Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 6 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21843Zaaknummer C/09/643316 / FA RK 23-1357

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/643316 / FA RK 23-1357
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Raadsonderzoek. Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen, geen omgangsregeling vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 22 september 2023 –:

*

bepaalt dat tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], geen omgangsregeling geldt;

*

bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader eenmaal per maand schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] via e-mail, waarop de vader niet dient te reageren;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procedure
  2. Beoordeling
  3. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 23-1357

Zaaknummer: C/09/643316

Datum beschikking: 6 juli 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats, omgang c.q. verdeling van zorg- en opvoedtaken en opname ouderschapsplan

Beschikking op het op 10 februari 2023 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.R. Bissessur te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 4 juni 2025 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de omgang c.q. verdeling van zorg- en opvoedtaken (zorgregeling) en de opname van het ouderschapsplan aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.

De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- het rapport en advies van de Raad van 10 februari 2026 met kenmerk KZ-1-65S04SE;

- het bericht van de Raad van 26 februari 2026, inhoudende de aanvullende reacties van de ouders op het rapport en advies van de Raad.

Op 8 juni 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk A. Hairan en vergezeld van begeleider [naam 1] van [zorginstantie];
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door vertrouwenspersoon [naam 2];
  • [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Raadsrapport

Uit het Raadsrapport blijkt dat de Raad zich zorgen maakt over de relatie tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] ervaart veel onrust, spanning en weerstand rondom het contact met zijn vader. De Raad is bezorgd over de manier waarop de vader [minderjarige] door middel van (spraak)berichten benadert alsook over de inhoud van deze berichten, die vermoedelijk een negatieve invloed hebben op zijn cognitieve ontwikkeling en zeker invloed hebben op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Volgens de Raad is het zorgelijk dat de vader deze berichten is blijven sturen, ook nadat de Raad hem heeft verzocht hiermee te stoppen. De Raad is ook bezorgd over het feit dat [minderjarige] nog onvoldoende behandeling heeft ontvangen om zijn gevoelens te kunnen verwerken en uiten. Verder wijst de Raad erop dat de moeder spanningen ervaart in het contact met de vader en dat zij de vader op aanraden van haar hulpverlening heeft geblokkeerd nadat zij grensoverschrijdende berichten van hem had ontvangen. Hoewel de Raad het positief vindt dat de moeder bereid is om het contact tussen de vader en [minderjarige] te stimuleren, zijn er ook zorgen over het vermogen van de moeder om zelfstandig voldoende de veiligheid van [minderjarige] te borgen in dat contact.

Op basis van het rapport concludeert de Raad ten aanzien van het gezag als volgt. De relatie en de communicatie tussen de ouders zijn reeds langdurig verstoord en afstemming over basale zaken met betrekking tot [minderjarige] is niet mogelijk. Volgens de Raad staat de vader niet open voor Parallel Solo Ouderschap (PSO) of hulpverlening, houdt hij vast aan zijn overtuiging dat de moeder verantwoordelijk is voor de situatie en toont hij weinig zelfreflectie. De Raad acht het dan ook niet aannemelijk dat de relatie en de communicatie tussen de ouders op korte termijn aanzienlijk zullen verbeteren. Volgens de Raad zal [minderjarige] klem of verloren raken tussen de ouders indien zij gezamenlijk met het gezag worden belast. Daarom adviseert de Raad het gezag niet te wijzigen.

Verder concludeert de Raad dat er individuele hulpverlening voor vader, moeder en [minderjarige] nodig is voordat kan worden gestart met begeleid contact. De Raad geeft aan de aanmelding voor omgangsbegeleiding bij Kracht in orde te zullen maken. Omdat de wachtlijsten daarvoor lang zijn, adviseert de Raad de beslissing over de omgang aan te houden voor negen maanden, zodat in die periode rust kan ontstaan en hulpverlening kan worden opgestart. Tot slot acht de Raad het van belang dat de moeder de vader eens per maand via mail informeert over [minderjarige], zodat vader bij toekomstig contact kan aansluiten bij [minderjarige].

Reacties van de ouders

De moeder staat achter het advies van de Raad en staat open voor hulpverlening. Zij geeft aan dat zij wordt begeleid door [zorginstantie] en dat [minderjarige] inmiddels meerdere keren heeft gesproken met de kinder-praktijkondersteuner van de huisarts, die [minderjarige] zal aanmelden voor speltherapie en een coach. Volgens de moeder heeft [minderjarige] nu behoefte aan rust en ruimte om met de hulpverlening aan de slag te gaan en zij wil [minderjarige] respecteren in zijn wens om nu geen contact te hebben met de vader. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij het goed vindt om de vader regelmatig te informeren over [minderjarige], zoals de Raad heeft geadviseerd.

