verantwoordelijkheid, stress, tempodruk en andere stresserende factoren. Die beperkingen in acht genomen heeft de verzekeringsarts geoordeeld dat eiseres is aangewezen op regelmatige werktijden, geen nachtdiensten en zware fysieke arbeid in het algemeen. Daarbij heeft deze arts vastgesteld dat overschrijding van de belastbaarheid kan leiden tot toename van de lichamelijke klachten en tot psychische decompensatie. Rekening houdend met de klachten en beperkingen van eiseres heeft de verzekeringsarts op grond van preventieve overwegingen een indicatie voor een urenbeperking van zes uur per dag, 30 uur per week, in aanmerking genomen. Voorts heeft deze arts gesteld dat de medische situatie en de functionele mogelijkheden van eiseres naar verwachting op lange termijn in belangrijke mate zullen verbeteren.

6.3.

De verzekeringsarts b&b heeft aan de hand van de bezwaren van eiseres het medisch oordeel van de verzekeringsarts beoordeeld. Deze arts is van oordeel dat in bezwaar geen medische stukken zijn ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat de door verzekeringsarts ten aanzien van eiseres aangenomen verminderde psychische en lichamelijke belastbaarheid zouden zijn overschat. Over de door de verzekeringsarts in aanmerking genomen urenbeperking van 30 uur per week heeft de verzekeringsarts b&b, kort gezegd, gemotiveerd dat er op basis van de standaard Duurbelastbaarheid indicaties zijn voor een medische urenbeperking, zoals preventieve gronden indien sprake is van een aandoening waarvan bekend is dat ziekteverschijnselen kunnen optreden of verergeren bij een toenemende duurbelasting, bijvoorbeeld bij een fulltime hervatting kan spoedige uitval volgen. De verzekeringsarts b&b is van oordeel dat in het geval van eiseres niet kan worden gesproken van zo’n ernstige ziekte dan wel van recent herstel daarvan, noch van een intensieve behandeling die beschikbaarheid in uren per dag/week duidelijk vermindert. Volgens de verzekeringsarts b&b is er daarom geen dringende indicatie voor een verdergaande medische urenbeperking dan al door de verzekeringsarts is aangenomen.

Deze arts concludeert dat de verzekeringsarts naar medisch objectieve maatstaven gemeten voldoende rekening heeft gehouden met de gepresenteerde klachten en beperkingen van eiseres. In bezwaar zijn geen nieuwe medische stukken ingebracht die een nader licht werpen op de medische situatie van eiseres, waarmee volgens de verzekeringsarts b&b geen reden is om te stellen dat de belastbaarheid van eiseres is overschat.

6.4.

Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Daarbij is van belang dat de rapporten inzichtelijk zijn en dat de verzekeringsartsen alle klachten van eiseres bij de beoordeling hebben betrokken. Ook is van belang dat eiseres in beroep geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd die aanleiding geven voor twijfel.

6.5.

Volgens de rapporten van de verzekeringsartsen is bij hun beoordeling betrokken dat eiseres in april en augustus 2023 auto-ongelukken heeft gehad. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die haar standpunt onderbouwen dat zij als gevolg van die auto-ongelukken meer beperkt is dan reeds door de verzekeringsartsen aangenomen. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat er medische informatie van 27 oktober 2023 van de specialist [naam], radioloog, van 3 oktober 2023 is betrokken bij het medisch oordeel. Deze informatie gelezen zijn er bij een onderzoek van de thoracale wervelkolom en thorax geen bijzondere afwijkingen bij eiseres vastgesteld.

6.6.

De enkele stelling van eiseres dat zij onder behandeling is en dit erop wijst dat zij niet duurzaam belastbaar voor arbeid is, kan ook niet worden gevolgd. De verzekeringsarts b&b heeft toereikend gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet verdergaande medische beperkingen aan te nemen dan de verzekeringsarts reeds heeft gedaan.

6.7.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde beperkingen in de FML van 2 mei 2025.

De arbeidskundige beoordeling

7.1.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 mei 2025 zijn voor eiseres functies geselecteerd die binnen haar belastbaarheid vallen. De arbeidsdeskundige b&b heeft in bezwaar de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies beoordeeld. Eiseres heeft in beroep de geschiktheid van de geduide functies met dezelfde gronden als in bezwaar naar voren gebracht, bestreden. De arbeidsdeskundige b&b heeft in het rapport van 30 december 2024 gesteld dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van eiseres niet te boven gaat. In bezwaar gaat eiseres voor haar standpunt dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn uit van meer en zwaardere beperkingen dan de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen. In de bijlage C van het rapport van 30 december 2024 heeft de arbeidsdeskundige b&b een toelichting gegeven op de in de functies voorkomende signaleringen.

7.2.

Eiseres was dan ook per 9 mei 2024 in staat de voor haar geselecteerde functies te verrichten. Weliswaar was eiseres in een kleinere arbeidsomvang dan 30 uur per week werkzaam, maar die kleinere arbeidsomvang was in haar eigen werk waarvoor eiseres arbeidsongeschikt is geacht. Eiseres is rekening houdend met haar beperkingen geschikt voor passende functies geacht. Deze functies heeft verweerder op goede gronden gebruikt voor de schatting.

7.3.

Verweerder heeft daarom bij het bestreden besluit terecht de weigering van de WIA-uitkering per 9 mei 2024 gehandhaafd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van

W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

de griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.