Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 6 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21901Zaaknummer C/09/669983 / FA RK 24-5321

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/669983 / FA RK 24-5321
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie. Eindbeschikking na raadsonderzoek.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 juni 2025 van deze rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats], haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;

*

stelt vast dat [minderjarige] volgens de volgende opbouwregeling bij de vader zal zijn:

  • vanaf heden tot 1 oktober 2026: een in nader overleg te bepalen opbouwregeling onder regie van de gecertificeerde instelling;
  • vanaf 1 oktober 2026: om de week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur.

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige], van € 102,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie
  2. Stichting Jeugdbescherming West
  3. Procedure
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 24-5321

Zaaknummer: C/09/669983

Datum beschikking: 6 juli 2026

Hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie

Beschikking op het op 19 juli 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.A. Breetveld in Den Haag.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.M.C. van der Sanden in Den Haag.

en:

Stichting Jeugdbescherming West

de gecertificeerde instelling.

Procedure

Bij beschikking van 10 juni 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang:

  • de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken;
  • bepaald dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
  • bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige], van € 102,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • een Raadsonderzoek gelast naar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige];
  • een doorverwijzing afgegeven naar omgangsbegeleiding;
  • bepaald dat iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats, de kinderalimentatie en de proceskosten aan wordt gehouden tot 1 november 2025 pro forma.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken waaronder nu ook van:

  • het op 10 februari 2026 ingekomen Raadsrapport van 6 februari 2026 met kenmerk KZ-1-66LC89Z;
  • het bericht van 26 mei 2026 van de moeder, met bijlage;
  • het op 8 juni 2026 ingekomen aanvullende verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en bijlagen van de vader;
  • het bericht van 10 juni 2026 van de vader, met bijlagen.

Op 10 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instellingen.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt nu nog, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder;
  • de voorlopig vastgestelde kinderalimentatie van € 102,- per maand definitief vast te stellen.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vader na aanvulling zelfstandig verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

  • te bepalen dat de moeder met ingang van de dag dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben, aan de man steeds bij vooruitbetaling een door de rechtbank nog nader in goede justitie te bepalen maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen;
  • de volgende, zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] (al dan niet onder begeleiding) bij vader verblijft:
  • Op zondag 21 juni 2026 van 10.00 tot 12.00 uur;
  • Op vrijdag 26 juni 2026 van 15.00 tot 18.00 uur;
  • Op vrijdag 3 juli 2026 van 15.00 tot 19.00 uur;
  • Op zaterdag 11 of zondag 12 juli 2026 van 10.00 tot 16.00 uur;
  • Op zaterdag 8 of zondag 9 augustus 2026 van 10.00 tot 16.00 uur (in de periode daarvoor is vader op vakantie);
  • van zaterdag 22 augustus 2026 14.00 uur tot zondag 23 augustus 2026 14.00 uur;
  • waarbij de vader p de vrijdagen [minderjarige] zelf uit school haalt. Op de andere dagen haalt hij haar op bij tante moeders zijde. Indien het contact begeleid zal plaatsvinden zal hij zich vanzelfsprekend conformeren aan de wijze waarop de hulpverlening het halen/brengen dan inricht;
  • vervolgens vanaf september 2026 eenmaal per twee weken zonder begeleiding van zaterdag 10.00 tot zondag 19.00 uur. Vader haalt [minderjarige] op en brengt haar terug. Welke weekends dat zullen (kunnen) zijn is afhankelijk van het werk van vader. Hij werkt de ene week 7 dagen en de andere week 5. Omdat hij tijdig zijn rooster ontvangt zal hij tijdig de weekends door kunnen geven waarin hij vrij is en [minderjarige] bij hem kan zijn;
  • een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- voor elk omgangsmoment dat niet nagekomen wordt;
  • de voorlopig vastgestelde kinderalimentatie van € 102,- per maand definitief vast te stellen.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

De rechtbank merkt in deze zaak de gecertificeerde instelling aan als belanghebbende omdat zij – zoals hierna zal blijken – een belangrijke rol heeft bij het herstel van het contact tussen [minderjarige] en de vader.

