Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21786Zaaknummer 24/7153
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/7153
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Participatiewet
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres en [naam 1].
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7153
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.E. de Glopper),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college
(gemachtigden: mr. S. Martens en F. Hoesenie).
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2024 (primair besluit I) heeft het college het recht van eiseres op een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 31 oktober 2023 ingetrokken.
Bij besluit van 8 mei 2024 (primair besluit II) heeft het college op grond van de Pw over de periode van 31 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 te veel verstrekte bijstand van
€ 2.899,75 (bruto) van eiseres teruggevorderd. Over de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 april 2024 heeft het college een bedrag van € 4.878,56 teruggevorderd. Dat komt samen neer op een bedrag van € 7.778,31. Het gereserveerde vakantiegeld van € 301,14 heeft het college daarop in mindering gebracht zodat het totale terugvorderingsbedrag € 7.477,17 bedraagt.
Bij besluit van 11 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. Nijssen namens de gemachtigde van eiseres. Tevens is verschenen [naam 1] (hierna: [naam 1] ), samen met [naam 2] en [naam 3]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na een korte schorsing heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college erkend dat het onderzoek naar de eventuele gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [naam 1] onvoldoende is geweest. De rechtbank is met het college van oordeel dat het totaal van de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een ontoereikende grondslag voor het standpunt van het college vormt dat [naam 1] in te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het (uitkerings-) adres van eiseres had. Dit is één van de voorwaarden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [naam 1]. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
2. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het besluit in strijd is met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf beslissingen over het bezwaar te nemen. Dit omdat de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt om zelf te voorzien in deze zaak en omdat het college ter zitting heeft medegedeeld nader onderzoek te willen doen. Eiseres kan zich daarin vinden.
3. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van acht weken.
4. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden, en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
5. De rechtbank overweegt dat dit beroep en het beroep van [naam 1] (SGR 24/7000) tegelijk zijn behandeld. De rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb is in beide zaken verleend door de gemachtigde van eisers, mr. J.E. de Glopper en (ter zitting) door haar vervanger. De zaken zijn verwant en de verrichte werkzaamheden zijn nagenoeg identiek. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, zodat in deze twee zaken één vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt toegekend. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde beroepschriften heeft ingediend en (namens haar) aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres en [naam 1].
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.