Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Den Haag, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21905Zaaknummer C/09/704959 / KG ZA 26/496
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Publicatiedatum
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/704959 / KG ZA 26/496
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Executiegeschil. Opheffing executoriaal beslag op onroerende zaak. Samenhang met C/09/705910 / KG ZA 26/556
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
heft op het door [gedaagde] op 2 mei 2016 ten laste van [eiser] gelegde executoriale beslag op de onroerende zaak [adres], kadastraal bekend [kadastraal nummer];
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. Bij afwezigheid van mr. Glass is dit vonnis ondertekend door mr. T.F. Hesselink, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.
ddg
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704959 / KG ZA 26/496
Vonnis in kort geding van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. M.Z.D. Nasrullah te Den Haag,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaten mrs. P.J. de Groen en M. de Wijs te Leiden.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 juni 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;
- de van de zijde van [eiser] overgelegde aanvullende producties 5 tot en met 15;
- de op 15 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarop namens beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
De mondelinge behandeling in deze procedure heeft gelijktijdig plaatsgehad met de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer C/09/705910 / KG 26/556 tussen [eiser] en Credit Retrieve Company B.V. (randnummer 2.4). Tijdens de zitting is vonnis in die zaak bepaald op vandaag.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald (in deze zaak) op vandaag.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is gehuwd met [naam]. Uit door [eiser] overgelegde huwelijksvoorwaarden blijkt dat [eiser] en [naam] zijn gehuwd in een gemeenschap bestaande uit het pand [adres] (de woning) met toebehoren met de daarop rustende (hypothecaire) schulden en dat elke andere gemeenschap is uitgesloten. In het Kadaster staat alleen [eiser] als eigenaar van de woning vermeld. ING Bank (ING) heeft voor de woning hypothecaire financieringen verstrekt. Per 10 juni 2026 bedraagt de hypotheekschuld van [eiser] bij ING € 1.037.905,92.
Bij vonnis van 10 december 2014 (het vonnis) heeft de rechtbank Den Haag [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 60.433,32 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 september 2011 aan [gedaagde]. Ook is [eiser] in de proceskosten veroordeeld. Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis bij arrest van 12 april 2016 (het arrest) bekrachtigd.
Op 2 mei 2016 heeft [gedaagde] op grond van het arrest executoriaal beslag laten leggen op de woning voor een vordering van € 81.033,56 exclusief reeds vervallen en nog te vervallen rente en kosten. Dit beslag is ingeschreven in de openbare registers (Hyp3 69496/55).
Op 27 augustus 2019 heeft [gedaagde] zijn vordering op [eiser] verkocht en overgedragen aan Credit Retrieve Company B.V. (CRC).
Tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en CRC anderzijds is een procedure aanhangig geweest bij de rechtbank Den Haag waarin [eiser] een verklaring voor recht heeft gevorderd dat hij aan ofwel [gedaagde] ofwel CRC onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank heeft de vordering bij mondelinge uitspraak van 14 juli 2025 (het mondeling vonnis) afgewezen. In het proces-verbaal dat van de uitspraak is gemaakt staat onder meer het volgende opgenomen:
“2.7. (…) Het is aan [eiser] om bij het instellen van een dergelijke vordering deugdelijk, concreet en onderbouwd te stellen dat hij enig bedrag heeft betaald aan CRC of [gedaagde] en dat die betaling zonder rechtsgrond is geweest. Dit heeft [eiser] niet gedaan. In de dagvaarding heeft [eiser] zich beperkt tot de algemene juridische stelling dat hij niet aan CRC en [gedaagde] hoeft te betalen en de feitelijke stelling dat beiden de vorderingen innen.
Dat [eiser] niet aan beiden hoeft te betalen, is juist. De cessie brengt namelijk met zich dat [eiser] sindsdien uitsluitend gehouden is om aan CRC te betalen en dat hij niet langer aan [gedaagde] hoeft te betalen. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom betalingen aan CRC onverschuldigd zijn geweest. Nu destijds geen cassatie is ingesteld, is het arrest van het gerechtshof van 2016 in kracht van gewijsde gegaan. Dat op dit moment een procedure tot herroeping bij het gerechtshof loopt doet daar, zolang het arrest niet vernietigd is, niets aan af.”