Vooraf

Sinds de mondelinge behandeling in deze echtscheidingsprocedure op 12 juni 2025 is veel gebeurd. Het door de rechtbank gelaste onderzoek door de Raad in het kader van gezag en omgang, is door de Raad uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Dit heeft er toe geleid dat [minderjarige] en haar halfbroer en half zus met een spoed machtiging van 9 december 2025 uit huis zijn geplaatst bij de zus van moeder. Reden daarvoor was dat sprake was van ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie bij moeder. De rechtbank verwijst hiervoor naar rov. 5.2 en 5.3 van de beschikking van de kinderrechter van 22 december 2025:

“5.2. Er zijn ernstige zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De zorgen ten aanzien van de veiligheid van [minderjarige] zijn ontstaan naar aanleiding van de verontrustende uitspraken die de moeder heeft gedaan over het criminele circuit waar zij in verzeild in lijkt te zijn geraakt. Er zouden regelmatig drugsdealers bij de moeder over de vloer komen en drugs en vuurwapens in huis liggen. De moeder heeft in gesprekken met [zorginstantie] aangegeven gechanteerd te worden door drugsbendes en in financiële problemen te verkeren. De zorg is dat [minderjarige] al langere tijd aan deze situatie wordt blootgesteld, wat onveiligheid met zich meebrengt. De moeder is vanwege deze situatie onvoldoende in staat voldoende (emotioneel) beschikbaar voor [minderjarige] te zijn. [minderjarige] heeft een verhoogde opvoedbehoefte en dat vergt de nodige aandacht van een beschikbare opvoeder, de inzet van adequate hulpverlening en de juiste hulpbehoevende middelen thuis. Bij school en Basalt (revalidatie) wordt er momenteel op meerdere ontwikkelingsdomeinen een zichtbare achteruitgang bij [minderjarige] gesignaleerd. Hulpverlening binnen het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken, nu de moeder de afgelopen periode het contact afhoudt. De noodzakelijke hulpverlening komt daarom niet van de grond. [minderjarige] stagneert hierdoor in haar fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderrechter vindt het, gelet op de aard en de ernst van de zorgen, noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die, hangende het raadsonderzoek, de noodzakelijke hulpverlening kan inschakelen voor [minderjarige]. De Raad zal onderzoek moeten doen naar de uitspraken van de moeder en gekeken moet worden wat er nodig is om [minderjarige] weer veilig terug naar huis te krijgen. Ook zal gekeken moeten worden welke rol de vader in het leven van [minderjarige] kan gaan spelen in de toekomst.

5.3.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. Op dit moment kan de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie niet gewaarborgd worden gelet op de zorgen rondom het criminele netwerk van de moeder. De moeder is daarnaast overbelast en het lukt haar niet om afspraken bij Basalt (structureel) na te komen en de benodigde hulpmiddelen voor de revalidatie van [minderjarige] in huis te halen. Om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen waarborgen is het noodzakelijk dat het verblijf bij de tante moederszijde gecontinueerd wordt. Dit is voor [minderjarige] een veilige, rustige en gestructureerde omgeving, waar zij zich kan richten op haar ontwikkeling en de noodzakelijke hulpverlening van de grond kan komen. Het is belangrijk dat de draagkracht van de tante moederszijde, die ook zorg draagt voor de halfbroer en halfzus én haar eigen kinderen, in balans blijft. Hier zal de jeugdbeschermer ook aandacht voor moeten hebben. De moeder zal de komende periode moeten benutten om alle noodzakelijke hulpverlening voor zichzelf in te schakelen. Het is positief dat de moeder zelf de politie heeft ingeschakeld en zelf ook inziet dat er iets moet veranderen in het belang van [minderjarige]. De kinderrechter hoopt dat de moeder de hulpverlening met beide handen aangrijpt en aan zichzelf gaat werken zodat er op termijn gekeken kan worden hoe [minderjarige] veilig terug naar huis kan.”

De machtiging tot uithuisplaatsing is inmiddels verlengd tot 5 september 2026.