De vader stelt dat het rapport veel onjuistheden bevat en het niet eens is met de adviezen van de Raad. Zo stelt de vader dat hij de hulpverlening niet heeft tegengewerkt, maar dat (een aantal van) de betrokken instanties alleen de moeder ten dienste stonden, niet de juiste expertise in huis hadden en dat de verstoorde relatie tussen de ouders voor een groot deel ten grondslag ligt aan het niet slagen van de hulpverleningstrajecten. Volgens de vader zal een nieuw traject die verstoorde relatie niet verhelpen. De vader geeft aan dat hij vreest dat hij [minderjarige] nooit meer zal zien, terwijl hij meent dat het wel in het belang van [minderjarige] is dat hij contact met zijn vader heeft.

Inhoudelijke beoordeling

Gezag en hoofdverblijfplaats

Uit het rapport van de Raad en dat wat door de ouders in de stukken en tijdens de zitting naar voren is gebracht, is het de rechtbank duidelijk geworden dat de verstandhouding tussen de ouders langdurig en ernstig verstoord is en dat hun onderlinge communicatie erg moeizaam verloopt. Ook het ouderschapsbemiddelingstraject waarnaar de rechtbank de ouders bij beschikking van 22 september 2023 heeft doorverwezen, heeft hier geen positieve verandering in kunnen brengen omdat het traject niet van de grond is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de ouders niet in staat zijn tot constructieve communicatie en het in onderling overleg nemen van (gezags)beslissingen over [minderjarige]. Het is – gelet op de lange tijd dat deze situatie al voortduurt – niet de verwachting van de rechtbank dat er binnen afzienbare tijd iets zal veranderen in deze situatie. Daardoor acht de rechtbank – net als de Raad – het risico aanwezig dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders indien de ouders het gezag over [minderjarige] gezamenlijk zouden uitoefenen. Op basis van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en wijst de rechtbank het daarop gerichte verzoek van de vader af.

Omdat de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] belast zal blijven, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het verzoek van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige]. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de ouder met gezag, te weten de moeder.

Omgang

Bij de beoordeling van de verzoeken ten aanzien van de omgang tussen de vader en [minderjarige] stelt de rechtbank voorop dat het in het algemeen in het belang van kinderen is om onbelast contact te hebben met beide ouders. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken maakt de rechtbank op dat de vader een rol van betekenis heeft gespeeld in het leven van [minderjarige], dat hij grote betrokkenheid toont en ongetwijfeld goede intenties heeft ten aanzien van (het herstellen van) het contact tussen hem en [minderjarige]. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank de wens van de vader om weer contact te hebben dan ook invoelbaar en het advies van de Raad navolgbaar. Desalniettemin acht de rechtbank het in de huidige omstandigheden aangewezen om de verzoeken die over en weer door de ouders zijn gedaan met betrekking tot de omgang af te wijzen en geen omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank constateert dat er sprake is van een complexe situatie, waarbij er na een periode van moeizaam contact tussen de vader en [minderjarige] nu geen contact meer is. De ouders wijzen verschillende oorzaken aan voor het ontstaan van deze situatie, die volgens de rechtbank deels te wijten lijkt aan de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, en deels aan de wijze waarop de vader contact had met [minderjarige]. Er is in de afgelopen jaren getracht om verschillende vormen van hulpverlening in te zetten met betrekking tot de communicatie tussen en het vormgeven van het ouderschap van de ouders en het contact tussen [minderjarige] en de vader, maar de rechtbank stelt vast dat geen enkel van deze ingezette hulpverleningstrajecten van de grond is gekomen en/of met positief resultaat is afgerond. De ouders zijn het niet eens over de reden waarom de trajecten niet (met goed gevolg) zijn doorlopen en het is voor de rechtbank evenmin goed vast te stellen waaraan dit heeft gelegen. De rechtbank constateert wel dat de vader slechts beperkt inzicht lijkt te hebben in zijn eigen rol in het tot stand komen en in stand houden van de ontstane situatie. Ook heeft de rechtbank de indruk dat de vader onvoldoende lijkt te kunnen inschatten wat [minderjarige] nodig heeft en dat hij daardoor onvoldoende in staat is om aan de sluiten bij (de behoeften en beleving van) [minderjarige].