CRC heeft twee executoriale beslagen op de woning laten leggen.
[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het mondeling vonnis, maar het griffierecht niet betaald. Het hof heeft bij arrest van 21 april 2026 CRC en [gedaagde] ontslagen van deze instantie.
Bij brief van 9 juni 2026 heeft ING [eiser] bericht dat er een betalingsachterstand is ontstaan door taxatiekosten op grond van de algemene voorwaarden van ING, dat er beslagen rusten op de woning en dat ING, als verstrekker van de hypothecaire financieringen, de woning via een veilingprocedure gaat verkopen en dat zij de woning in dat kader heeft getaxeerd. ING heeft verder meegedeeld dat de beslagen een tekortkoming in de nakoming van de hypotheekverplichting zijn en dat zij [eiser] ruimschoots de gelegenheid heeft gegeven om zijn problemen met de beslagleggers op te lossen. ING maakt er daarbij melding van dat er sprake is van een beslaglegger die actief aandringt op een gedwongen verkoop. Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat sprake is van een onverdeelde helft van de echtelijke woning stelt ING dat zij dat niet kan plaatsen en dat het mogelijk is geweest dat dit bij aangaan van het huwelijk het voornemen is geweest, maar dat [eiser] heeft verzuimd om dit in het Kadaster te laten opnemen, zodat ING ervan uitgaat dat [eiser] de enige eigenaar van de woning is. ING meldt daarbij dat een veilingprocedure wordt opgeschort als (onder meer) is voldaan aan de voorwaarde dat alle beslagleggers schriftelijk bevestigen dat de beslagen zullen worden doorgehaald in het Kadaster of dat ze op dit moment geen executie wensen.
De WOZ-waarde van de woning bedraagt per peildatum 1 januari 2025 € 1.263.000. ING heeft een taxatie van de woning laten uitvoeren. ING hanteert als waarde voor de woning per peildatum 13 november 2025 het bedrag van € 1.300.000.
[eiser] heeft een taxatierapport betreffende de woning overgelegd van MTV Makelaardij van 5 mei 2026. MTV Makelaardij heeft de waarde van de woning in geval van een gedwongen (executoriale) verkoop getaxeerd. De marktwaarde is per 31 maart 2026 getaxeerd op € 1.200.000 en de opbrengst van een executieveiling is op ‘vermoedelijk’ € 1.000.000 bepaald.
[eiser] heeft [gedaagde] verzocht het beslag op de woning op te heffen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan en het beslag staat nog steeds in het Kadaster ingeschreven.
3 Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de opheffing en doorhaling van het door hem gelegde executoriale beslag op de onroerende zaak [adres], kadastraal bekend [kadastraal nummer];
II. [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan de ING mee te delen dat [gedaagde] geen gebruik maakt van verhaal van diens vordering middels executie van de woning gelegen aan de [adres], althans [gedaagde] de daartoe verstrekte opdracht aan ING dient in te trekken;
III. te bepalen dat de vorderingen onder I en II beide primair worden toegewezen, en subsidiair uitsluitend het onder I of II gevorderde wordt toegewezen, althans het gevorderde wordt toegewezen zoals de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
IV. met bepaling dat [gedaagde] een dwangsom van € 5.000 verschuldigd is voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) waarop [gedaagde] in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 250.000 althans een zodanige dwangsom te bepalen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
V. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
[gedaagde] is door de cessie van zijn vordering aan CRC geen schuldeiser meer. Daardoor ontvalt iedere rechtsgrond aan het door hem gelegde en gehandhaafde beslag. Handhaving van het beslag is onrechtmatig, zodat [gedaagde] verplicht is tot medewerking aan de doorhaling van het beslag in de kadastrale registers.