In het raadsonderzoek van 6 mei 2026 in het kader van de uithuisplaatsing is het volgende opgenomen:

“ Daarnaast is er een machtig uithuisplaatsing voor [minderjarige] noodzakelijk, omdat zij sinds 9 september 2025 bij tante moederszijde verblijft. Op dit moment wordt er door de RvdK nog niet de mogelijkheid gezien tot een terugplaatsing. De RvdK vindt het belangrijk dat er door JBw gekeken gaat worden naar de mogelijkheden van een (veilige) plaatsing bij zowel moeder als vader. Voor de duur van de uithuisplaatsing verzoekt de RvdK de duur van 6 maanden, omdat deze plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Dit hangt samen net de inschatting dat voor [minderjarige] een termijn van 6 maanden aanvaardbaar is om onzekerheden over haar toekomstperspectief te verdragen, omdat [minderjarige] nog een jong meisje is en veel onzekerheden ervaart over de huidige situatie. Daarnaast zijn er zorgen over een mogelijke onveilige hechting met ouders en heeft [minderjarige] veel dingen in haar jonge levensjaren meegemaakt. Ook is [minderjarige] een meisje met een hogere zorgbehoefte vanuit de opvoeder. Dit maakt dat het voor [minderjarige] belangrijk is om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over haar toekomstperspectief.”

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het traject Voorkomen Uithuisplaatsing (VUHP) met enige vertraging inmiddels is begonnen. Vanuit dat traject is ook geprobeerd om begeleide contactmomenten met de vader te laten plaatsvinden. Door de weerstand van de tante van moederszijde (de pleegmoeder) tegen het contact tussen [minderjarige] en de vader, zijn deze contactmomenten niet tot stand gekomen. De vader heeft het idee dat hij door de hulpverlening op een zijspoor wordt gezet en dat niet voortvarend wordt gewerkt aan het contactherstel tussen [minderjarige] en hem. De vage uitspraken in het raadsrapport, die suggereren dat sprake is geweest van huiselijk geweld van zijn kant jegens moeder en de kinderen tijdens de relatie, kwetsen hem.

De rechtbank stelt vast dat het dossier voor de suggestie dat [minderjarige] niet veilig is bij hem, inderdaad geen onderbouwing bevat. De vader heeft de volledige zorg gedragen voor twee van de drie kinderen die hij met zijn eerdere echtgenote heeft gehad; voor de derde was hij co-ouder. In de jaren dat hij samen was met de moeder, heeft hij bovendien ook de zorg gehad voor haar kinderen die bovendien kindeigen problematiek hebben. Uit deze gehele periode is ook in het kader van het raadsonderzoek, niet gebleken van enige concrete aanwijzing voor huiselijk geweld. De vader is na het verbreken van de relatie strafrechtelijk veroordeeld voor eenvoudige mishandeling van de moeder. De vader praat dit niet goed, maar heeft gewezen op de omstandigheden waaronder dit plaatsvond en die verband hielden met de toen al aanwezige ernstige problemen bij moeder. Deze gebeurtenis alleen is echter onvoldoende om te twijfelen aan de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij de vader.

De emotionele veiligheid van [minderjarige] vraagt op dit moment aandacht. De reden daarvoor is dat [minderjarige] op dit moment opgroeit in het gezin van haar tante, waarbij ook de grootmoeder van moederszijde intensief betrokken is. Zowel tante als grootmoeder hebben recentelijk aangegeven niet mee te willen werken aan contact tussen [minderjarige] en de vader. Daardoor moet worden betwijfeld of [minderjarige] in haar huidige omgeving voldoende emotionele toestemming kan krijgen voor dat contact, wat de rechtbank – zoals hierna wordt uitgelegd – in het belang van [minderjarige] acht.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven zelf wel positief te staan tegenover contact tussen [minderjarige] en de vader. Zij is het niet altijd eens met haar zus en moeder, maar legt zich nu bij hun beslissingen neer in afwachting van de terugplaatsing.

De hoofdverblijfplaats

De vader heeft zijn verzoek om de hoofverblijfplaats bij hem te bepalen, ingetrokken. Hij heeft lang de zorg voor [minderjarige] op zich willen nemen, maar het duurt nu te lang en om financiële redenen moet hij zijn werkuren uitbreiden waardoor hij niet langer in zijn eentje de zorg voor [minderjarige] kan dragen.