Bij deze stand van zaken is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het in eerste instantie van groot belang is dat er rust komt voor [minderjarige], zodat hij de ruimte krijgt om zich zonder de druk van contact met zijn vader te ontwikkelen en voor het hulpverleningstraject dat via Kracht zal worden ingezet. Om deze rust voor [minderjarige] te creëren, acht de rechtbank het noodzakelijk dat er spoedig duidelijkheid komt over het contact tussen hem en zijn vader. Daarbij acht de rechtbank het – mede gelet op het beperkte vertrouwen van met name de vader in hulpverlening en de hiervoor geschetste hulpverleningsgeschiedenis – niet aannemelijk dat de situatie aanzienlijk zal wijzigen of verbeteren na een aanhouding van negen maanden, zoals de Raad adviseert. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een nieuwe aanhouding van deze al lang lopende procedure niet aangewezen en niet in het belang van [minderjarige].

Het voorgaande neemt nadrukkelijk niet weg dat de rechtbank verwacht dat de begeleiding van de moeder en de (aanmeldingen voor) hulpverlening voor [minderjarige] zullen worden voortgezet. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat daarbij steeds zal worden bezien of er bij [minderjarige] draagkracht bestaat voor contact(herstel) met zijn vader, waarbij de rechtbank opmerkt dat de Raad het aangewezen acht om het contact te begeleiden wanneer dat opnieuw wordt opgestart. Tijdens de zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad aangegeven dat de Raad [minderjarige] nog niet heeft aangemeld voor omgangsbegeleiding bij Kracht. Gelet op het feit dat de moeder naar aanleiding van het raadsrapport zelf voortvarend aan de slag is gegaan met het realiseren van ondersteuning en hulpverlening voor [minderjarige], gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder – al dan niet met behulp van haar begeleider en/of andere betrokken hulpverleners – [minderjarige] ook zal aanmelden voor omgangsbegeleiding ten behoeve van het contactherstel met de vader wanneer [minderjarige] daar voldoende draagkracht voor heeft.

Informatieregeling

In het verlengde hiervan acht de rechtbank het net als de Raad van belang dat de vader op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkeling van [minderjarige], zodat hij aansluiting kan vinden bij [minderjarige] op het moment dat het contact kan worden hersteld. Daarom zal de rechtbank de door de Raad geadviseerde informatieregeling, waarmee de moeder ter zitting heeft ingestemd, vaststellen. Deze informatieregeling houdt in dat de moeder de vader eens per maand door middel van een e-mail informeert over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige], waarbij de vader wordt geacht niet op deze mails te reageren.

Brief voor [minderjarige]

De rechtbank heeft [minderjarige] een brief geschreven om de beslissing aan hem uit te leggen. Volledigheidshalve staat de inhoud van die brief hieronder, zodat beide ouders daarvan op de hoogte zijn.

Beste [minderjarige],

Wij hebben elkaar niet gesproken, maar ik heb wel veel over jou en je ouders gelezen. Ik heb ook met jouw ouders gepraat over het contact tussen jou en je vader en daar heb ik een beslissing over genomen. Omdat ik het belangrijk vind dat jij weet wat die beslissing is, schrijf ik jou deze brief.

Jouw vader heeft mij verteld dat jullie elkaar al een tijdje niet hebben gezien en dat hij heel graag weer contact wil met jou. Ik weet dat er in de afgelopen tijd veel is gebeurd en dat contact met je vader voor jou ingewikkeld is. Daarom heb ik besloten dat er op dit moment geen verplichting zal zijn voor jou om contact te hebben met je vader. Ik vind het belangrijk dat je weet dat dit niet betekent dat er in de toekomst nooit contact mag of kan zijn. Jij kunt altijd contact opnemen met jouw vader als je dat wilt, want je bent altijd welkom bij hem.

Als laatste laat ik je nog weten dat ik deze brief ook in de beslissing voor je ouders heb gezet, zodat zij allebei weten wat ik jou heb geschreven.

Met vriendelijke groet,

de kinderrechter

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 22 september 2023 –:

*

bepaalt dat tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], geen omgangsregeling geldt;

*

bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader eenmaal per maand schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] via e-mail, waarop de vader niet dient te reageren;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 juli 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.