Executie is verder onrechtmatig omdat [eiser] is gehuwd met [naam] en [naam] op grond van de huwelijkse voorwaarden van 11 mei 2001 voor een onverdeelde helft eigenaar is van de woning. Executie van de woning zou haar eigendomsrecht schenden omdat zij haar woning dan verliest.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
ING heeft [eiser] bericht tot executoriale verkoop van de woning over te gaan. ING wil deze veilingprocedure onder voorwaarden opschorten. Een van deze voorwaarden is dat alle beslagleggers die beslag op de woning hebben gelegd, hun beslagen doorhalen in het Kadaster. [eiser] stelt dat [gedaagde] zijn vorderingsrecht op hem heeft overgedragen aan CRC, zodat elke rechtsgrond aan het eerder door [gedaagde] gelegde beslag is ontvallen. Nu [gedaagde] niet vrijwillig meewerkt aan opheffing van het beslag is het spoedeisend belang van [eiser] gegeven.
[eiser] stelt dat [gedaagde] geen schuldenaar meer is omdat hij zijn vordering heeft verkocht aan CRC. Ook stelt hij dat [gedaagde] eraan voorbij gaat dat de woning waarop hij beslag heeft laten leggen voor een onverdeelde helft eigendom is van [naam], zodat executie van de gehele woning haar eigendomsrecht zou schenden en dus onrechtmatig is. Voor wat betreft deze laatste stelling geldt het volgende. [gedaagde] voert terecht aan dat bepalingen in huwelijksvoorwaarden geen goederenrechtelijke werking hebben en dat voor het verkrijgen van mede-eigendom een overdracht op grond van artikel 3:89 Burgerlijk Wetboek vereist is. Daarvan is niets gebleken. Ook ING heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 9 juni 2026 bericht dat het Kadaster, waaruit blijkt dat [eiser] alleen eigenaar is van de woning, leidend is.
[gedaagde] heeft zijn vordering op [eiser] op 27 augustus 2019 verkocht en overgedragen aan CRC. Dat heeft tot gevolg gehad dat, zoals de rechtbank in het mondeling vonnis al uitdrukkelijk had overwogen, [eiser] sindsdien uitsluitend gehouden is om aan CRC te betalen en dat hij niet langer aan [gedaagde] hoeft te betalen. [gedaagde] stelt in dit kort geding ook dat hij na de cessie geen executiemaatregelen meer heeft genomen en dat hij dat ook niet kan omdat het vorderingsrecht volledig is overgegaan op CRC. Dat brengt met zich dat niet valt in te zien welk belang [gedaagde] nog heeft bij het beslag dat hij op 2 mei 2016 uit hoofde van zijn toenmalige vordering op de woning heeft laten leggen. De voorzieningenrechter zal het beslag dan ook opheffen. Daarmee bestaat er geen aanleiding om [gedaagde] nog te veroordelen tot medewerking aan het opheffen van het beslag. Het gevorderde onder I zal dan ook worden afgewezen. Ook heeft [eiser] met opheffing van het beslag geen belang bij haar vordering om [gedaagde] te veroordelen ING mee te delen dat hij geen gebruik zal maken van verhaal van diens vordering middels executie van de woning. Deze vordering zal worden afgewezen. Ook de vorderingen onder III en IV komen bij deze stand van zaken niet voor toewijzing in aanmerking.
Hoewel [eiser] overwegend in het gelijk is gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. De reden daarvoor is dat [eiser] in deze procedure enerzijds wel stelt dat [gedaagde] door de cessie geen schuldeiser van hem meer is, maar dat hij bij dagvaarding ook de rechtsgeldigheid van de cessie heeft betwist, zonder dit overigens gemotiveerd toe te lichten. Bij die stand van zaken valt te begrijpen dat [gedaagde] niet zonder meer is overgegaan tot opheffing van het beslag.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
heft op het door [gedaagde] op 2 mei 2016 ten laste van [eiser] gelegde executoriale beslag op de onroerende zaak [adres], kadastraal bekend [kadastraal nummer];
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. Bij afwezigheid van mr. Glass is dit vonnis ondertekend door mr. T.F. Hesselink, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.
ddg
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.