De moeder heeft haar verzoek gehandhaafd. Omdat de rechtbank begrijpt dat wordt toegewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, zal de rechtbank dat verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen daarom toewijzen.

Zorgregeling

De rechtbank is van oordeel dat het contact tussen [minderjarige] en de vader veel te lang verbroken is geweest. De vader heeft toen ouders nog samen waren, een belangrijke rol in haar leven gehad die plotseling is geëindigd. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] dient het contact zo snel mogelijk te worden hersteld. Voorts acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de vader na haar terugplaatsing een substantieel aandeel in de zorg voor [minderjarige] op zich neemt, mede omdat daarmee de moeder ontlast kan worden. De zorg voor [minderjarige] is veeleisend, en de moeder heeft haar eigen rugzakje en kwetsbaarheden. Dat maakt het des te belangrijker voor [minderjarige] dat de vader een stabiele rol in haar leven kan vervullen.

Daar staat tegenover dat het belangrijk is dat de pleegmoeder, in wiens gezin [minderjarige] nu nog verblijft, aan haar emotionele toestemming geeft voor contact met de vader. De gecertificeerde instelling heeft tijd nodig om dit met de pleegmoeder te bespreken.

Ook moeten de ouders onder begeleiding van de gecertificeerde instelling goede afspraken maken over de verdeling van de zorg voor [minderjarige] na de terugplaatsing bij de moeder.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de Raad tijdens de zitting van een jaar geleden voorstelde, geen langdurige begeleiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader nodig is. Weliswaar hebben [minderjarige] en de vader elkaar lang niet daadwerkelijk ontmoet, maar er heeft wel contact via videobellen plaatsgevonden. Als de gecertificeerde instelling het noodzakelijk vindt dat het eerste of de eerste paar contacten wel begeleid worden, dient zij dat te faciliteren. Een langdurig begeleide zorgregeling zal de rechtbank echter niet vaststellen.

Gelet op het vorengaande zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] in ieder geval vanaf 1 oktober 2026 om de week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vader verblijft. Tot 1 oktober 2026 heeft de gecertificeerde instelling de tijd om in overleg met de vader, de moeder en de pleegmoeder, te werken aan een opbouwregeling daar naartoe. Het tot stand brengen van een goede opbouwregeling zal een uitdaging zijn, mede gelet op de vakantieperiode waarin deze moet plaatsvinden en het werk van de vader. Ook moet voor een begeleiding van de overdracht wellicht een beroep worden gedaan op derden, maar mogelijk kan ook de moeder deze rol vervullen. De rechtbank gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich hiervoor inspannen en geeft de gecertificeerde instelling om genoemde redenen een wat ruimere periode om de regeling in gang te zetten.

Het verzoek van de vader om een dwangsom op te leggen, wijst de rechtbank af. De rechtbank acht het van belang dat alle betrokkenen eerst de gelegenheid moeten krijgen met deze opdracht aan de slag te gaan zonder dat daar een dwangsom aan verbonden is.

Alimentatie

De moeder heeft destijds verzocht om kinderalimentatie vast te stellen. Bij beschikking van 10 juni 2025 is een voorlopige kinderalimentatie bepaald van € 102,- per maand. De vader heeft verzocht de voorlopige kinderalimentatie definitief vast te stellen. De moeder heeft zich op zitting daaraan gerefereerd omdat zij op dit moment ook niet weet wanneer [minderjarige] weer bij haar komt te wonen en de vader nog geen zicht heeft op zijn nieuwe inkomen. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak wederom aan te houden, en zal zij de voorlopige alimentatie als definitieve alimentatie vaststellen. Indien de situatie daarvoor aanleiding geeft, kunnen partijen in overleg de alimentatie aanpassen dan wel via de rechtbank om wijziging vragen.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 juni 2025 van deze rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats], haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;

*

stelt vast dat [minderjarige] volgens de volgende opbouwregeling bij de vader zal zijn:

  • vanaf heden tot 1 oktober 2026: een in nader overleg te bepalen opbouwregeling onder regie van de gecertificeerde instelling;
  • vanaf 1 oktober 2026: om de week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur.

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige], van € 102,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.