Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21839Zaaknummer 24/7995

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
24/7995
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen terugvordering WW-uitkering. Beroep ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van

J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

de griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Overwegingen
  3. De beoordeling van de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/7995

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

(gemachtigde: mr. B.N. de Wolff).

Inleiding

Bij besluit van 17 juni 2024 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de inkomsten waarmee zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) over maart 2024 is verrekend, opnieuw is vastgesteld en dat de WW-uitkering over maart 2024 op € 869,12 bruto vastgesteld.

Bij besluit van 27 juni 2024 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de maand maart 2024 te veel WW-uitkering heeft ontvangen die hij moet terugbetalen.

Met het besluit van 9 september 2024 (het bestreden besluit) is verweerder bij de primaire besluiten gebleven.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Nadien heeft eiser aanvullende gronden met bijlagen ingediend.

Verweerder heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser die behoorlijk voor de zitting is uitgenodigd, is niet verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

Tot standkoming besluit

1. Eiser ontvangt sinds 27 februari 2022 een uitkering ingevolge de WW. Op 31 januari 2024 heeft eiser aan verweerder gemeld dat hij van 6 maart 2024 tot 5 oktober 2024 als verkoopadviseur voor 32 uur per week gaat werken bij “[bedrijfsnaam]”. Bij brief van 23 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn WW-uitkering per 29 maart 2024 stopt en dat hierover nog een definitieve beslissing volgt. Bij besluit van 9 april 2024 heeft verweerder, onder verwijzing naar de brief van 23 februari 2024, de WW-uitkering van eiser per 29 maart 2024 stopgezet. Tegen dit besluit heef eiser geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

1.1.

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de inkomsten waarmee de uitkering over maart 2024 zijn verrekend, opnieuw is vastgesteld. Omdat eiser andere inkomsten had dan waarmee eerder is verrekend, is de uitkering van eiser over maart 2024 op € 869,12 bruto vastgesteld. Dit betekent dat eiser te veel uitkering heeft ontvangen. Daarbij is meegedeeld dat indien eiser te veel uitkering heeft gekregen hij dit moet terugbetalen, waarover hij nog een aparte brief zal ontvangen.

1.2.

Vervolgens heeft verweerder eiser bij het primaire besluit 2 meegedeeld dat over de maand maart zijn uitkering lager had moeten zijn, te weten € 869,12, dan het bedrag

€ 1.938,48 dat aan hem is uitbetaald, zodat eiser € 1.069,36 te veel uitkering heeft ontvangen. Ook heeft eiser € 85,55 te veel aan vakantiegeld ontvangen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een cijfermatige toelichting gegeven op het bedrag van € 870,21 dat eiser netto moet terugbetalen van het berekende brutobedrag van € 1.069,36 dat eiser te veel heeft ontvangen. Daarbij opgeteld € 85,55, heeft eiser

€ 1.154,91 bruto te veel ontvangen. Verweerder heeft overwogen dat in het geval van eiser geen sprake is van een dringende reden om tot verlaging van het terugvorderingsbedrag of van terugvordering af te zien. Volgens verweerder heeft eiser ook met alleen een bijstandsuitkering aflossingscapaciteit en dat bij het vaststellen van de betalingsregeling rekening zal worden gehouden met zijn persoonlijke en financiële omstandigheden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij al heel vaak heeft verteld dat hij niet te veel inkomsten heeft gehad en dat hij ook te veel betaalde salaris moest terugbetalen. Volgens eiser had hij daarom recht op de aan hem betaalde uitkering. Voorts heeft eiser gesteld dat hij meerdere keren om kwijtschelding heeft gevraagd maar dit is afgewezen en dit hem bevreemdt omdat hij in de bijstand zit. Hij heeft ook om die reden om ontheffing voor het betaling van het griffierecht voor het beroep verzocht vanwege betalingsonmacht.

De beoordeling van de rechtbank

6. Op grond van artikel 22a, eerste lid, onder b, van de WW moet het Uwv de uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, herzien.

6.1.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald door het Uwv van de betrokken werknemer teruggevorderd. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

7. Vastgesteld wordt dat de WW-uitkering van eiser over de maand maart 2024 te hoog is geweest en dat eiser € 1.069,36 te veel uitkering heeft ontvangen. Ook heeft eiser € 85,55 te veel aan vakantiegeld ontvangen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij niet te veel inkomsten heeft gehad en dat hij ook te veel betaalde salaris moest terugbetalen, heeft hij dit op geen enkele wijze onderbouwd. Daarbij is van belang dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat uit de polisadministratie niet blijkt van aanpassing van de betreffende loongegevens.

7.1.

Verweerder is op grond van het bepaalde in artikel 22a van de WW bevoegd en ook verplicht de WW-uitkering over de maand maart 2024 te herzien en de te veel betaalde WW-uitkering terug te vorderen. Er is namelijk door verweerder ten onrechte te veel WW-uitkering verleend aan eiser.

7.2.

Verweerder kan alleen op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening en/of terugvordering af te zien. Van dergelijke dringende redenen is evenwel niet gebleken.

7.3.

Aldus is niet gebleken dat eiser niet tot terugbetaling in staat is noch dat er sprake is van andere omstandigheden die in de afweging betrokken hadden moeten worden. In het bestreden besluit heeft verweerder meegedeeld dat bij het vaststellen van de betalingsregeling rekening zal worden gehouden met de persoonlijke en financiële omstandigheden van eiser. Uit de stukken, waaronder de brief van 1 juli 2024 van verweerder, blijkt dat inmiddels aan eiser een betalingsvoorstel van € 90,- per vier weken is gedaan. Voor zover eiser een verzoek om kwijtschelding heeft gedaan, blijft dit buiten de bespreking van dit geschil waar het gaat om de herziening en terugvordering van te veel aan eiser betaalde WW-uitkering.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van

J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

de griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.